ECLI:NL:PHR:2023:1106

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
22/02949
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.B OpiumwetArt. 3.C OpiumwetArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen hennepteelt ondanks ontbreken directe uitvoeringshandelingen

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het opzettelijk telen van hennep in een pand aan de [a-straat 1] te Deventer. De veroordeling rustte op een omvangrijke bewijslast, waaronder gesprekken over huurbetalingen, betrokkenheid bij de huur en het beheer van het pand, en een DNA-spoor op een papieren bekertje in het pand.

De verdediging voerde aan dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was en dat de verdachte niet direct betrokken was bij de teelt. De Hoge Raad overwoog dat medeplegen niet vereist dat de verdachte lijfelijk aanwezig was of uitvoeringshandelingen verrichtte, maar dat sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het delict. De bewezenverklaring was voldoende gemotiveerd, mede gelet op de rol van de verdachte als onmisbare schakel en de samenhangende bewijsstukken.

De Hoge Raad bevestigde dat het ter beschikking stellen van een ruimte of het faciliteren van de kwekerij op zichzelf niet voldoende is voor medeplegen, maar dat in deze zaak de verdachte meer dan dat heeft gedaan. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van hennepteelt blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02949

Zitting5 december 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 22 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken tegen [medeverdachte 1] (22/02856), [medeverdachte 2] (22/02855), [medeverdachte 3] (22/02950), [medeverdachte 4] (22/02962) en [medeverdachte 5] (22/02835). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. In de overige drie samenhangende zaken zijn namens de verdachten geen middelen ingediend en heeft de Hoge Raad reeds uitspraak gedaan. [1]
3. Namens de verdachte heeft D.R. Kops, advocaat te Breukelen (Utrecht), één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van (kort gezegd) medeplegen van hennepteelt niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring – mede in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd – ontoereikend is gemotiveerd.
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 april 2012 tot en met 17 maart 2015 te Deventer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en aanwezig heeft gehad een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en hennepstekken en/of moederplanten, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, te weten
- in een pand aan de [a-straat 1] te Deventer telkens (ongeveer) 3140 hennepplanten en 1950 hennepstekken in de periode van 1 april 2012 tot en met 17 maart 2015.”
6. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op dertig bewijsmiddelen die in de bijlage bij het arrest zijn opgenomen.
7. Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen een groot deel van de overwegingen van de rechtbank overgenomen en deze cursief verwerkt, waarbij het hof aan het begin opmerkt dat ‘de rechtbank’ in die cursieve gedeelten steeds als ‘het hof’ moet worden gelezen. De bewijsoverwegingen van het hof, waarin ook de bewijsverweren van de verdediging worden samengevat en verworpen, luiden – voor zover hier van belang - als volgt:
“Standpunt van de verdediging
[…]
Ten aanzien van de kwekerij aan de [a-straat] in Deventer heeft de verdediging aangevoerd dat het papieren bekertje met daarop DNA van verdachte is aangetroffen in een gang bij een kweekruimte en dus niet in een kweekruimte. Daarnaast gaat het om een verplaatsbaar object. Het DNA-spoor kan om die redenen niet als daderspoor worden beschouwd. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier wellicht kan blijken dat verdachte zijdelings betrokken is geweest, maar dat is onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken. De verdediging heeft daarom ook voor dit feit om vrijspraak verzocht.
Oordeel van het hof
[…]
[a-straat 1] Deventer
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde, voor zover dat betrekking heeft op het medeplegen van hennepteelt in de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] in Deventer, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 17 maart 2015 is in het bedrijfspand aan de [a-straat 1] in Deventer een reeds geoogste hennepkwekerij aangetroffen. In kweekruimte 1 zijn 1585 plantenpotten gevuld met aarde gevonden. Er waren geen hennepplanten aanwezig. Er zijn wel plantenresten van hennepplanten aangetroffen. In kweekruimte 2 zijn 1555 plantenpotten gevuld met aarde gevonden. Hier waren eveneens geen hennepplanten aanwezig, maar zijn wel plantenresten van hennepplanten aangetroffen. In de overige ruimtes zijn onder andere cannacutters en 94 droogrekken aangetroffen. In ruimte D1 (stekkerij) zijn 1950 plantenpotten gevuld met aarde gevonden. Er waren geen hennepplanten aanwezig. De verbalisant heeft in de ruimte wel diverse plantdelen van hennep gezien. De verbalisant heeft op grond van zijn kennis en ervaring geconstateerd dat het ging om hennepplanten. De elektriciteit voor de hennepkwekerij werd illegaal afgenomen.
