Uitspraak
zetelende te Arnhem,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
4 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de gemeente Arnhem en een inwoner over een strook grond van ongeveer 70 m2 die grenst aan het perceel van de inwoner. De gemeente vorderde ontruiming van deze strook, terwijl de inwoner stelde dat hij eigenaar was geworden door verkrijgende verjaring.
De rechtbank wees de vordering van de gemeente af en kende het eigendom toe aan de inwoner, wat het gerechtshof bekrachtigde. De Hoge Raad overwoog dat het bezit van de strook door de inwoner pas vanaf de overdracht van het perceel in 1994 ondubbelzinnig was. De verjaringstermijn van twintig jaar voor de extinctieve verjaring begon te lopen vanaf dat moment, maar de onrechtmatige toestand waarvan het bezit voortkomt, bestond al langer, namelijk sinds 1982 toen de inwoner erfpachter werd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de gemeente en bevestigde dat de vordering tot ontruiming verjaard is. Het interversieverbod was niet van toepassing omdat de inwoner geen houder was van de strook vóór 1994. De gemeente werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de gemeente en bevestigt dat de vordering tot ontruiming verjaard is.