Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
4. Een proces-verbaal verhoor verdachte met nummer PL1300-2020079368-5 van 16 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] […].
bevindingen van voornoemde verbalisant:
Oordeel van het hof
3.Het middel
ofde inhoud van de uiting een kwestie is van
public debateen niet of met de uiting werd deelgenomen aan een debat. Voorts wordt aangevoerd dat voor zover het hof heeft bedoeld, te oordelen dat in dit geval het opleggen van een strafrechtelijke sanctie
necessary in a democratic societywas, dit ook niet begrijpelijk is, omdat de uiting zich richt op het instituu
tvan de politie en niet tegen de agent in kwestie. Derhalve raakt de uiting aan een kwestie van algemeen belang en is er weinig ruimte voor beperkingen.
bijdragekunnen leveren aan het debat; “
manifestly insulting language” en “
gratuitous personal attack[s]” zijn daarom niet toegestaan. [10] Voorts dient te worden opgemerkt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor de vraag of sprake is van een publiek debat niet louter de subjectieve intentie van de verdachte doorslaggevend is, maar dat deze context ook (objectief gezien) kenbaar moet zijn voor derden. [11]
civil servants must enjoy public confidence in conditions free of undue perturbation if they are to be successful in performing their tasks and it may therefore prove necessary to protect them from offensive and abusive verbal attacks when on duty” [13] , al houdt het EHRM wel een slag om de arm door tevens te overwegen dat de grenzen die gelden voor hetgeen nog kan worden aangemerkt als acceptabele kritiek “
may in some circumstances be wider with regard to civil servants exercising their powers than in relation to private individuals”. [14]
tegeneen politieambtenaar, maar
overde politie als organisatie ten onrechte onbesproken heeft gelaten, dit feitelijke grondslag mist. Het hof heeft immers geoordeeld dat de verdachte de verbalisant een ‘racist’ heeft genoemd. Hierin ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de uiting niet alleen ten overstaan van de verbalisant is gedaan, maar ook tot hem was gericht.