Conclusie
1.Overzicht
Rechtbankheeft dat beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat er voor de vennootschapsbelasting geen bezwaar en beroep openstaat tegen een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering.
Hofoverwogen dat de aanslag c.a. op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, nu de Inspecteur heeft aangetoond dat het aanslagbiljet bij PostNL ter bezorging is aangeboden en er geen sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onjuiste adressering. Belanghebbendes stelling dat de uitspraak op bezwaar 1, van 16 maart 2019, moet worden aangemerkt als de aanslag, is daarom door het Hof verworpen. De bezwaartermijn is dan daags na 14 oktober 2017 aangevangen. Nu niet in geschil is dat de belanghebbende de brief met uitspraak op bezwaar 1 en ambtshalve verliesverhoging van 16 maart 2019 heeft ontvangen, is haar beroepschrift van 25 mei 2020 te laat ingediend, aldus het Hof. Het Hof heeft het hogere beroep ongegrond verklaard.
cassatieberoepschrift in hoofdlijn vier klachten. Het Hof heeft volgens haar ten onrechte:
BNB2012/253 volgt dat eventuele onjuiste adressering van het aanslagbiljet geen nietigheid of vernietigbaarheid van de aanslag c.a. ten gevolge heeft. Ook op dat punt strandt belanghebbendes cassatieberoep dus. Wel kan onjuiste adressering betekenen dat de aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, waardoor de bezwaartermijn pas aanvangt als de belastingplichtige het biljet alsnog krijgt. De belanghebbende stelt primair dat de aanslag niet is verzonden en subsidiair dat hij onjuist was geadresseerd en verzonden had moeten worden naar haar rechtsopvolgers en/of haar gemachtigde.
überhauptbekend is gemaakt (regelmatig ter bezorging is aangeboden aan PostNL) en zo ja, (ii) of hij naar het juiste adres is gestuurd en zo neen, (iii) of dat aan de Inspecteur te wijten is.
had moetenopnemen, nl. dat van haar andere rechtsopvolger of dat van haar gemachtigde. Die stelling is onjuist, zoals bleek.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
verweersluit de Staatssecretaris zich aan bij het oordeel van het Hof, dat volgens hem de rechtskundig juiste maatstaven en bewijslastverdeling heeft gebruikt. Hij meent dat belanghebbendes klachten over onjuiste tenaamstelling van de verliesvaststellings-beschikking en de boetebeschikking en over schending van het vertrouwensbeginsel bij de feitenrechter niet zijn aangevoerd en daarom als ontoelaatbare nova in cassatie moeten worden beschouwd. Er kan niet voor het eerst in cassatie een beroep worden gedaan op een regel of beginsel waarvan de toepassing een vaststelling of waardering van feiten vergt die bij de feitenrechter niet heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de overige klachten meent de Staatssecretaris dat zij oordelen bestrijden die berusten op aan het Hof voorbehouden waardering van feiten, omstandigheden en bewijsmiddelen. Deze feitelijke oordelen acht hij voldoende en begrijpelijk gemotiveerd.
4.De wet en de wetsgeschiedenis
lex specialisvoor de aanvang van de termijn voor bezwaar tegen belastingaanslagen:
fusieis opgehouden te bestaan: [10]
tenaamstellinggaan niet in op de
adresseringvan een belastingaanslag ten name van een verdwenen rechtspersoon over een periode waarin hij nog bestond, maar pas opgelegd na zijn verdwijning. Wel heeft de regering het volgende opgemerkt over de invordering van een dergelijke aanslag: [12]
5.Rechtspraak
BNB1998/335 [13] oordeelde u dat onjuiste tenaamstelling van een aanslagbiljet in het algemeen niet kan leiden tot een betalingsverplichting, tenzij het gaat om een zodanig geringe onvolkomenheid dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan over de vraag voor wie het biljet is bestemd.
BNB2009/196 [14] fuseerde stichting B op 31 maart 2000 als verdwijnende rechtspersoon met stichting A (later stichting C) als verkrijgende rechtspersoon. Een naheffingsaanslag voor door stichting B verschuldigde omzetbelasting over 1996 (vóór fusie) werd door de inspecteur opgelegd aan – dus ten name gesteld van – stichting C. In geschil was of de tenaamstelling van die naheffingsaanslag juist was. In afwijking van de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Van Hilten, die op basis van de boven (4.8) geciteerde parlementaire geschiedenis meende dat de aanslag ten name van Stichting B gesteld had moeten worden, oordeelde u dat de Inspecteur kon kiezen:
BNB2009/196 helpt de belanghebbende niet, nu het de Inspecteur volgens dat arrest vrij stond om de aanslag c.a. Vpb 2014 ten name van de verdwenen belanghebbende te stellen.
