ECLI:NL:PHR:2023:8

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2023
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
21/03875
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/03875

Zitting10 januari 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige kamer, heeft de verdachte bij arrest van 1 september 2022 veroordeeld wegens “
bedreiging met zware mishandeling” tot een geldboete van € 350,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door zeven dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T.P.A.M. Wouters en R.I. Takens, beiden advocaat te Amsterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van bedreiging met zware mishandeling.

De bewijsconstructie van het hof

4. Voorafgaand aan de bespreking van het middel, zal ik eerst – voor zover relevant – de bewezenverklaring en de bewijsconstructie weergeven.
5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 3 april 2019 te [plaats] [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (beiden medewerkers van de afdeling handhaving van de gemeente [plaats] ) heeft bedreigd met zware mishandeling door die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] dreigend de woorden toe te voegen “Rot op anders sla ik al je tanden uit je kanker bek” en “Nu opkankeren van het kamp anders sla ik al jullie tanden eruit”.”
6. De bewezenverklaring steunt op de volgende, in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2019065905-1 van 8 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 003-005).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van[aangever]:
Plaats delict: [a-straat 1] , [plaats]
Pleegdatum/tijd: Tussen woensdag 3 april 2019 om 12:00 uur en woensdag 3 april 2019 om 13:00 uur
Ik doe aangifte van bedreiging namens twee medewerkers van de afdeling handhaving van de gemeente [plaats] . Ik doe aangifte voor [betrokkene 1] en ik doe aangifte voor [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2]
). [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn handhavers bouw- en woningtoezicht bij de afdeling handhaving.
Op 3 april 2019 gingen mijn medewerkers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar de [a-straat 1] te [plaats] . Dit is op het woonwagenkamp aan de [a-straat ] op welk adres [verdachte] woont. Op dat moment was reeds geconstateerd dat [verdachte] aan het bouwen was in afwijking van de verleende bouwvergunning. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gingen op 3 april een bouwstop aangeven. Op het kamp zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bedreigd door [verdachte] . Toen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] na de bedreiging terugkwamen, zag ik dat ze zich bedreigd voelden. Ik zag dat ze ontdaan waren van dit incident.
2. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2019065905-3 van 30 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 017-019).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring vanverdachte:
Toen de ambtenaren van de gemeente [plaats] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] en [betrokkene 2]
) bij mij langskwamen ben ik kwaad geworden en heb ik een klap op die auto gegeven. Ik werd toen boos. Ik heb gezegd dat ze van het kamp af moeten gaan. Ik heb ze van het kamp gestuurd.
3. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2019065905-6 van 15 mei 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 008-009).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring vangetuige [betrokkene 1]:
Achternaam: [betrokkene 1]
Voornamen: [betrokkene 1]
Ik ben werkzaam als bijzonder opsporingsambtenaar voor de Gemeente [plaats] . Op 3 april 2019 ging ik met mijn collega [betrokkene 2] met een dienstauto van de Gemeente [plaats] naar de [a-straat 1] te [plaats] . De woning die hier is gelegen, is eigendom van [verdachte] . Wij vertelden dat hij moest stoppen met bouwen, omdat zijn bouwactiviteiten afweken van de verleende vergunning. Nadat ik dit had uitgelegd, leek het alsof [verdachte] kortsluiting in zijn hoofd kreeg. Ik zag dat hij heel kwaad werd. Hij begon te schreeuwen. Ik hoorde hem schreeuwen: “Rot op anders sla ik al je tanden uit je kanker bek!!” Ik voelde me op dat moment bedreigd. Ik hoorde zijn vrouw zeggen: “Ga maar snel weg anders gaat het fout”. Mijn collega en ik gingen snel onze dienstauto in en op het moment dat we weg wilden rijden, zag ik dat [verdachte] tegen de bijrijdersdeur schopte. Vervolgens zag ik dat [verdachte] met zijn vuist tegen het raam van de bijrijdersdeur sloeg. [verdachte] is een grote man en hij kwam zeer agressief op mij over.
4. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2019065905-7 van 21 mei 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 012-013).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring vangetuige [betrokkene 2]:
Achternaam: [betrokkene 2]
Voornamen: [betrokkene 2]
Ik ben werkzaam als bijzonder opsporingsambtenaar voor de Gemeente [plaats] . Op 3 april 2019 ging ik samen met mijn collega [betrokkene 1] haar de [a-straat 1] te [plaats] . Dit is een woning welke gelegen is op het woonwagenkamp aldaar. Wij gingen de eigenaar van deze woning, [verdachte] , meedelen dat hij een bouwstop opgelegd krijgt omdat zijn bouwwerk afwijkt ten opzichte van de verleende vergunning. Ik zag dat [verdachte] kwaad werd. Ik zag dat hij met zijn hoofd schudde. Ik hoorde hem schreeuwen: “En nu opkankeren van het kamp anders sla ik al jullie tanden eruit!!” Ik schrok hiervan en voelde mij bedreigd. Ik had het idee dat hij ons echt wilde slaan vanwege de manier waarop hij dat zei. Het kwam op mij over als heel dwingend en bloedserieus. Ik ging direct in de auto zitten. Ik keek uit het zijraam door mijn portier en zag dat [verdachte] op de auto afkwam en een harde trap tegen de auto gaf. Vervolgens zag ik dat hij met zijn vuist op het zijraam sloeg waar ik doorheen keek. Hier schrok ik weer van omdat hij ons net ook al bedreigd had. [verdachte] is een grote man en ik dacht dat hij de hele ruit in mijn gezicht zou stukslaan. Vervolgens zag ik dat zijn vrouw hem wegtrok bij de auto waardoor wij zo snel als we konden wegreden van het kamp.”
7. Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voor zover relevant het volgende overwogen:

De verdachte ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en ontkent dat hij de ten laste gelegde woorden heeft gezegd. Hierin vindt hij bevestiging in de verklaring van de getuige [betrokkene 3] . De suggestie van de raadsman dat mogelijk sprake is van afstemming tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , wordt niet aannemelijk geacht, hiervoor bevat het dossier geen aanwijzingen, hun verklaringen zijn ook niet identiek. Ik acht de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] betrouwbaar en acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de woorden, zoals ten laste gelegd, heeft gezegd. De vraag is of dit een bedreiging met zware mishandeling oplevert. Het gaat dan om de context waarin de woorden werden geuit, dat wil zeggen: de setting en alle andere relevante feiten en omstandigheden. Niet alleen de aangevers waren onder de indruk, maar ook de vrouw van de verdachte gaf aan hen het advies snel weg te gaan “omdat het anders fout zou gaan.” De verdachte wordt omschreven als een grote man. Hij was ook heel boos. In die context riep hij die woorden en zette hij deze woorden kracht bij door te slaan en te schoppen tegen de auto van de twee medewerkers van de afdeling handhaving. In die context kon bij de aangevers in redelijkheid de vrees ontstaan dat hun tanden uit hun mond zouden worden geslagen. De gevolgen hiervan kunnen zware mishandeling opleveren. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is geen sprake van een bedreiging met een voorwaardelijk karakter en rechtvaardigt, wederom anders dan de raadsman heeft betoogd, de onbeheerste uiting van woede niet de bedreiging die de verdachte heeft geuit. De straf die de advocaat-generaal heeft gevorderd, een geldboete ter hoogte van € 350,00, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis, wordt passend geacht. Zowel het vonnis als de opgelegde strafbeschikking zullen worden vernietigd.

Het middel

8. Volgens de toelichting erop strekt het middel ten betoge dat de door de verdachte geuite bedreiging niet van dien aard is en/of onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de aangevers in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.
9. Het middel valt uiteen in drie deelklachten. Ten eerste had het hof, volgens de stellers van het middel, nader moeten motiveren waarom de door verdachte geuite bewoordingen bij de aangevers in redelijkheid tot de vrees konden leiden dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, gelet op het feit dat de bewezen verklaarde bewoordingen een ‘voorwaardelijk karakter’ hebben en de verdachte ten tijde van het uiten van de bewezen verklaarde woorden ‘heel boos’ was. Ten tweede kan, volgens de stellers van het middel, de tenuitvoerlegging van de geuite bewoordingen worden aangemerkt als irreëel en onvoorstelbaar, waardoor ook de inhoud van die bewoordingen niet zonder nadere motivering kan leiden tot de conclusie dat bij de aangevers de redelijke vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Ten derde wordt geklaagd over de motivering van het oordeel van het hof dat is gedreigd met zware mishandeling, nu gebitsschade niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel en het hof specifieke vaststellingen met betrekking tot noodzaak en aard van medisch ingrijpen achterwege heeft gelaten.

