ECLI:NL:PHR:2023:1005

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
22/00935
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 SrArt. 267 SrArt. 10 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging strafbaarheid belediging ambtenaar ondanks beroep op vrijheid van meningsuiting

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens eenvoudige belediging van een politieambtenaar tijdens diens rechtmatige taakuitoefening. Hij riep de woorden “Hey hey ho ho racist police has to go” naar een motoragent die een bekeuring uitschreef. De verdachte stelde dat deze uiting beschermd werd door het recht op vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in artikel 10 EVRM Pro.

Het hof oordeelde dat hoewel de uiting op zichzelf niet zonder meer beledigend is, de context waarin deze werd gedaan de uiting wel als beledigend kwalificeert. De verdachte richtte zich publiekelijk tot de motoragent en noemde hem een racist zonder concrete aanleiding, waardoor de agent zich in zijn eer en goede naam aangetast mocht voelen. Het hof stelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de belediging.

De verdediging voerde aan dat de uiting een bijdrage leverde aan het publieke debat over institutioneel racisme bij de politie. Het hof verwierp dit omdat de uiting in het voorbijgaan op de fiets werd gedaan, zonder kennis van de bekeuring en zonder dat het publiek de context kon begrijpen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst op het belang van context en communicatieve meerwaarde bij beoordeling van strafbaarheid van uitingen.

Het cassatieberoep faalt omdat het hof het verweer voldoende gemotiveerd heeft verworpen en het oordeel niet onbegrijpelijk is. De strafrechtelijke sanctie is volgens de Hoge Raad gerechtvaardigd binnen de grenzen van een democratische samenleving.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens belediging van een politieambtenaar wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00935
Zitting14 november 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 9 maart 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens (in zaak A) "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen" en (in zaak B) “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 400, subsidiair 8 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel is gericht tegen het in zaak B bewezenverklaarde en bevat de klacht dat de verwerping van het verweer dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de door hem gedane uiting niet beledigend is dan wel dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, omdat de uiting wordt beschermd door het in art. 10 EVRM Pro vervatte recht op vrijheid van meningsuiting, niet toereikend is gemotiveerd. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof in zaak B weer.

2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

2.1
Ten laste van de verdachte is in zaak B bewezen verklaard dat:
“hij op 16 april 2020 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “Hey hey ho ho racist police has to go”.”
2.2
De bewezenverklaring van het in zaak B bewezen verklaarde feit steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

4. Een proces-verbaal verhoor verdachte met nummer PL1300-2020079368-5 van 16 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] […].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 april 2020 tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte:
Op donderdag 16 april om 12:50 uur was een motoragent van politie bezig met het uitschrijven van een bekeuring op de brug tussen de Keizersgracht en de Herengracht. Ik uitte mijn mening en zei: "hey hey ho ho racist police has to go”. Kennelijk voelde deze agent zich aangesproken.
5. Een proces-verbaal aanhouding verdachte met nummer PL1300-2020079368-2 van 16 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] […].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
bevindingen van voornoemde verbalisant:
Op donderdag 16 april 2020 te 12.50 uur bevond ik verbalisant mij, in uniform gekleed en met motorsurveillance belast op de Raadhuisstraat te Amsterdam. Op bovengenoemd tijdstip was ik bezig met het uitschrijven van een bekeuring aan een fietser op de brug tussen de Keizersgracht en de Herengracht. Dit bekeuringsgesprek verliep rustig. Vervolgens hoorde ik van vlak achter mij zeer luid: "HEY HEY RACIST POLICE HAS TO GO, HEY HEY RACIST POLICE HAS TO GO".
Ik draaide mij om en ik zag vlak achter mij een fietser. Ik zag dat deze fietser op een afstand van ongeveer 15 meter bij mij vandaan was en in de richting van de Dam fietste. Verder was er niemand in de nabije omgeving die dit geroepen kon hebben. Ik zag verder wel aan de overkant van de straat mensen naar deze fietser kijken en vervolgens naar mij verbalisant.
Ik voelde mij op dit moment zeer in mijn eer en goede naam aangetast. Ik was op dit moment de enige, als zodanig herkenbare, politieambtenaar aanwezig. Ik was gewoon met mijn werk bezig en kon eigenlijk niet begrijpen dat iemand zoiets zo maar naar mij roept.”
2.3
Voorts bevat het arrest de volgende bewijsoverwegingen:

