Conclusie
1.Aanduiding procespartijen, korte inhoud zaak en samenvatting cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
Amendment no. 1 to Heal-X Consortium Agreement”:
Amendment no. 2 to Heal-X Consortium Agreement”. Deze wijziging hield (onder meer) in dat Secmatix zich uit het consortium zou terugtrekken en dat Wound-ex in haar plaats tot het consortium zou toetreden.
Graag je bevestiging dat jij alle bovengenoemde zaken en verder alle materialen gerelateerd aan het project (aanwezig bij Chiralix, RU, RUMC en/of andere Partijen) onverwijld aan Wound-ex zal overdragen. Dat betreft dus onder andere PIC intermediates, monomeren (in verschillende varianten), polymeren, etc. M.b.t. polymeren die je zelf nodig hebt voor je onderzoek kunnen we bij voorkeur middels een MTA (conform het consortium agreement) de formele levering door Wound-ex en de daarbij behorende condities en de acceptatie daarvan door jouw groep regelen. Dat is voor ons beiden makkelijker en voorkomt onnodig gesleep met materiaal tussen partijen. Mocht dat om wat voor reden dat niet mogelijk zijn, gaat het ook dit materiaal in de algemene overdracht naar Wound-ex mee, zoals beschreven in de eerste zin van deze paragraaf. Wij streven ernaar om deze overdracht uiterlijk eind Juli plaats te laten vinden.”
[betrokkene 3] geeft aan dat hij daarom niet voor of tegen punten te stemmen maar dat hij ten aanzien van deze bijeenkomst en punten die besproken worden formeel alle rechten moet voorbehouden. (...)
Op 18 september 2019 heeft, opnieuw na verdere aktewisseling, een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan eveneens proces-verbaal is opgemaakt.
(i) het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2019 vernietigt;
(ii) voor recht verklaart dat SRU, door het (doen) beëindigen van het Heal-X project, door het (doen) opheffen van het Heal-X consortium, door het (doen) financieel afwikkelen van het Heal-X project, door het niet afgeven van de materialen en de onderzoeksresultaten, door het niet maximaal ondersteunen van Wound-ex en/of door het weigeren te verklaren dat de materialen (waar het conservatoire beslag op was gelegd) beschikbaar blijven voor Wound-ex, toerekenbaar tekort is geschoten jegens Wound-ex, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens Wound-ex, althans heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid, en daardoor aansprakelijk is voor de schade die Wound-ex als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden;
(iii) deze procedure naar de schadestaat procedure verwijst voor het vaststellen van de door Wound-ex geleden schade; en
(iv) SRU veroordeelt in de volledige proceskosten van Crownvest/Wound-ex in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente. [6]
Tegen SRU is verstek verleend.
Crownvest heeft afgezien van een schriftelijke toelichting.
3.Ontvankelijkheid
onderdeel 2waarin de ontvankelijkheid in cassatie aan de orde wordt gesteld.
Volgens het onderdeel is in rov. 4.1 van het bestreden arrest sprake van een beslissing over de toepassing van art. 130 lid 3 Rv Pro, waarvoor – anders dan voor het eerste lid van art. 130 Rv Pro – het rechtsmiddelenverbod van art. 130 lid 2 Rv Pro niet geldt. Voor zover art. 130 lid 2 Rv Pro wel van toepassing zou zijn, beroept Crownvest zich op de doorbrekingsjurisprudentie van de Hoge Raad. [8]
Verzuim betekening eiswijziging
Op grond van artikel 130 lid 3 Rv Pro is de wijziging van eis bij gebreke van een tijdige betekening dus uitgesloten. Het hof zal uitgaan van de vorderingen zoals door de rechtbank beoordeeld in het vonnis van 18 december 2019(curs. A-G).”
[…] / […]daartoe de volgende typering van de beslissing op grond van het tweede lid van art. 130 Rv Pro gegeven: het gaat om een marginale toetsing omdat de rolrechter — desgevraagd — enkel toetst of de voorgenomen wijziging van eis de verdediging onredelijk bemoeilijkt of het geding onredelijk vertraagt, en verder is de beslissing niet definitief: zij ontneemt eiser in de regel geen rechten. [14]
4.Behandeling van het cassatieberoep
Deze hoofdklacht wordt vervolgens uitgewerkt in een aantal klachten (hierna aangeduid als subonderdelen).
subonderdeel 1.2 [20] wordt tot uitgangspunt genomen dat, ook al zou de betekening niet tijdig hebben plaatsgevonden, dit niet (direct) meebrengt dat sprake is van strijd met de goede procesorde en/of dat de wijziging van eis is uitgesloten. Volgens het subonderdeel rechtvaardigen de goede procesorde of de voortvarende procesvoering en de regeling uit art. 130 lid 3 Rv Pro niet dat aan een verzuim als het onderhavige, dat een gevolg was van een kennelijke vergissing van de advocaat, [21] direct het verstrekkende gevolg wordt verbonden van weigering van de eiswijziging zonder dat de mogelijkheid wordt geboden om het verzuim te herstellen.
Volgens het subonderdeel klemt dit temeer omdat het hof de oorspronkelijke vorderingen heeft afgewezen op de grond dat Crownvest in de memorie van grieven heeft gesteld dat zij daarbij geen belang meer heeft. Het niet toelaten van betekening van de eiswijziging heeft dus tot gevolg dat niet of nauwelijks meer aan een inhoudelijke beoordeling wordt toegekomen. Daardoor is het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot de rechter in het geding, althans wordt dat recht op ontoelaatbare wijze beperkt. Het afwijzen van het verzoek van Crownvest, terwijl herstel nog mogelijk is, staat niet in redelijke verhouding tot het verzuim. Het hof had daarom gelegenheid voor herstel moeten bieden, aldus het subonderdeel. [22]
subonderdeel 1.4 [24] ook de rechtseenheid in het geding, omdat andere gerechtshoven in dit soort gevallen nog wel de gelegenheid bieden tot herstel.
Voor bescherming van een niet verschenen verweerder is dus geen plaats indien en voor zover de wijziging voldoende duidelijk blijkt uit de appeldagvaarding. Een in het appelexploot niet aangekondigde eiswijziging is in geval van verstek later niet meer toelaatbaar, tenzij deze alsnog aan de verweerder bij afzonderlijk exploot wordt betekend. [28]
Par. 4 van de memorie van grieven luidt vervolgens:
Wijziging eis
Beide elementen van art. 130 lid 3 Rv Pro zijn bij de introductie ervan in 2002 niet nader toegelicht. Ook in de literatuur wordt er nauwelijks aandacht aan besteed, en wordt veelal volstaan met de enkele vermelding van de inhoud van art. 130 lid 3 Rv Pro.
Alleen Van den Steenhoven vermeldt dat met tijdig kenbaar maken bij exploot wordt gedoeld op het betekenen met inachtneming van de termijnen van art. 114-117 Rv. [30]
De voor dagvaarding voorgeschreven termijnen zijn opgenomen in art. 114-117 Rv.
tenzij de eiserde verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. Het attent zijn op dit voorschrift kan wellicht worden bevorderd indien de voorgenomen eiswijziging ook in de aanhef van het processtuk wordt opgenomen, zoals artikel 2.14 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven ook bepaalt.
moetgeven om de eiswijziging naderhand bij exploot aan de niet verschenen verweerder te betekenen. Dit kan ook niet worden afgeleid uit een toepassing naar analogie van de regels uit art. 120-121 Rv. Deze wetsartikelen zien immers op het herstellen van een gebrek in een exploot, en niet op de situatie waarin het exploot niet (tijdig) is uitgebracht. [31] Bovendien dient de rechter op grond van art. 20 Rv Pro tevens te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure.
Het hof stelde geïntimeerde eigener beweging in de gelegenheid om de vermeerdering van eis aan appellant te laten betekenen en overwoog daartoe als volgt:
De rechter dient hierbij m.i. dezelfde maatstaf te hanteren als die in art. 130 lid 1 Rv Pro wordt genoemd, te weten de goede procesorde. Die maatstaf is ook van toepassing bij de afwijzing van een verzoek van de eiser.
De kosten van de procedure voor de rechtbank
Voor wat betreft de vorderingen tot afgifte geldt dat Crownvest haar gebrek aan belang bij toewijzing daarvan in haar memorie van grieven onder andere heeft gebaseerd op de omstandigheid dat het Project sinds 2018 niet meer loopt. Gelet op de datum van het vonnis (18 december 2019) lag het op de weg van Crownvest om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waarom zij ten tijde van het vonnis nog wel belang bij afgifte van de materialen had.
Een en ander brengt mee dat de rechtbank Wound-ex terecht in de kosten van de procedure heeft veroordeeld.”