In de kantoorruimte in het pand is een map met aankoopbewijzen van bouwmarkten aangetroffen. De aankoopbewijzen dateren van april 2012 tot en met juli 2012. Een aantal van de goederen genoemd op de aankoopbewijzen is door de verbalisanten herleid naar de kwekerij. Ook is een visitekaartje aangetroffen met daarop [A] B.V., Naam: [betrokkene 1].
In kweekruimte 1 is een peuk aangetroffen met daarop DNA-sporen die matchen met het DNA-profiel van [betrokkene 2]. De matchkans met een willekeurig ander persoon is kleiner dan één op één miljard.
[betrokkene 3] is werkzaam voor [B] B.V. Dit bedrijf is de eigenaar van het perceel [a-straat 1] in Deventer. [betrokkene 3] heeft verklaard dat het pand wordt gehuurd door [A] B.V. uit Velp. Op 1 mei 2014 is het huurcontract opgesteld, maar de huurder mocht al eerder in het pand. De datum waarop het energiecontract is ingegaan, is de datum waarop de huurder het pand in mocht. [betrokkene 4] heeft als directeur namens [A] B.V. op 2 april 2012 de overeenkomst aansluiting en transport van elektriciteit met Enexis ondertekend. De aansluiting is met ingang van 5 april 2012 ter beschikking gesteld. In september 2012 heeft er een opvallende daling in het energieverbruik plaatsgevonden, durende tot en met maart 2015.
Beoordeling door het hof
Door de verdediging wordt niet betwist en uit het dossier volgt ook dat er aan de [a-straat 1] in Deventer in de periode van 1 april 2012 tot en met 17 maart 2015 hennep is geteeld. De vraag die voorligt, is of verdachte als medepleger van het telen van hennep in dit pand kan worden aangemerkt.
Was er sprake van het medeplegen van hennepteelt?
Medeplegen is slechts bewijsbaar indien sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
In het pand aan de [a-straat 1] in Deventer was een loods met aan de linkerkant een kantoorruimte gevestigd. Langs de rechterkant stonden pallets met onder andere luiers voor de ramen opgesteld. Voor het grootste deel stond de loods leeg. Over de gehele breedte van de loods was een wand geplaatst door middel van groene damwandplaten. In de afgesloten ruimte daarachter stond een heftruck geplaatst precies voor de zaagsneden in een wand. Achter die wand was de koelcel en daarachter is in een afgesloten ruimte de hennepkwekerij aangetroffen.
Uit een op [C] op 2 januari 2014 opgenomen gesprek volgt dat [medeverdachte 2] met [betrokkene 1] heeft gesproken over financiën. [betrokkene 1] heeft financiële steun gevraagd aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt daarop dat hij al vier dagen zit te wachten, “kutzooi is nog steeds niet gelukt/volgroeid.. als dat zo is, dan mats ik je wel”. In dat gesprek wordt verder onder andere de schuld van de vader van [betrokkene 1] ([betrokkene 4]) besproken, waarbij wordt aangegeven dat diens vermogen ook het vermogen van [betrokkene 1] is. Uit het gesprek volgt dat [medeverdachte 2] al eens financiële steun heeft gegeven. [medeverdachte 2] zegt dat als het met hem goed gaat, het ook met [betrokkene 1] goed gaat: “Als ik dan straks.. ntv.. heb, .. ntv.. bepaalde.. ntv.. en dat gaat sowieso binnenkort gebeuren.. ntv.. Dan krijg je het ruim van mij!...”