Oordeel van het hof
Het hof zal omwille van de leesbaarheid de verweren met betrekking tot de bewezenverklaring en de strafbaarheid van het feit gezamenlijk bespreken.
Uitlating beledigend jegens de motoragent?
Een uitlating die in iemands tegenwoordigheid wordt gedaan, moet als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn of haar eer of goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is, zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is.
De door de verdachte gedane uitlating "hey hey ho ho racist police has to go” is op zichzelf niet zonder meer beledigend jegens de motoragent. De context waarin deze uitlating wordt gedaan kan die uiting tot een belediging maken. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Op 16 april 2020 schreef een motoragent een bekeuring uit aan een fietser op de brug tussen de Keizersgracht en de Herengracht. Het bekeuringsgesprek verliep rustig. De motoragent hoorde tijdens het uitschrijven van deze bekeuring dat op luide toon achter hem “Hey hey ho ho racist police has to go” werd geroepen. Toen de motoragent omkeek bleek het de verdachte te zijn die, terwijl hij langsreed op zijn fiets, deze woorden in zijn richting had geroepen. De verdachte is na het roepen van de woorden doorgefietst, waarna de motoragent achter hem aan is gereden om hem aan te houden ter zake van belediging van een ambtenaar in functie.
Het hof is van oordeel dat in de omstandigheden van dit geval sprake is van een belediging van de motoragent. De verdachte heeft verklaard dat hij zich, voorbij rijdend op zijn fiets, richtte tot de motoragent met de bedoeling dat deze zijn woorden zou horen. Op het moment dat de verdachte deze woorden riep, zagen mensen op straat het voorval gebeuren. Door de motoragent, die volgens de verdachte een persoon van kleur bekeurde, in het openbaar ‘racist’ te noemen, zonder dat daarvoor – ook volgens de verdachte – in dit concrete geval aanleiding was, mocht deze zich in eer en goede naam aangetast voelen.
Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de belediging nu hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de agent zich beledigd zou voelen. Dat de verdachte de gevolgen daarvan op de koop toe nam leidt het hof af uit de verklaring van de verdachte zelf, die ter zitting heeft uitgelegd dat geen sprake is geweest van een wel overdachte actie. Zijn uitlating kwam voort uit vergaande frustratie. Hij werd ‘getriggered' door de herinnering aan een eerdere gebeurtenis waarin hij, naar eigen zeggen, wel constructief de dialoog is aangegaan.
Het verweer van de verdediging, dat de door de verdachte geuite bewoordingen geen beledigend karakter hebben, wordt daarmee verworpen.
Strafbaarheid van de uitlating
Het, onder meer in art. 10 EVRM Pro gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting, dat voor een deel ook in artikel 266, tweede lid Sr tot uitdrukking is gebracht, staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van artikel 266, eerste lid Sr niet in de weg indien die veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.
Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens eenvoudige belediging in de zin van voormelde wettelijke bepaling, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.
De verdachte heeft verklaard dat, toen hij zag dat de politieagent een persoon bekeurde, hij commentaar wilde leveren op het institutionele racisme binnen de politieorganisatie. Hoewel in zijn algemeenheid een dergelijk standpunt zeker een bijdrage kan leveren aan het publieke debat, is het hof van oordeel dat daarvan in de omstandigheden van dit geval geen sprake was. De verdachte deed zijn uitlatingen in het voorbijgaan op de fiets. Hij droeg zelf geen kennis van de reden van de bekeuring, die overigens rustig verliep, en ook voor het toekijkend publiek zal niet duidelijk geweest zijn waarom de verdachte de bekeurende motoragent van racisme betichtte.
De tot vrijspraak dan wel tot ontslag van alle rechtsvervolging gevoerde verweren worden dan ook verworpen.”