Het beoordelingskader

10. Het eerste lid van artikel 285 Sr luidde ten tijde van het bewezen verklaarde feit als volgt:
“1.
Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
11. Bedreiging betreft een delict dat is opgenomen in de titel XVIII ‘Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’ van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat om de bedreiging met iets dat vrees opwekt, waardoor de persoonlijke rust en het gevoel van veiligheid worden aangetast, hetgeen ertoe leidt dat de persoonlijke vrijheid kan worden belemmerd. [1]
12. Volgens vaste jurisprudentie is voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. [2] De bedreiging moet in het algemeen geschikt zijn om de vrijheid van de aangesprokene te belemmeren. [3] Bepaaldelijk
nietvereist is dat de bedreiging op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er daadwerkelijk vrees door is opgewekt en de aangesprokene zich in zijn vrijheid belemmerd achtte. [4] Het delict bedreiging heeft zo bezien ‘trekken van een abstract gevaarzettingsdelict’: strafbaarheid wordt niet gerealiseerd omdat de persoonlijke vrijheid werkelijk is ingeperkt of belemmerd, maar omdat deze ingeperkt of belemmerd kan worden. [5]
13. Met het vereiste dat de uiting op zichzelf beschouwd geschikt is om de persoonlijke vrijheid te belemmeren hangt samen dat de (bedreigende) uitlating enig realiteitsgehalte moet hebben. [6] Een volstrekt ongeloofwaardige bedreiging is niet strafbaar. Ook in dit licht kunnen de omstandigheden waaronder de uiting zijn gedaan de strafwaardigheid inkleuren. [7] Het realiteitsgehalte moet overigens los worden gezien van de kwestie of het delict waarmee wordt bedreigd ook (daadwerkelijk) ‘nagestreefd’ wordt door de bedreiger. Voor een bewezenverklaring van bedreiging is een (daadwerkelijk) ‘nastreven’ niet vereist. [8]
14. De inhoud van de bedreiging moet altijd een in artikel 285 Sr genoemd misdrijf betreffen, zoals zware mishandeling. Zware mishandeling (artikel 302 Sr) is het aan een ander opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In een overzichtsarrest heeft de Hoge Raad algemene gezichtspunten geformuleerd met betrekking tot de reikwijdte van het begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’:
“2.2. Het Wetboek van Strafrecht bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Art. 82 Sr geeft echter wel tot op zekere hoogte invulling aan dat begrip doordat deze bepaling inhoudt dat onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen: "ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw", alsmede "storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft". Blijkens de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8-10 besproken wetsgeschiedenis strekt art. 82 Sr ertoe buiten twijfel te stellen dat in de in die bepaling genoemde gevallen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, maar is niet beoogd in art. 82 Sr een limitatieve opsomming te geven.
2.3.
In lijn met de wetsgeschiedenis is in de rechtspraak van de Hoge Raad vooropgesteld dat art. 82 Sr de rechter de vrijheid laat om ook buiten de hiervoor onder 2.2 aangeduide gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Gelet op de uiteenlopende vormen waarin lichamelijk letsel zich kan voordoen, kan bezwaarlijk precies worden aangegeven wanneer dat letsel als zwaar lichamelijk letsel geldt.
2.4.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. (Vgl. onder meer HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510.) De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit (vgl. HR 15 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5618).
De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen hetgeen algemene ervaringsregels omtrent die gezichtspunten leren.
2.5.
Wat de aard van het letsel betreft, kan uit de onder 2.2 genoemde wetsgeschiedenis worden afgeleid dat, buiten de in art. 82 Sr genoemde gevallen, ook het verlies van het gebruik van een zintuig, verminking en verlamming als zwaar lichamelijk letsel zijn te beschouwen. Van zodanig letsel kan eveneens sprake zijn bij ernstige lichamelijke schade aan de gezondheid, bijvoorbeeld vanwege een inwendige biochemische ontregeling die haar oorsprong vindt in het achterwege laten van het gebruik van voor de gezondheid onontbeerlijke geneesmiddelen of vanwege een besmetting van een persoon met een bacterie of virus, zoals het HIV-virus (vgl. HR 1 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AB7540, NJ 1983/497, respectievelijk HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552).
Psychische gevolgen die niet zonder meer zijn aan te merken als een (ver)storing van de verstandelijke vermogens zoals bedoeld in art. 82, tweede lid, Sr, kunnen echter niet worden aangemerkt als "zwaar lichamelijk letsel" (vgl. met betrekking tot thans art. 248, zevende lid, Sr, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407, NJ 2013/436).
2.6.
Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Ten aanzien van gebitsschade, zoals afgebroken tanden, verdient opmerking dat, nu gebitsschade niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, in beginsel nadere specifieke vaststellingen met betrekking tot in het bijzonder de noodzaak en de aard van het medische (tandheelkundige) ingrijpen, noodzakelijk zijn. Overigens kan, in relatie tot de hier genoemde alsook andersoortige vormen van letsel, relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen.
2.7.
Een ander mogelijk gezichtspunt betreft het uitzicht op herstel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Daarom is bijvoorbeeld de enkele vaststelling dat sprake is van een (al dan niet zware) hersenschudding, niet toereikend voor de kwalificatie "zwaar lichamelijk letsel"; daarvoor zijn nadere vaststellingen noodzakelijk (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:89).
In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.
2.8.
De beantwoording van de vraag of letsel als "zwaar lichamelijk letsel" moet worden aangemerkt, is buiten de hiervoor onder 2.2 aangeduide gevallen in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Indien echter uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie. [9]
15. In een arrest uit 2006 heeft de Hoge Raad geoordeeld over een, ten opzichte van het onderhavige geval, soortgelijke situatie. In cassatie werd aangevoerd dat het hof niet had mogen oordelen dat verzoeker zich aan bedreiging met zware mishandeling had schuldig gemaakt, aangezien die bedreiging volgens de bewezenverklaring had bestaan uit de dreigende mededeling “
Ik wil jou de tanden uit je bek slaan”, terwijl naar gewoon spraakgebruik het gewelddadig verlies van tanden geen zwaar lichamelijk letsel vormt. Volgens de Hoge Raad kon het middel niet tot cassatie leiden. Voormalig ambtgenoot Wortel concludeerde voorafgaand aan dat arrest tot verwerping:

