ECLI:NL:PHR:2012:BW6136
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verhuizing minderjarig kind bij gezamenlijk gezag en omgangsregeling
De zaak betreft een geschil tussen ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun minderjarige zoon, waarbij de moeder zonder voorafgaand overleg met de vader is verhuisd naar een andere woonplaats op aanzienlijke afstand. De vader vorderde in kort geding dat de moeder wordt verboden verder dan 70 km van de oorspronkelijke woonplaats te verhuizen met het kind, om het contact tussen vader en zoon te waarborgen.
De voorzieningenrechter en het hof stelden de moeder onder dwangsom verplicht binnen een straal van 70 km te wonen met het kind. De moeder stelde dat dit bevel haar grondrecht op vrije vestiging en gezinsleven schond en dat het bevel een permanente karakter had, wat volgens haar buiten de bevoegdheid van de voorzieningenrechter viel.
De Hoge Raad oordeelt dat het bevel niet buiten de bevoegdheid van de voorzieningenrechter valt, omdat de moeder in een bodemprocedure een andere regeling kan vragen. Het belang van het kind en het recht van de vader op omgang zijn zwaarwegend, en de verhuizing zonder overleg stelt de vader voor een voldongen feit. De rechterlijke maatregel is een voorlopige voorziening die de status quo herstelt. De Hoge Raad benadrukt dat het belang van het kind de primaire overweging is en dat een geografische afstand een hulpmiddel is om de zorg- en opvoedingstaken te verdelen.
De klachten van de moeder worden verworpen, waarbij ook wordt opgemerkt dat de rechter niet verplicht is om alternatieve omgangsvormen zoals telecommunicatie te onderzoeken als deze niet zijn ingebracht. De zaak bevestigt dat gezamenlijke gezagsuitoefening ook inhoudt dat ouders rekening moeten houden met elkaars belangen bij verhuizing van het kind.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het bevel tot terugkeer binnen 70 km wordt bevestigd.