3.Het middel

3.1
De toelichting op het middel bevat een tweetal deelklachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof ten onrechte en/of op ontoereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat de omstandigheden van het geval maken dat sprake is van een belediging van de motoragent. Daartoe is aangevoerd dat het oordeel van het hof dat ondanks dat de uiting op zichzelf niet beledigend is voor een individuele politieagent dit in het onderhavige geval wel zo is, omdat de verdachte de agent een racist heeft genoemd, onbegrijpelijk is in het licht van het ter terechtzitting gevoerde betoog dat de verdachte slechts een opvatting uitte over de politie als organisatie.
3.2
Ten tweede wordt geklaagd dat de verwerping van het verweer dat de verdachte diende te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ontoereikend is gemotiveerd dan wel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Betoogd wordt dat het hoofdargument om dit verweer te verwerpen, namelijk dat verdachtes uiting geen bijdrage kon leveren aan het publieke debat, de verwerping niet kan dragen, omdat het hof hiermee miskent dat het erom gaat
ofde inhoud van de uiting een kwestie is van
public debateen niet of met de uiting werd deelgenomen aan een debat. Voorts wordt aangevoerd dat voor zover het hof heeft bedoeld, te oordelen dat in dit geval het opleggen van een strafrechtelijke sanctie
necessary in a democratic societywas, dit ook niet begrijpelijk is, omdat de uiting zich richt op het instituu
tvan de politie en niet tegen de agent in kwestie. Derhalve raakt de uiting aan een kwestie van algemeen belang en is er weinig ruimte voor beperkingen.
3.3
Juridisch kader
3.3.1
Art. 10 lid 2 EVRM Pro staat beperkingen van de vrijheid van meningsuiting toe als deze een gerechtvaardigd doel dienen en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Strafbaarstelling van belediging is hiervan een voorbeeld. Een uiting kan als strafbare belediging worden aangemerkt als deze de eer en goede naam van een persoon aantast. [1] Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de vraag of sprake is van strafbare belediging kan het volgende stapsgewijze beoordelingskader – welk kader door het EHRM niet expliciet wordt gehanteerd, maar wel leidt tot een uitkomst die strookt met zijn jurisprudentie – worden afgeleid [2] :
1. Is de uiting op zichzelf genomen beledigend (zoals “klootzak” [3] , “sukkels” of “kankerlijers” [4] ).
2. Bij een positieve beantwoording van de eerste vraag dient te worden beoordeeld of de context waarin de beledigende uitlating is gedaan het beledigende karakter hiervan wegneemt (denk aan de context van een publiek debat of artistieke expressie) [5] . Zo ja, dan dient over te worden gegaan tot beantwoording van de vraag onder stap 3. Bij een negatieve beantwoording van de eerste vraag dient te worden beoordeeld of de context maakt dat een op zichzelf genomen niet beledigende uiting toch als beledigend kan worden aangemerkt. [6]
3. Is de uiting onnodig grievend? Zo ja, dan is alsnog sprake van strafbare belediging, de context van een publiek debat of artistieke expressie ten spijt.
3.3.2
Inzake de context van het publieke debat merk ik op dat – zoals ik in mijn conclusies voor de arresten van 3 december 2019 [7] en 17 maart 2020 [8] reeds uiteen heb gezet – de vraag of sprake is van een publiek of maatschappelijk debat zich niet eenvoudig laat beantwoorden. Kort gezegd komt het erop neer dat het moet gaan om een inhoudelijke discussie waarin de maatschappelijk geaccepteerde grenzen niet worden overschreden. Dit brengt mee dat de inhoud niet grievender mag zijn dan het debat rechtvaardigt en de uitingen een communicatieve meerwaarde moeten hebben. [9] In de jurisprudentie van het EHRM komt dit ook terug. Niet voldoende is immers dat een uitlating raakt aan een onderwerp van publiek debat. De inhoud van de uitlating moet ook een
bijdragekunnen leveren aan het debat; “
manifestly insulting language” en “
gratuitous personal attack[s]” zijn daarom niet toegestaan. [10] Voorts dient te worden opgemerkt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor de vraag of sprake is van een publiek debat niet louter de subjectieve intentie van de verdachte doorslaggevend is, maar dat deze context ook (objectief gezien) kenbaar moet zijn voor derden. [11]
3.3.3
Tot slot is voor de onderhavige zaak van belang dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de opvatting dat van een politieagent mag worden verwacht dat hij of zij in een gegeven situatie qua belediging meer moet kunnen verdragen dan anderen geen steun vindt in het recht. [12] Dit sluit aan bij de overweging van het EHRM dat “