4. Het is van algemene bekendheid dat een vernield gebit niet zomaar herstelt – zo men daarbij al niet eerder van onherstelbare verminking zou moeten spreken. In ieder geval zullen gecompliceerde, langdurige (en kostbare) medische ingrepen noodzakelijk zijn.
5. Het in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel dat bedoelde bedreiging betrekking heeft op zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in art. 82 Sr getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
6. Het middel faalt en leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van beroep. [10]
16. Of met een in artikel 285 Sr genoemd misdrijf, zoals zware mishandeling, is gedreigd, hangt niet altijd uitsluitend af van de gebezigde woorden of de gepleegde handeling . [11] De inhoud of de aard van de uitlating zelf speelt een rol, maar daarnaast is eveneens ruimte voor een contextuele benadering. Ook de omstandigheden waaronder de uiting is gedaan en de hoedanigheid van degene voor wie de bedreiging is bedoeld kunnen bijvoorbeeld bepalend zijn bij de beoordeling van het strafbare karakter van de uiting. De omstandigheid dat de verdachte op het moment van uiten van bedreigingen kwaad was en zich door deze emotie wellicht heeft laten meeslepen, staat aan het aannemen van een redelijke vrees niet in de weg. [12] Slechts als in de gegeven omstandigheden de gebezigde woorden moeten worden opgevat als een onbeheerste uiting van woede of frustratie, waardoor de bedreiging niet (meer) van dien aard is dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd, kunnen dergelijke woorden (c.q. de tenuitvoerlegging ervan) als ongeloofwaardig en daarmee als niet-strafbaar worden beschouwd. [13]
17. Aangezien het oordeel of de vrees in redelijkheid kon ontstaan kan afhangen van verschillende omstandigheden en (daardoor) noodzakelijkerwijs verweven is met waarderingen van feitelijke aard, kan een dergelijk oordeel in cassatie slechts marginaal worden getoetst.

