Conclusie
Nummer21/03574
eersteen het
tweedemiddel bevatten klachten over de bewijsvoering van feit 2. Voordat ik deze middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsvoering en enkele passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep alsmede de ter terechtzitting door de raadsman voorgedragen pleitnota weer.
Bewezenverklaring, bewijsvoering en standpunten verdediging
het hof begrijpt hier en hierna telkens: [betrokkene 1]], kan je morgenochtend voor mij ergens stroom afsluiten hier in de buurt?
Algemene overweging
op zichzelf beschouwdniet voldoende redengevend zijn voor het oordeel dat sprake is geweest van hennepteelt.
De middelen
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van een door en namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid. Aangevoerd wordt dat de verdediging in hoger beroep het standpunt heeft ingenomen dat de verdachte een derde werkzaamheden voor de kwekerij heeft (laten) verrichten, dat deze derde toegang had tot de woning en de meterkast waarin de illegale aftakking heeft plaatsgevonden en dat deze derde (daarmee) verantwoordelijk was voor de diefstal van elektriciteit met verbreking. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat de betrokkenheid van de verdachte – als pleger – bij de onder feit 2 bewezenverklaarde diefstal van elektriciteit met verbreking niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt, althans dat deze bewezenverklaring niet zonder meer begrijpelijk is. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
derdemiddel, dat bij aanvullende schriftuur is voorgesteld, bevat de klacht dat de advocaat-generaal bij het hof, die in de onderhavige zaak bevoegdheden heeft uitgeoefend die bij wet aan de advocaat-generaal zijn toegekend, niet juist was beëdigd. Uit de toelichting op het middel kan worden afgeleid dat het zou gaan om dezelfde onvolkomenheden bij de beëdiging als die aan de orde waren in het arrest dat Uw Raad op 21 oktober 2022 naar aanleiding van een vordering tot cassatie in het belang der wet van P-G Bleichrodt heeft gewezen. [16]