BNB2004/200: [16]
BNB2012/253 [20] de bezwaartermijn pas aan op de dag van ontvangst alsnog door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger:
BNB2001/336 [21] oordeelde u dat de inspecteur geen (kopie) aanslagbiljet aan een gemachtigde hoeft te verzenden als daar niet door of namens de belanghebbende is verzocht. Zonder zo’n verzoek is de regel dat aanslagen verzonden worden naar de belastingplichtige zelf:
BNB2003/204 [22] stond vast dat de belanghebbende niet had verzocht om toezending van aanslagen aan haar gemachtigde, maar in die zaak overwoog u dat de inspecteur in de specifieke omstandigheden van dat geval toch gehouden kon zijn de gemachtigde ‘op enigerlei wijze in kennis te stellen’ van het feit dat de aanslag was opgelegd. Nalaten daarvan zou een termijnoverschrijding bij het instellen van bezwaar of beroep verschoonbaar kunnen maken in de zin van art. 6:11 Awb Pro. Die specifieke omstandigheden waren de volgende: de aanslag was vastgesteld na een briefwisseling tussen de gemachtigde en de inspecteur over een door de inspecteur aangekondigde afwijking van de aangifte. De laatste brief in die wisseling was afkomstig van de gemachtigde en bevatte het verzoek aan de inspecteur om te reageren op de standpunten van die gemachtigde. De inspecteur had dat niet gedaan en in plaats daarvan de aanslag opgelegd, volgens de hoofdregel geadresseerd aan de belastingplichtige zelf:
BNB2005/318 [23] betrof een aanslag rioolaansluitrecht 1998 opgelegd aan een stichting X die door fusie met een stichting B ophield te bestaan nadat zij bezwaar had gemaakt maar voordat daarop uitspraak werd gedaan. In geschil was of B ontvankelijk was in haar beroep dat zij ‘namens X’ had ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. U meende van wel:
BNB2005/318 alleen de ontvankelijkheid van bezwaar en beroep ingesteld door de verkrijgende rechtspersonen betrof en niet de adressering of bekendmaking, waarvoor bovendien de
lex specialisvan art. 8(1) IW in plaats van art. 3:41(1) Awb geldt, die het niet over ‘belanghebbenden’, maar alleen over ‘de belastingschuldige’ heeft.
6.Beoordeling van het cassatieberoep
BNB2009/196 (zie 5.3 hierboven) helpt de belanghebbende niet omdat dat arrest de Inspecteur de keuze geeft tussen de verdwijner en de verkrijger. Op het punt van de tenaamstelling van de aanslag c.a. mist belanghebbendes cassatieberoep dus doel.
BNB2012/253 (zie 5.6 hierboven) volgt dat eventuele onjuiste adressering van het aanslagbiljet geen nietigheid of vernietigbaarheid van de aanslag c.a. ten gevolge heeft. Ook die stelling van de belanghebbende kan dus niet tot cassatie leiden. Wel kan onjuiste adressering meebrengen dat de aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, waardoor de bezwaartermijn pas aanvangt nadat de belastingplichtige alsnog kennis heeft genomen van het biljet.
beiderechtsopvolgers en/of aan haar gemachtigde.
überhauptbekend is gemaakt (regelmatig ter postbezorging is aangeboden aan PostNL) en zo ja, (ii) of hij naar het juiste adres is gestuurd en zo neen, (iii) of dat aan de Inspecteur te wijten is.
BNB2001/336 (zie 5.7) volgt dat de Inspecteur slechts gehouden is (een kopie van) de aanslag naar een gemachtigde te sturen als daar door of namens de belanghebbende om is gevraagd. Een bijzondere omstandigheid die aanleiding moet zijn om daarvan af te wijken, zoals in de zaak HR
BNB2003/204 (zie 5.8 hierboven), doet zich mijns inziens niet voor. De belanghebbende heeft slechts aangevoerd dat (i) de Inspecteur uit het handelsregister had kunnen opmaken dat zij was opgehouden te bestaan en (ii) de gemachtigde betrokken was geweest bij een splitsingsverzoek en een daarop volgende vaststellingsovereenkomst voorafgaand aan de oplegging van de aanslag. Dat zijn mijns inziens geen omstandigheden vergelijkbaar met die in HR
BNB2003/204: noch uit de vermelding in het handelsregister van belanghebbendes splitsing (die geen wijziging van adres meebracht bij één van haar twee rechtsopvolgers), noch uit mogelijke betrokkenheid van de gemachtigde bij een splitsingsverzoek en een vaststellingsovereenkomst, moest de Inspecteur redelijkerwijs opmaken dat na de splitsing nog aan de belanghebbende opgelegde aanslagen aan de gemachtigde moesten worden verzonden, nu het Hof de belanghebbende ook ‘op geen enkele manier’ geslaagd heeft geacht in aannemelijk maken dat de Inspecteur uit die vaststellingsovereenkomst en/of dat splitsingsverzoek had moeten opmaken dat na de splitsing nog aan de belanghebbende opgelegde aanslagen aan de gemachtigde moesten worden verzonden. Die documenten heeft zij overigens kennelijk niet eens overgelegd aan het Hof. Ook hier gaat het overigens om feitelijke (bewijs)oordelen die mijns inziens in cassatie onaantastbaar zijn omdat zij voldoende gemotiveerd zijn en geenszins onbegrijpelijk.
had moetenopnemen, nl. dat van haar andere rechtsopvolger of dat van haar gemachtigde. Die stelling is onjuist, zoals bleek.