Op 28 mei 2014 omstreeks 12.43 uur is er op [C] een gesprek opgenomen tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] over de betaling van huur:
“[betrokkene 1]: Laat ik nu ..ntv.. geven, laat ik die 25 nog houden en de ander 25 zal ik deze week..ntv.. brengen.
[medeverdachte 2]: Heb je dit hier geteld?
[betrokkene 1]: Tel het, tel het nog een keer... ntv..
(je hoort het tellen van geldbriefjes)
[betrokkene 1]: Akkoord.. 3400 (tellen van geld)
[betrokkene 1]: Klopt het?
[medeverdachte 2]: Klopt.
[betrokkene 1]: ..ntv.. Maandag zullen we de huur betalen?
[medeverdachte 2]: Laatst ook niet gestort/betaald, sinds twee maanden
[betrokkene 1]: ..ntv..
[medeverdachte 2]: Maar hij geeft het op tijd..
[betrokkene 1]: Nee klopt maar mijn vader heeft nog steeds die dinges niet geregeld. Als nu vader die huur via de bank overmaakt.. dan kan [betrokkene 5] alles zien weet je.. mijn vader zal nu bij de bank het systeem veranderen..
[medeverdachte 2]: Ja.
[betrokkene 1]: Snap je die wachtwoord allemaal, dan kan er niet meer dan 1 inkomen enzo.. daar is hij mee bezig
[medeverdachte 2]: Ja.
[betrokkene 1]: Dit allemaal zal dus vandaag of morgen weet je.. daarom. Nu is het zo dat alleen mijn tante, mijn vader en ik het mogen zien.. Verder mag niemand het zien, maar bij ons bank[rekening] is het zo dat 5, 6 personen erin kunnen, snap je.. en als je het over de huur hebt, we hebben niet de middelen om de huur te betalen.. hoe moet je het doen?
[stilte]
[betrokkene 1]: ..ntv.. is van Essent, dat gaat niet omlaag en ook niet omhoog, 570 lira (lees euro) elke maand..
[medeverdachte 2]: (papier geritsel) ....ntv..
[betrokkene 1]: De een is volgens mij de waterrekening en de andere is de stroom en het andere is het gas rekening.. alles komt apart..
[stilte]
[medeverdachte 2]: .. ntv..
[betrokkene 1]: ..ntv.. ..ntv.. daarom aan jou ..ntv.. en het andere is 900 lira ..ntv.. [stilte].. als jullie zeggen volgende week.. dan heb ik geld.. dan zal het betaald worden, het moet ook betaald worden er is geen andere keus.. Dit kan niet tegen haperingen weet je.. Dat we de 6de maand met een schone lei ingaan
[medeverdachte 2]: ..ntv.. Dit hier is 5 duizend.. de huur aan de man.. ntv.. van je eigen rekening overmaken
[betrokkene 1]: ..ntv..
[medeverdachte 2]: Nee van je eigen bankrekening..
[betrokkene 1]: Ja maar bedoel je van mijn privé rekening?
[medeverdachte 2]: Dan ziet niemand het..
[betrokkene 1]: Wil ik wel doen maar?
[medeverdachte 2]: Dan ziet niemand het!
[betrokkene 1]: Stel dat er shit is!.. Ntv..”
Op dezelfde dag omstreeks 15.56 uur volgt er een gesprek op [C] tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , afkomstig uit [plaats]. [verdachte] vraagt hoeveel maanden huur hij nou heeft betaald, waarop [medeverdachte 2] zegt dat hij het twee keer heeft gegeven en dat hij hem net vijfduizend heeft gegeven. [verdachte] geeft aan dat ‘hij’ (rechtbank: [betrokkene 1]) het nog niet heeft overgemaakt. Hij zou het afgelopen maandag doen. [verdachte] heeft hem hierover gebeld en aangegeven dat ze iets hebben afgesproken en dat ze nu twee maanden achter lopen.