civil servants must enjoy public confidence in conditions free of undue perturbation if they are to be successful in performing their tasks and it may therefore prove necessary to protect them from offensive and abusive verbal attacks when on duty [13] , al houdt het EHRM wel een slag om de arm door tevens te overwegen dat de grenzen die gelden voor hetgeen nog kan worden aangemerkt als acceptabele kritiek “
may in some circumstances be wider with regard to civil servants exercising their powers than in relation to private individuals”. [14]
3.4
Bespreking van het middel
De eerste deelklacht
3.4.1
De steller van het middel betoogt dat het oordeel van het hof dat de verdachte de verbalisant een “racist” heeft genoemd onbegrijpelijk is, omdat is aangevoerd dat de verdachte een opvatting heeft geuit over de politie als organisatie en niet over de agent zelf.
3.4.2
In de eerste plaats merk ik op dat voor zover het middel klaagt dat het hof het verweer van de raadsman dat de verdachte een opvatting heeft geuit
tegeneen politieambtenaar, maar
overde politie als organisatie ten onrechte onbesproken heeft gelaten, dit feitelijke grondslag mist. Het hof heeft immers geoordeeld dat de verdachte de verbalisant een ‘racist’ heeft genoemd. Hierin ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de uiting niet alleen ten overstaan van de verbalisant is gedaan, maar ook tot hem was gericht.
3.4.3
Voor zover het middel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, faalt het. In dit verband wijs ik erop dat het hof conform het voornoemde driestappenplan heeft geoordeeld dat de uiting op zichzelf genomen niet beledigend is jegens de motoragent, maar dat de context waarin deze is gedaan, maakt dat de uiting desalniettemin als beledigend kan worden aangemerkt. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zijn uiting (“Hey hey ho ho racist police has to go”) in het bijzijn van anderen heeft gedaan toen hij langs een motoragent fietste die op dat moment een bekeuring aan het uitschrijven was aan – naar de verklaring van de verdachte – een persoon van kleur. Gezien de door het hof vastgestelde context meen ik dat het hof kon en mocht oordelen dat de verdachte de motoragent in feite publiekelijk een ‘racist’ heeft genoemd en daarmee heeft beledigd. Dat de uiting taalkundig gezien betrekking heeft op de politie (meervoud) doet aan de door het hof vastgestelde contextuele betekenis niet af.
De tweede deelklacht
3.4.4
In de tweede plaats wordt door de steller van het middel betoogd dat de verwerping van het OVAR-verweer ontoereikend is gemotiveerd. Ook deze klacht treft wat mij betreft geen doel.
3.4.5
In dit verband wijs ik erop dat het hof heeft overwogen dat de uiting van de verdachte in zijn algemeenheid zeker een bijdrage kan leveren aan het publieke debat (waarin besloten ligt dat het hof onderkent dat racisme bij de politie een onderwerp van publiek debat is), maar dat daar in het onderhavige geval geen sprake van is, omdat de verdachte zijn uiting deed in het voorbijgaan op de fiets, geen kennis droeg van de reden van bekeuring en het ook voor het toekijkend publiek niet duidelijk zal zijn geweest waarom de verdachte de bekeurende motoragent van racisme betichtte. Hiermee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat van deelname aan een publiek debat geen sprake was. Gezien de vaststellingen van het hof acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk.
3.4.6
Ook de overige door de steller van het middel aangevoerde argumenten doen niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Het argument dat uit de EHRM-jurisprudentie volgt dat het slechts gaat om de vraag of het onderwerp een kwestie van publiek debat is en dat het niet van belang is of dat debat ook wordt gevoerd, gaat niet op omdat wel degelijk van belang is of de inhoud van de uitlatingen kan bijdragen aan het debat. [15] Het leeuwendeel van de overige door de steller van het middel aangehaalde EHRM-jurisprudentie betreft zaken waarin het gaat om kritiek op meer abstracte entiteit zoals ‘de overheid’ of ‘de politie’ [16] . De steller van het middel leidt hieruit terecht af dat dergelijke kritiek – ook als deze beledigend van aard is – niet snel buiten de bescherming van art. 10 EVRM Pro valt [17] , maar miskent dat het hof – zoals reeds besproken – het verweer dat de verdachte het instituut van de politie heeft willen bekritiseren op toereikende gronden heeft verworpen, zodat deze jurisprudentie voor het onderhavige geval niet relevant is. [18] Bovendien was de kritiek in deze zaken geuit in een heel andere context dan in de onderhavige zaak het geval is, namelijk steeds gepubliceerd in een krant, tijdschrift dan wel onder een internetblog. In dit verband wijs ik erop dat er een onderscheid bestaat tussen kritiek in een openbare discussie over aangelegenheden van publiek belang, bijvoorbeeld in een ingezonden stuk in een krant en kritiek in tegenwoordigheid van derden geuit tegenover uitvoerende politieambtenaren, die daardoor worden aangetast in hun gezag, zoals het geval is in de onderhavige zaak. [19] Verder ben ik het met de steller van het middel eens dat er weinig ruimte is voor beknotting van de vrijheid van meningsuiting ten aanzien van onderwerpen van publiek debat [20] , maar daarvan is nu juist volgens het hof in het onderhavige geval geen sprake.