De beoordeling van het middel

18. De eerste twee deelklachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De eerste deelklacht komt er – zo begrijp ik – op neer dat het hof nader had moeten motiveren waarom de door verdachte geuite bewoordingen bij de aangevers in redelijkheid tot de vrees konden leiden dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, gelet op het feit dat de bewezen verklaarde woorden een ‘voorwaardelijk karakter’ hebben en de verdachte ten tijde van het uiten van de bewezenverklaarde woorden ‘heel boos’ was. Ten tweede hebben de stellers van het middel geklaagd dat de tenuitvoerlegging van de geuite bewoordingen kunnen worden aangemerkt als irreëel en onvoorstelbaar, waardoor ook de inhoud van die bewoordingen niet zonder nadere motivering kan leiden tot de conclusie dat bij de aangevers de redelijke vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.
19. Het hof heeft geoordeeld dat de uitlating van de verdachte een bedreiging met zware mishandeling oplevert. Bij de beoordeling heeft het hof de
uiting, alsmede de
contextwaarin de uiting is gedaan (“
de setting en alle andere relevante feiten en omstandigheden”) in aanmerking genomen. Daartoe heeft het hof overwogen (ik herhaal): “
Niet alleen de aangevers waren onder de indruk, maar ook de vrouw van de verdachte gaf aan hen het advies snel weg te gaan “omdat het anders fout zou gaan.” De verdachte wordt omschreven als een grote man. Hij was ook heel boos. In die context riep hij die woorden en zette hij deze woorden kracht bij door te slaan en te schoppen tegen de auto van de twee medewerkers van de afdeling handhaving. In die context kon bij de aangevers in redelijkheid de vrees ontstaan dat hun tanden uit hun mond zouden worden geslagen. De gevolgen hiervan kunnen zware mishandeling opleveren. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is geen sprake van een bedreiging met een voorwaardelijk karakter en rechtvaardigt, wederom anders dan de raadsman heeft betoogd, de onbeheerste uiting van woede niet de bedreiging die de verdachte heeft geuit.
20. Hieruit volgt dat het hof de kern van het verweer heeft besproken en de motivering van de verwerping heeft toegesneden op de specifieke inhoud van het verweer. In de overweging van het hof ligt immers besloten dat uit de context kan worden opgemaakt dat de uiting niet een ‘voorwaardelijk karakter’ had. Voor zover het gebruik van termen als ‘anders’, ‘indien’ of ‘als … dan’ al aan een veroordeling wegens bedreiging in de weg kan staan, [14] heeft het hof in het onderhavige geval uit het geheel van feiten en omstandigheden kunnen destilleren dat bij de betrokkenen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. De bedreiging – de geuite woorden bezien in de context van boosheid van en het slaan en schoppen door de verdachte (terwijl, zo begrijp ik uit de bewijsmiddelen, betrokkenen al weggingen) – ontbeert de door de verdediging aangevoerde voorwaardelijkheid. In de overweging van het hof ligt eveneens besloten dat de tenuitvoerlegging van de bewoordingen, het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, enig realiteitsgehalte heeft en niet volstrekt irreëel en onvoorstelbaar is. Het oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk.
21. De eerste twee deelklachten falen.
22. De derde deelklacht ziet op de motivering van het oordeel van het hof dat is gedreigd met zware mishandeling. Volgens de stellers van het middel kan gebitsschade niet zonder meer worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel en heeft het hof in dat licht nagelaten specifieke vaststellingen te doen met betrekking tot noodzaak en aard van medisch ingrijpen.
23. Met de stellers van het middel ben ik het eens dat gebitsschade niet zonder meer als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Dat hoeft echter niet tot het oordeel te leiden dat de bewezenverklaring in het onderhavige geval getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. Het oordeel van het hof dat dreigen met het slaan van
alletanden uit iemands mond, mede in aanmerking genomen de feiten en omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden, in redelijkheid de vrees opwekt dat betrokkenen zwaar lichamelijk letsel kunnen bekomen, is niet onbegrijpelijk. Het behoeft geen betoog dat het slaan van alle tanden uit iemands mond niet op een lijn kan worden gesteld met gebitsschade die bestaat uit het eruit slaan van (slechts) enkele tanden. De bedreiging in het onderhavige geval toont dan ook veel gelijkenis met het onder randnummer 15 aangehaalde arrest, waarin de veroordeling wegens bedreiging met zwaar lichamelijk letsel in stand bleef. [15]
24. Met betrekking tot de bewijsmotivering zij nog het volgende opgemerkt. Vooropgesteld dient te worden dat de beantwoording van de vraag of letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Uit het overwogene in het onder randnummer 14 aangehaalde overzichtsarrest (waarin gezichtspunten zijn geformuleerd met betrekking tot de reikwijdte van het begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’) kan weliswaar worden afgeleid dat ten aanzien van gebitsschade in beginsel nadere specifieke vaststellingen met betrekking tot in het bijzonder de noodzaak en de aard van het medische (tandheelkundige) ingrijpen, noodzakelijk zijn (rov. 2.6), maar het komt mij voor dat in het onderhavige geval betekenis toekomst aan hetgeen ook in het overzichtsarrest is overwogen (in rov. 2.4), namelijk dat in evidente gevallen bij de vaststelling ook in aanmerking kan worden genomen hetgeen algemene ervaringsregels omtrent de gezichtspunten leren. [16] In het verlengde daarvan meen ik dat een motivering omtrent noodzaak en aard van medisch ingrijpen (met name) van belang is bij (daadwerkelijk) toegebracht letsel [17] en van zeer beperkte waarde is in het geval er is
gedreigd metzwaar lichamelijk letsel [18] c.q. woorden als
“Rot op anders sla ik al je tanden uit je kanker bek” en “Nu opkankeren van het kamp anders sla ik al jullie tanden eruit”zijn gebezigd. In dat kader heeft het hof ten aanzien van het bewezen verklaarde niet onbegrijpelijk kunnen volstaan met het overwegen dat de gevolgen van het handelen van de verdachte zware mishandeling “
kúnnen (…) opleveren” (accentuering door het hof). [19] Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd.
25. De derde deelklacht deelt het lot van de eerste twee deelklachten.