Subonderdeel 3.1 [42] klaagt dat het oordeel van het hof dat Crownvest bij de beoordeling van haar in rov. 4.2 genoemde vorderingen geen belang heeft, onbegrijpelijk is omdat het hof in rov. 4.5 vervolgens wel inhoudelijk ingaat op het oordeel over de eigendom van de materialen, maar niet op de vorderingen tot afgifte van materialen en verklaringen voor recht vanwege het gebrek aan belang. Crownvest had belang bij inhoudelijke beoordeling van al haar oorspronkelijke vorderingen, al was het maar vanwege de proceskostenveroordeling, aldus het subonderdeel. [43]
subonderdeel 3.2 [44] is het oordeel van het hof, dat het op de weg van Crownvest lag om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waarom zij ten tijde van het vonnis nog wel belang had bij afgifte van de materialen, bovendien onjuist of onbegrijpelijk, nu Crownvest in eerste aanleg gemotiveerd heeft gesteld dat en waarom zij ten tijde van het vonnis nog steeds een belang heeft, althans dat het project ten tijde van het vonnis niet was gestopt. Het hof is, aldus het subonderdeel, ongemotiveerd aan deze stelling voorbijgegaan. Daarnaast had het hof zich in het kader van de beoordeling van de proceskostenveroordeling moeten beperken tot hetgeen bij de rechtbank is aangevoerd door partijen, en niet door hetgeen in hoger beroep is gesteld of gesteld had kunnen worden.
subonderdeel 3.3 [45] daarnaast, zakelijk weergegeven, dat het oordeel van het hof dat Crownvest geen of onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waarom zij ten tijde van het vonnis nog wel belang bij afgifte had, onbegrijpelijk is in het licht van de volgende stellingen die Crownvest in hoger beroep heeft aangevoerd:
[…] /PTTvan 3 september 1993 [51] . Laatstgenoemde zaak had betrekking op een kort geding procedure waarin hangende het hoger beroep aan het gevorderde was voldaan. De Hoge Raad overwoog het volgende:
NJ1967, 243 en HR 19 okt. 1979,
NJ1980, 125). Mede in aanmerking genomen dat het hoger beroep ook ertoe dient in eerste aanleg begane verzuimen te herstellen, zou hiermee niet stroken dat het aan partijen niet zou vrijstaan andere argumenten, feiten of gezichtspunten naar voren te brengen dan in eerste aanleg zijn aangevoerd. Dit is niet anders, indien ten tijde van de beslissing van de appelrechter de appellant bij zijn beroep nog enkel belang heeft in verband met de kostenveroordeling in eerste aanleg.”
Astellas/Synthon [53] uit 2016 (met betrekking tot een kort geding procedure waarin in hoger beroep werd geoordeeld dat geen spoedeisend belang bij de hoofdvordering meer bestond) de beoordelingsmaatstaf voor de proceskostenveroordeling in eerste aanleg als volgt verwoord:
NJ1993/714).”
[…] /PTTen tevens naar het arrest
Astellas/Synthon –de maatstaf voor de beslissing over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling als volgt:
NJ1993/714 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666,
NJ2016/211.)”
Astellas/Synthon, maar dan zonder de tussen haakjes geplaatste zinssnede (“afgezien van (…) te vervallen”). [55]
Astellas/Synthontoegepast. Het hof heeft immers beoordeeld of het in eerste aanleg gevorderde terecht is afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordeed ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Dit heeft het hof ook gedaan voor de vorderingen tot afgifte. De rechtbank had deze vorderingen immers afgewezen omdat het Heal-X project reeds was beëindigd, en er daarom vanaf 18 december 2018 in ieder geen geval geen verplichting tot afgifte aan Wound-ex meer bestond. Daarmee heeft de rechtbank het standpunt van Wound-ex in eerste aanleg, dat het Heal-X project niet is beëindigd, verworpen. In hoger beroep heeft ook Crownvest zich op het standpunt gesteld dat het Heal-X project sinds 2018 niet meer loopt. Ik lees het oordeel van het hof in rov. 4.5 zo dat het hof daaruit afleidt dat de rechtbank de vorderingen tot afgifte dus terecht heeft afgewezen. Het hof mocht het partijdebat in hoger beroep meenemen bij de beoordeling of het in eerste aanleg gevorderde terecht is afgewezen. Het hof is derhalve niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.