Door de politie zijn de bankmutaties van de ING bankrekening van [A] B.V. opgevraagd. Daaruit volgt dat, na bovengenoemde gesprekken, op 18 juni 2014 € 2.520,83 van de bankrekening van [A] B.V. is overgemaakt aan [B] B.V, de eigenaar van het perceel [a-straat 1] in Deventer.
Het hof leidt uit vorenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien af dat het OVC-gesprek van 28 mei 2014 tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1], dat gaat over het betalen van huur, ziet op de huur van het pand aan de [a-straat 1] in Deventer. Daarnaast is het hof van oordeel dat ook het daaropvolgende gesprek op dezelfde dag van 15.56 uur tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] – anders dan door de raadsman is betoogd – betrekking heeft op de betaling van de huur van hetzelfde pand. In beide op dezelfde dag kort na elkaar gevoerde gesprekken gaat het over “vijfduizend” die [medeverdachte 2] gegeven zou hebben.
Op 5 augustus 2014 is in [C] een gesprek opgenomen tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 1]:
“(...) [medeverdachte 3]: Hee je moet wel wat spullen terugzetten. In ieder geval als de deur open staat.. Het gaat mij er om dat als de deur open staat dat er een rij spullen staan zeg maar.
[betrokkene 1]: Ja
[medeverdachte 3]: De hal hoeft niet vol te staan, maar als ik de voordeur open gooi en er staat niks..
[betrokkene 1]: Ja ik zeg dan.. Mijn vader heeft met [verdachte] al gesproken.. Wij zitten hier ook in wat andere situaties
[medeverdachte 3]: Ja okee, maar dan had hij beter even langs kunnen komen want zo ga je echt onnodig risico nemen snapje?
[betrokkene 1]: Dat snap ik ook wel, maar ja, ik heb...
[medeverdachte 3]: Wij doen de deur open... Als je chauffeur even naar binnen kijkt.. wij komen daar regelmatig, dan denk je: die wordt ook nog niet ntv! Er staat niks. Dat moet je zien te voorkomen. Je mag wel de goedkoopste van de goedkoopste neerzetten, aller goedkoopste wat je hebt.. als er maar wat staat. De enigste plekken die gevaarlijk zijn is voor als jij de deur zo open doet, daar moet ook wat staan toch? toch?
[betrokkene 1]: Daar aan die raamgedeelte gewoon.
[medeverdachte 3]: Die raamgedeelte, en ook wel langs de kant eh...
(...)
[betrokkene 1]: Ja, die ijzeren deur.
[medeverdachte 3]: Daar moet wat staan, en dan en nog drie polletjes tegen de achterwand aan... graag (...)
[medeverdachte 3]: ntv bestel je het aller goedkoopste wat ze in hun assortiment hebben, bestel jij ntv
[betrokkene 1]: Ja maar wat is het goedkoopst? Wat goedkoop is, is water bijvoorbeeld. Water. Container kost vijfduizend euro. En dan macaroni. Container kost 13 duizend euro. Maar ja, we hebben ook schulden aan hem, snap je?
(...)
[medeverdachte 3]: Maar dan moet je dat even komen overleggen en niet zomaar die hal leeg trekken! (...)”
[betrokkene 4] heeft verklaard dat hij zelf met de eigenaar van het pand aan de [a-straat 1] in Deventer heeft gesproken over de huur. Zijn zoon heeft de sleutels van het pand. De administratie van zijn bedrijf wordt geregeld door zijn zusje. [verdachte] is een vriend van hem.
[betrokkene 6] heeft verklaard dat de zoon van [A] (rechtbank: [betrokkene 1]) wel eens pallets kwam ophalen op [C] en dat hij heeft gezien dat die zoon dan af en toe geld mee nam wat hij kreeg van [medeverdachte 2] .
Volgens [betrokkene 2] was het hok in Deventer, die met die koelcellen, van [verdachte] uit [plaats] en van [C]. [betrokkene 2] heeft verklaard dat het hok al drie jaar voor de inval draaide. [verdachte] heeft hem verteld dat ze vanaf het tweede jaar echt gingen verdienen. Per oogst ging het om 100 kilo en er werd elke vier weken geoogst. [betrokkene 2] weet dit, omdat hij er zelf heeft geknipt.
[betrokkene 2] heeft [verdachte] herkend op een aan hem getoonde foto van verdachte. Waar [betrokkene 2] spreekt over [verdachte] bedoelt hij dus verdachte [verdachte] .
Ter zitting van het hof van 21 april 2022 is de betreffende foto aan verdachte getoond. De verdachte heeft zichzelf op de foto herkend.
[betrokkene 7] heeft verklaard dat hij in de [a-straat] in Deventer een meting heeft verricht om te kijken hoeveel stroom er nodig was. Vervolgens heeft hij een bord gemaakt voor die capaciteit. [betrokkene 7] heeft van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zelf gehoord dat die hennepkwekerij van hen was. Er zijn veel problemen geweest met de aansluiting op het lichtnet. [betrokkene 8] heeft de elektra aangelegd. [betrokkene 8] kreeg het echter niet voor elkaar om de kabels aan elkaar te koppelen. Hij heeft daarover meerdere keren contact gehad met [betrokkene 7]. [betrokkene 7] heeft uiteindelijk voor [betrokkene 8] speciale freesklemmen besteld. [betrokkene 7] denkt dat ze wel een week of twee met de problemen met de stroomvoorziening bezig zijn geweest. Alles is daarvan afhankelijk, omdat de lampen pas kunnen gaan branden op het moment dat er stroom is. [betrokkene 8] heeft hem zelf verteld dat hij uren op de locatie Deventer bezig is geweest om de aansluiting voor elkaar te krijgen. In deze kwekerij hingen twee keer negentig lampen van elk 1000 watt. [betrokkene 7] stond erbij toen [medeverdachte 3] de lampen bestelde. [betrokkene 2] is in deze kwekerij in ieder geval twee keer geweest om te oogsten en heeft de leidingen voor de airconditioning aangelegd.
Ook is een in het pand waarin de kwekerij werd ontdekt aangetroffen papieren bekertje bemonsterd. Dit speekselspoor heeft een volledig DNA-profiel opgeleverd dat matcht met dat van verdachte. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat verdachte dit bekertje ergens anders heeft gebruikt en achtergelaten.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan het telen van hennep in het pand aan de [a-straat 1] in Deventer.
Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat in ieder geval [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 7], [betrokkene 2], [betrokkene 8], [betrokkene 1], [betrokkene 4] en [verdachte] betrokken waren bij deze kwekerij. Volgens [betrokkene 2] was de kwekerij zelfs van verdachte en van [C]. Het pand is gehuurd door [A] B.V., waarvan [betrokkene 4] de eigenaar is en zijn zoon, [betrokkene 1], de directeur. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrijf is gebruikt als dekmantel om de werkelijke activiteiten in het pand, de hennepkwekerij, te verbloemen. De kwekerij is gestart door [C], waarbij [betrokkene 7] degene is geweest die elektriciteitsmetingen heeft verricht en vervolgens een schakelbord heeft gemaakt voor de gemeten capaciteit. [betrokkene 8] heeft de elektra aangelegd, maar liep tegen problemen aan, waarbij [betrokkene 7] hem heeft geholpen. Pas op het moment dat deze problemen waren verholpen, konden de lampen in de kwekerij gaan branden. [betrokkene 2] is meermalen in deze kwekerij geweest. Hij heeft de leidingen voor de airconditioning aangelegd en heeft meerdere keren geknipt. [medeverdachte 2] heeft zich met de betaling van de huur van het pand bemoeid. Hij heeft contante bedragen meegegeven aan [betrokkene 1] en besprak met hem op welke wijze de huur moest worden betaald. Ook [verdachte] heeft hierover gesprekken gevoerd, zowel met [medeverdachte 2] als met [betrokkene 1] en zaken met betrekking tot de huur geregeld. [betrokkene 1] heeft in mei 2014 aangegeven dat op dat moment de betaling nog niet kon lopen via de bankrekening van [A] B.V, omdat daar meerdere mensen op mee konden kijken. Zijn vader, [betrokkene 4], zou dat gaan regelen. Dat [betrokkene 4] dit heeft geregeld, concludeert de rechtbank uit de omstandigheid dat op 18 juni 2014 wél de huur vanaf de bankrekening van [A] B.V. is overgemaakt naar de eigenaar van het perceel [a-straat 1] in Deventer, [B] B.V. Tot slot volgt uit het gesprek tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 3] op de hoogte is van de kwekerij en advies heeft gegeven over de inrichting van het pand om het te laten lijken op een goedlopend – legaal – bedrijf. De tijdens de doorzoeking aangetroffen situatie komt overeen met het advies dat door [medeverdachte 3] is gegeven.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een onmisbare schakel was in het geheel en op deze manier een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het telen van de hennep.”
8. Bij de bespreking van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor het bewijs van medeplegen geldt op grond van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat sprake moet zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. [2] Het criterium van een nauwe en bewuste samenwerking veronderstelt opzet op zowel de samenwerking als op het grondfeit. De omstandigheid dat de verdachte niet lijfelijk aanwezig is geweest bij het tenlastegelegde grondfeit en ook geen uitvoeringshandelingen ten aanzien daarvan heeft verricht, behoeft niet in de weg te staan aan een bewezenverklaring van medeplegen. [3] Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de verdachte niet op de hoogte is geweest van de precieze gedragingen van zijn mededader(s). [4] Het zwaartepunt van het leerstuk medeplegen ligt dus niet zozeer bij de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht, maar meer op de samenwerking tussen de verschillende daders.
9. In een tweetal overzichtsarresten uit december 2014 heeft de Hoge Raad een aantal aandachtspunten geformuleerd voor de “belangrijke en moeilijke vraag” wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. [5] De kwalificatie van medeplegen is volgens de Hoge Raad slechts aan de orde als de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Vervolgens gaat de Hoge Raad in op het vaak aan de orde zijnde vraagstuk hoe de rechter moet beoordelen of de bijdrage van de verdachte kan worden aangemerkt als medeplegen of medeplichtigheid aan een strafbaar feit. In de regel geldt dat de bijdrage van een medepleger zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering, maar noodzakelijk is dat volgens de Hoge Raad niet. Als het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zal de rechter een eventuele bewezenverklaring van medeplegen nauwkeurig moeten motiveren. Daarbij kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
10. In de onderhavige zaak heeft het hof onder meer bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk telen van hennep. Om in dit verband van medeplegen te kunnen spreken moet sprake zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders, welke samenwerking was gericht op het telen van hennep.
11. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet te snel moet worden aangenomen dat de verdachte het opzettelijk telen van hennepplanten heeft medegepleegd. In het geval waarin de vaststellingen van het hof niet meer inhouden dan dat de verdachte op de hoogte was van de hennepkwekerij en dat de verdachte een woning of ruimte (en eventueel de bijbehorende voorzieningen) ter beschikking heeft gesteld voor die kwekerij, volgt een vernietiging van de veroordeling in cassatie. [6] De bijkomende omstandigheid dat de verdachte daarbij in ruil voor het ter beschikking stellen van die woning of ruimte ook meedeelt in de winst van die kwekerij, maakt eveneens nog niet dat sprake is van medeplegen van het telen. [7] Dat geldt ook als de verdachte de financiering van de kwekerij heeft gefaciliteerd of heeft toegestaan dat deze uit gemeenschappelijke gelden van het gezin werden gefinancierd, alsmede voor de omstandigheid dat de verdachte de mensen heeft geregeld die de hennepplantage hebben aangelegd. [8]
12. Aangezien al deze omstandigheden in wezen niets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte betrokken was bij de teelt zelf, bleven deze veroordelingen voor het medeplegen van hennepteelt niet in stand. Daarvoor is meer nodig, zo blijkt bijvoorbeeld uit HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:893. In die zaak had het hof vastgesteld dat de verdachte en een medeverdachte de taak op zich hadden genomen om de hennepplanten water te geven en bij te houden, hetgeen zij een periode ook daadwerkelijk hadden gedaan en waarvoor de verdachte een vergoeding van € 500,- per week ontving. [9] Hier kon dus een directe link tussen de verdachte en de hennepteelt worden geconstrueerd en liet de Hoge Raad de bewezenverklaring van het medeplegen van hennepteelt in stand. [10] Echter, ook als de bewijsvoering niet direct duidt op betrokkenheid van de verdachte bij het daadwerkelijk telen van hennep, is een bewezenverklaring van medeplegen niet uitgesloten. Dan moet het bewijs van de nauwe en bewuste samenwerking bijvoorbeeld worden gevonden in omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte een (zeer) grote rol had in de totstandkoming van de hennepkwekerij en kan worden aangemerkt als initiatiefnemer daarvan. [11]
13. In de hiervoor onder 7 weergegeven bewijsoverwegingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan het telen van hennep in het pand aan de Harderwijkstraat 6a in Deventer. Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat (i) de verdachte samen met anderen betrokken was bij de hennepkwekerij in dit pand, (ii) de kwekerij volgens een van de medeverdachten zelfs ten dele van de verdachte was, (iii) het pand waarin de kwekerij was gevestigd, werd gehuurd door een bedrijf dat in handen was van twee medeverdachten, terwijl dit bedrijf werd gebruikt als dekmantel om de hennepkwekerij te verbloemen en (iv) de verdachte gesprekken heeft gevoerd over de wijze waarop de huur moest worden betaald en zaken met betrekking tot de huur heeft geregeld. Hieruit heeft het hof afgeleid dat de verdachte een onmisbare schakel was in het geheel en op deze manier een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het telen van de hennep. In samenhang bezien met wat het hof in zijn bewijsoverwegingen voor het overige in aanmerking heeft genomen, waaronder in het bijzonder de omstandigheid dat in het pand waarin de kwekerij werd ontdekt een papieren bekertje is aangetroffen, met daarop een volledig DNA-profiel dat matcht met dat van de verdachte, terwijl naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat de verdachte dit bekertje ergens anders heeft gebruikt en achtergelaten, heeft het hof kunnen oordelen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten die was gericht op het opzettelijk telen van hennep. Uit de bewijsvoering kan immers worden afgeleid dat de betrokkenheid van de verdachte verder ging dan enkel het faciliteren van die hennepkwekerij. De bewezenverklaring van het medeplegen is aldus ook toereikend gemotiveerd.
14. Slotsom
15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het gaat om de zaken tegen [betrokkene 8] (22/02806), [betrokkene 9] (22/02827) en [betrokkene 10] (22/02838).
2.HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581,
3.HR 17 november 1981,
4.HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5713, r.o. 3.3.
5.HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
6.Zie HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2861, r.o. 2.4, HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3317, r.o. 2.4, HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:243, r.o. 2.4 en HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:336, r.o. 2.4. Vgl ook HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:461, r.o. 2.4.1.
7.Zie HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:719, r.o. 2.4 en HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:72, r.o. 3.3.1.
8.Zie HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1794, r.o. 2.4 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3202, r.o. 2.5.
9.Zie HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:893, r.o. 2.4.
10.Vgl. ook HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:776, 3.2 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:789,
11.Vgl. bijvoorbeeld ECLI:NL:PHR:2016:1284, onder 20 en 21, ECLI:NL:PHR:2017:297, onder 25, ECLI:NL:PHR:2017:283, onder 9 en 10 en ECLI:NL:PHR:2021:656, onder 10 en 11. De Hoge Raad deed het cassatieberoep in deze zaken steeds af met art. 81 RO Pro.