Slotsom

26. Het middel faalt en kan mijns inziens met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.A.J. Machielse, in:
2.Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659,
3.A.J. Nieuwenhuis & A.L.J. Janssens,
4.Immers: het gaat om een
5.Vgl. A.J. Machielse, in:
6.Vgl. W.J.M. de Haan & J.A. Nijboer, ‘Toename van bedreiging met geweld? Aard en achtergronden van de stijging in aangiftes ter zake van artikel 285 Sr’,
7.Vgl. A.J. Nieuwenhuis & A.L.J. Janssens,
8.A.J. Nieuwenhuis & A.L.J. Janssens,
9.HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051,
10.Conclusie AG Wortel vóór HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0396.
11.Een opmerking als ‘Ik ga je pakken’ zonder nadere context kan immers een (niet strafbare) bedreiging met eenvoudige mishandeling opleveren, alsmede een (wel strafbare) bedreiging met verkrachting.
12.A.J. Machielse, in:
13.Vgl. HR 29 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191; Hof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4038.
14.In Hof 18 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:5008, is de verdachte onder meer veroordeeld voor het bezigen van de woorden “
15.Zie ook Hof 18 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:5008, waarin de verdachte onder meer is veroordeeld voor het bezigen van de woorden “
16.Zie hieromtrent ook de noot van Wolswijk onder het overzichtsarrest, HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051,
17.Vgl. HR 26 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1851, ter zake van een zware mishandeling (art. 302 Sr).
18.Vgl. HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0396, ter zake van een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel (art. 285 Sr).
19.Vgl. hetgeen hiervoor onder randnummer 12 is weergegeven, alsmede HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659,