Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.
Op grond van artikel 1:253a BW dient de rechter in een geschil als in deze zaak aan de orde is, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder met het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen.
Het hof heeft op grond van voormeld artikel de mogelijkheid om de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, te verbieden op grote afstand van de andere ouder te gaan wonen, dan wel eerstgenoemde ouder te gelasten om terug te verhuizen, of zich te vestigen op zodanige afstand van de andere ouder dat omgang tussen het kind en die ouder kan plaatsvinden.
Vast staat dat de moeder in april 2019 met [het kind] vanuit haar woning in [plaats] naar een voor de vader onbekende woonplaats in het buitenland is verhuisd. Hoewel de moeder ten tijde van haar verhuizing alleen met het gezag over [het kind] was belast en dus in beginsel vrij was in de keuze van de woonplaats van haar en haar dochter, moest zij wel rekening houden met de belangen van [het kind] en het recht van [het kind] en de vader om omgang met elkaar te hebben. Ook was de moeder op grond van de wet verplicht om de ontwikkeling van de banden van [het kind] met de vader te bevorderen. Verder was de moeder als met het gezag belaste ouder wettelijk verplicht om de vader op de hoogte te stellen van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [het kind] en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen.
Het hof is van oordeel dat de moeder de hiervoor genoemde op haar rustende wettelijke verplichtingen schromelijk heeft veronachtzaamd door zonder enig bericht met [het kind] te vertrekken naar een onbekende verblijfplaats in het buitenland, waardoor het contact tussen de vader en [het kind] onmogelijk werd. De vader heeft [het kind] in maart 2019 voor het laatst gezien. Dit geldt des te meer, omdat de moeder hiermee in strijd handelde met de door een rechter vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [het kind] en op het moment van vertrek van de moeder reeds een verzoek van de vader om hen gezamenlijk met het gezag over [het kind] te belasten bij de rechtbank was ingediend.
Deze omstandigheden brengen echter niet zonder meer mee dat het verzoek van de vader om de moeder te gelasten terug te verhuizen naar [plaats] voor toewijzing gereed ligt. Zoals hiervoor overwogen heeft het hof bij de beoordeling van dit verzoek de belangen van de betrokken partijen afgewogen, met inachtneming van de omstandigheden van het geval.
Daarbij is het volgende in overweging genomen.
De moeder en [het kind] wonen inmiddels in Israël.
Naar het oordeel van het hof heeft de vader een zwaarwegend belang bij een situatie waarin hij onbelemmerd in de nabije omgeving van waar hij woont fysiek contact kan hebben met [het kind]. Daartegenover staat dat de moeder haar belang om buiten (de omgeving van) [plaats] te gaan wonen niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd.
De moeder heeft haar stelling dat ze bang is voor de vader omdat hij zich tijdens de relatie verbaal en fysiek agressief ten opzichte van haar heeft gedragen, tegenover de betwisting van die stelling door de vader onvoldoende onderbouwd. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de moeder en [het kind] niet veilig zijn in (de omgeving van) [plaats] . Namens de moeder zijn voor het overige geen belemmeringen aangevoerd die het voor haar onmogelijk of moeilijk maken om weer met [het kind] in (de omgeving van) [plaats] te gaan wonen.
[Het kind] heeft belang bij rust en duidelijkheid. De moeder heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een door de rechter opgelegde verhuizing terug naar (de omgeving van) [plaats] zodanige onrust en onduidelijkheid bij [het kind] te weeg zal brengen dat een dergelijke verhuizing onverantwoord en niet in het belang van [het kind] is. Daarbij realiseert het hof zich dat opnieuw een verhuizing vanzelfsprekend enige onrust bij [het kind] teweeg zal brengen.
Het hof houdt het er voor op grond van algemene ervaringsregels dat [het kind] gezien haar leeftijd, bijna 4 jaar, nog niet echt is geworteld in Israël en nog gemakkelijk in (de omgeving van) [plaats] kan aarden. Het feit dat [het kind], zoals de moeder aanbiedt te bewijzen, reeds 3,5 jaar in Israël zou wonen doet daar niet aan af. Aan dat bewijsaanbod komt het hof dus niet toe. Voor het overige heeft de moeder geen concrete feiten en omstandigheden gesteld om het belang van [het kind] om in Israël te blijven wonen te onderbouwen.
