Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Beslissing
29 mei 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt in een woning te Breda over de periode 2009-2011.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder DNA-sporen op handschoenen gevonden in de schuur van de woning, de aanwezigheid van een sleutel van de woning bij verdachte, en opgenomen gesprekken waarin verdachte en een mededader overleg voerden over de hennepteelt, zoals het vervoer van zakken en het plaatsen van groeilampen. Ook werd vastgesteld dat verdachte regelmatig toegang had tot de woning en dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking met mededaders.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel over medeplegen niet onbegrijpelijk of onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het cassatieberoep faalt. De overige middelen leiden niet tot cassatie. Het arrest wordt bevestigd en het beroep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd waarin verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt.