Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
12 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het telen van hennepplanten in een kwekerij te Schijndel.
Verdachte had de taak op zich genomen om de hennepplanten water te geven en ontving hiervoor een vergoeding van € 500 per week. Hij voerde deze taak uit samen met een medeverdachte, waarbij zij op verschillende tijdstippen de planten verzorgden. Het hof oordeelde dat deze handeling een onmisbare schakel vormde in het telen van hennep en dat verdachte daarmee een bijdrage van voldoende gewicht had geleverd om als medepleger te worden aangemerkt.
De verdediging voerde aan dat verdachte slechts medeplichtig was omdat hij een ondergeschikte taak verrichtte en geen gelijkwaardige positie had. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat voor medeplegen geen gelijkwaardige bijdrage vereist is, maar wel nauwe en bewuste samenwerking met een bijdrage van voldoende gewicht.
De Hoge Raad herhaalde daarbij eerdere jurisprudentie over de motiveringsplicht van de rechter bij medeplegen dat niet uit gezamenlijke uitvoering bestaat. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt medeplegen van telen hennep door watergeven in kwekerij en verwerpt cassatieberoep.