Het aanbod van de moeder in de procedure na verwijzing dat zij de vader in staat stelt om met [het kind] in Israël begeleid contact te hebben en digitale contacten op te starten tussen de vader en [het kind] is volstrekt onvoldoende om de vader tegemoet te komen in zijn zwaarwegende belang bij een situatie waarin hij onbelemmerd in de nabije omgeving van waar hij woont fysiek contact kan hebben met [het kind]. Het met de verhuizing naar Israël gepaard gaande verlies aan contact tussen de vader en [het kind] wordt op deze wijze op geen enkele wijze gecompenseerd.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van de vader in deze zaak het zwaarst weegt. Dit leidt tot de conclusie dat de moeder wordt bevolen met [het kind] terug te verhuizen naar [plaats] .
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat het handelen van de moeder aanleiding geeft voor het verbinden van een dwangsom aan de verplichting om terug te verhuizen. Wel zal het hof de moeder een nieuwe termijn geven waarbinnen zij kan terugverhuizen zonder een dwangsom te verbeuren. De door de rechtbank gegeven termijn is inmiddels verstreken. Het hof zal bepalen dat de moeder met ingang van 15 december 2022 een dwangsom verbeurt van € 500,- voor elke dag dat zij vanaf 15 december 2022 en na betekening van deze beschikking niet voldoet aan de veroordeling om met [het kind] terug te verhuizen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
waaromde inbreuk (beperking) niet gerechtvaardigd is. Eerst dan zou voldoende zijn gesteld om een beroep op art. 2 Vierde Pro Protocol bij het EVRM te kunnen doen en zou de vader hebben geweten waartegen hij zich heeft te verweren. [6] Zo heeft de moeder onder meer niet gesteld dat de beperking niet bij wet is voorzien en dat de beperking niet in een democratische samenleving noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten en vrijheden van de vader (of het kind). Het partijdebat heeft zich hierop dan ook niet toegespitst in hoger beroep (noch bij het hof Arnhem-Leeuwarden, noch bij het verwijzingshof). Het hof is niet gehouden om in te gaan op onvoldoende onderbouwde stellingen [7] , zodat het niet onbegrijpelijk is dat het hof hieraan verder geen aandacht heeft besteed. De klacht faalt daarom. Ten overvloede merk ik nog op dat indien het gegeven bevel zou worden beschouwd als een beperking van de vrijheid van verplaatsing, deze beperking wel degelijk steun vindt in de wet, te weten in art. 1:253a BW, en door het hof in een democratische samenleving noodzakelijk kon worden geacht ter bescherming van de rechten van anderen, te weten met name het recht van de vader op omgang met zijn kind. Het hof heeft in ieder geval in rov. 5.4 een belangenafweging gemaakt. [8]
waaromde vader in dat geval geen belang zou kunnen hebben bij een dergelijk bevel (en waarom het oordeel van het hof dus onbegrijpelijk zou zijn), zodat de klacht reeds daarom faalt. Voorts heeft de moeder, zoals weergegeven in rov. 5.1, aangevoerd dat de vader geen belang meer zou hebben bij zijn verzoek om een bevel tot terugverhuizen wanneer hij met het eenhoofdig gezag over het kind wordt belast. De vader heeft aangevoerd, zo blijkt uit rov. 5.2, dat – ook in het geval dat het hof zou beslissen dat hij belast wordt met het eenhoofdig gezag – hij belang heeft bij een bevel om terug te verhuizen met machtiging aan hem om dit bevel met behulp van de sterke arm ten uitvoer te leggen; voor de autoriteiten in het buitenland moet dit namelijk duidelijk zijn, aldus de vader. Het hof heeft vervolgens in rov. 5.5 overwogen dat het van oordeel is dat ook in het geval de vader eenhoofdig gezag over het kind zou uitoefenen, de vader belang heeft bij een bevel om terug te verhuizen. Daarmee heeft het hof kennelijk de stelling van de moeder verworpen, zodat de klacht ook om die reden faalt. Bovendien volgt uit de beschikking van de Hoge Raad van 15 oktober 2021 dat als ten tijde van de te nemen beslissing over een bevel tot terugverhuizing de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag – wat in dit geval zo is, althans uit de bestreden beschikking volgt niet het tegendeel – art. 1:253a BW ten tijde van een dergelijke beslissing een grondslag biedt voor een bevel tot terugverhuizing. [10] Het hof heeft art. 1:253a BW ook toegepast. Het onderdeel faalt dus.