Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
3 maart 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van diefstal van elektriciteit in een pand te Zevenhuizen in de periode november 2007 tot april 2008. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder processen-verbaal van politieonderzoek, verklaringen van betrokkenen en rapporten van fraudespecialisten van energiebedrijven.
De verdediging voerde aan dat er geen bewijs was dat de verdachte wist van de diefstal of daarbij betrokken was, aangezien hij geen elektriciteitsrekening betaalde en er geen directe aanwijzingen waren voor medeplegen. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring dat de verdachte samen met anderen elektriciteit had weggenomen niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het betreft de bewezenverklaring en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 3 maart 2015.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het onderdeel medeplegen diefstal elektriciteit en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.