De zaak betreft een geschil tussen erfgenamen van een voormalige eigenaar en het Land Sint Maarten over de eigendom van een perceel grond en een houten huis daarop, gelegen in Philipsburg, Sint Maarten. De rechtsvoorgangster van de verzoekers kocht in 1942 een houten huis met bijbehorende rechten, maar het hof oordeelde dat de eigendom van de grond niet was overgedragen en dat het perceel als overheidsgrond geldt.
De verzoekers stelden primair dat zij door levering eigenaar waren geworden van het gehele perceel en subsidiair dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar waren geworden van perceel 149/1999. Het hof wees alle vorderingen af. De Hoge Raad stelde vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door te concluderen dat het perceel automatisch overheidsgrond was omdat de eigenaar onbekend was, zonder dat het Land Sint Maarten de eigendom had bewezen.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof onvoldoende was ingegaan op de uitleg van de notariële akte uit 1942, die mogelijk wel tot overdracht van eigendom strekte. Ook was het oordeel van het hof over het ontbreken van bezit voor verkrijgende verjaring onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.
Tot slot veroordeelde de Hoge Raad het Land Sint Maarten in de kosten van het cassatieproces.