3.4.7
Het gaat hier immers, zoals het hof heeft vastgesteld, om belediging van een individuele (motor)agent. Een vergelijkbare casus is aan de orde in de (ook door de steller van het middel aangehaalde) zaak Janowski tegen Polen. [21] Net als in de onderhavige zaak ging het in die zaak om iemand die die gemeentelijke ordehandhavers had beledigd:
“32. […] the Court notes that the applicant was convicted of insulting the municipal guards by calling them “oafs” and “dumb” during an incident which took place in a square. It was witnessed by bystanders and concerned the actions of municipal guards who insisted that street vendors trading in the square move to another venue (see paragraph 8 above). The applicant’s remarks did not therefore form part of an open discussion of matters of public concern; neither did they involve the issue of freedom of the press since the applicant, although a journalist by profession, clearly acted as a private individual on this occasion. The Court further observes that the applicant’s conviction was based on his utterance of the two words which were judged to be insulting by both trial and appeal courts, not the fact that he had expressed opinions critical of the guards or alleged that their actions were unlawful […]”
3.4.8
Het EHRM achtte in dit geval de inbreuk op art. 10 EVRM Pro gerechtvaardigd:
“34. In the Court’s view, the reasons prompting the applicant’s conviction were relevant ones in terms of the legitimate aim pursued. It is true that the applicant resorted to abusive language out of genuine concern for the well-being of fellow citizens in the course of a heated discussion. This language was directed at law-enforcement officers who were trained how to respond to it. However, he insulted the guards in a public place, in front of a group of bystanders, while they were carrying out their duties. The actions of the guards, even though they were not based on the explicit regulations of the municipal council but on sanitary and traffic considerations, did not warrant resort to offensive and abusive verbal attacks (see paragraph 8 above). Consequently, even if there were some circumstances arguing the other way, sufficient grounds existed for the decision ultimately arrived at by the national courts.”
3.4.9
De steller van het middel wijst erop dat het vermeldenswaard is “dat de beslissing van het EHRM niet unaniem was: (12 tegen 5)”. Maar bij een nauwkeurige lezing van het arrest valt op dat voor alle dissenters geldt dat bij hun oordeel meespeelde dat er sterke aanwijzingen waren dat de gezagsdragers tegen wie de uitingen waren gedaan zelf onrechtmatig hadden gehandeld. [22] In de onderhavige zaak speelt dit in het geheel niet.
3.4.10
Al met al meen ik dat het impliciete oordeel van het hof dat strafrechtelijke sanctionering van de verdachte noodzakelijk was in een democratische samenleving noch getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, noch ontoereikend is gemotiveerd.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3143, NJ 2002/129, rov. 3.2.2.
2.Door A.J. Nieuwenhuis en A.L.J. Janssens als ‘driestapsbenadering’ gekarakteriseerd, zie A.J. Nieuwenhuis en A.L.J. Janssens, Uitingsdelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 52-53. Zie ook de noot van Dommering (onder 2) voor HR 10 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282 (noot is te vinden onder NJ 2018/283).
3.HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:709, rov. 3.4.
4.HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5623, rov. 2.5.
5.Zie HR 10 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282, m.nt. Dommering, rov. 2.4 waar wordt verwezen naar HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108, m.nt. Rozemond.
6.HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671, m.nt. Buruma (in aanwezigheid van veel winkelend publiek, luidkeels en herhaaldelijk tegen verbalisanten roepen “Wat moet je nou mafkees”); HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9960, rov. 3.3 (vanaf een bank in een buurthuis tijdens de aanhouding van de betrokkene tegen de verbalisant met zeer luide stem “flikker” roepen); HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003, NJ 2014/181, m.nt. Keijzer (tijdens controlewerkzaamheden van de politie waarbij de bromfiets van de verdachte werd gecontroleerd tegen verbalisanten – in aanwezigheid van andere personen – drie maal “mierenneuker” toevoegen); en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:274, NJ 2015/186, m.nt. Keijzer (na het afpakken van een blikje bier door de verbalisant hem – in de aanwezigheid van derden – de woorden “jij bent een mierenneuker” toevoegen). Vgl. ook HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:306 (het in aanwezigheid van derden luid en duidelijk stotterend aanspreken van een notoire stotteraar met het doel hem te kwetsen).
7.HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1816 en mijn conclusie (onder 4.6-4.6.1) hieraan voorafgaand.
8.HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:381 (HR: art. 81 RO Pro) en mijn conclusie (onder 4.4-4.6) hieraan voorafgaand. Zie in dit verband ook de recente conclusie van AG Frielink (onder 3.7) voor HR 10 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1408 (HR: art. 81 RO Pro).
9.H.J.B. Sackers, ‘Art. 137c Sr, godsdienstkrenkingen en het publieke debat’, Strafblad 2009, p. 230-231. Zie in dit verband ook de noot van Dommering (onder 4) bij HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:539, NJ 2018/283.
10.EHRM 6 september 2016, nr. 26448/12 (Gaunt t. het Verenigd Koninkrijk), rov. 59. Zie ook inzake dit arrest A.J. Nieuwenhuis, ‘Op zoek naar het publieke debat. Over de afbakening door het EHRM van een bij uitstek beschermde categorie uitlatingen’, Mediaforum 2018-3, p. 65: “Zo maakt het Hof in Gaunt onderscheid tussen het onderwerp van de discussie en de onnodig geachte persoonlijke aanvallen op de gezagdrager, die deelnam aan de discussie. Deze aanvallen worden volgens het Hof niet door de context gerechtvaardigd.”
11.HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5623, rov. 2.3.
12.HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671, m.nt. Buruma, rov. 2.5 waar wordt verwezen naar HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5623, NJ 2009/466.
13.EHRM 21 januari 1999, nr. 25716/94 (Janowski t. Polen), rov. 33.
14.EHRM 21 januari 1999, nr. 25716/94 (Janowski t. Polen), rov. 33.
15.In dit verband wijs ik opnieuw op EHRM 6 september 2016, nr. 26448/12 (Gaunt t. het Verenigd Koninkrijk), rov. 59 en het commentaar van A.J. Nieuwenhuis op dit arrest zoals weergegeven onder voetnoot 10 van deze conclusie.
16.EHRM 23 april 1992, nr. 11798/85 (Castells t. Spanje) (een gepubliceerd artikel waarin de overheid werd beschuldigd van verantwoordelijkheid voor een aanzienlijke hoeveelheid moorden gepleegd door extremistische organisaties); EHRM 31 juli 2007, nr. 25968/02 (Dyuldinen Kislov t. Rusland) (een in een krant gepubliceerde ingezonden brief waarin de gouverneur en de regionale overheid werden beticht van het onderdrukken van onafhankelijke nieuwsmedia); EHRM 2 februari 2010, nr. 571/04 (Kubaszewski t. Polen) (een gepubliceerd artikel waarin de lokale overheid werd beticht van corruptie); EHRM 20 april 2004, nr. 60115/00 (Amihalachioaie t. Moldavië) (een op een telefonisch gevoerd interview gebaseerd artikel waarin het constitutionele hof werd bekritiseerd en waarin hun constitutionaliteit in twijfel werd getrokken); EHRM 25 juni 1992, nr. 13778/88 (Thorgeir Thorgeirson t. Ijsland) (gepubliceerde artikelen waarin agenten van de Reykjavikse politie onder meer ‘beesten in uniform’ werden genoemd); en EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09 (Savva Terentyev t. Rusland) (openbare reacties onder een blog waarin de Russische politie als volgt werd beschreven: “Who becomes a cop? Only lowbrows and hoodlums – the dumbest and least educated representatives of the animal world. It would be great if in the centre of every Russian city, on the main square ... there was an oven, like at Auschwitz, in which ceremonially every day, and better yet, twice a day (say, at noon and midnight) infidel cops would be burnt. The people would be burning them. This would be the first step to cleansing society of this cop-hoodlum filth”).
17.In dit verband wijs ik opnieuw op EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09 (Savva Terentyev t. Rusland) waarin de kritiek een zeer opruiend karakter had.
18.Zie in het kader van het ondermijnen van gezag van ambtenaren in functie ook HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:274, NJ 2015/186, rov. 2.4 en de noot van Keijzer (onder 4; tweede alinea) bij dit arrest.
19.Zie de noot van Keijzer (onder 4; derde alinea) bij HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003, NJ 2014/181.
20.EHRM 1 december 2011, nr. 8080/08 en 8577/08 (Schwabe t. Duitsland), rov. 113 en EHRM 22 oktober 2007, nr. 21279/02 en 36448/02 (Lindon, Otchakovsky-Laurens and July t. Frankrijk), rov. 46.
21.EHRM, Grote Kamer, 21 januari 1999, nr. 25716/94 (Janowski t. Polen).
22.In de ‘dissenting opinion’ van rechter Wildhaber staat vermeld: “