Conclusie
5.Het derde middel
Voetnoot 143 De wetgever heeft strafbaar gesteld ‘terwijl hij weet/redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf. De wetgever stelt dienaangaande: ‘Voldoende is dat wordt (tenlastegelegd en) bewezen dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Niet vereist is dat de rechter identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Vaak zal dit niet mogelijk zijn, terwijl het ook niet relevant is voor de strafwaardigheid van het witwassen. (...) Om ook handelingen aan het eind van het traject effectief te kunnen aanpakken, dient een desbetreffende strafbepaling niet alleen het witwassen van de directe opbrengsten uit misdrijf strafbaar te stellen, maar ook het witwassen van een voorwerp dat indirect, middellijk afkomstig is uit enig misdrijf.’ Kamerstukken II 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 16-17
6.Het tweede middel
(…)
Zoals hiervoor is overwogen, is wat betreft de financiering van de [b-straat 2] en daarmee de [h-straat 1] sprake van een criminele herkomst van de gelden. [J] heeft in 1995 het bouwperceel aan de [b-straat 2] gekocht en daar een woning op laten bouwen. [mededader 4] heeft vervolgens het pand aan de [h-straat 1] gekocht met geld dat afkomstig was van de [b-straat 2] , dat met geld met een criminele herkomst was aangekocht. Zowel [J] als [mededader 4] hadden voor bedoelde aankopen geen financiële middelen, zoals hiervoor reeds is overwogen.
(…)
Ten aanzien van [J] is naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden eveneens sprake van opzet: het zonder financiële middelen aangaan van een koopovereenkomst betreffende een bouwperceel met een koopsom van fl. 227.000,00 en het daarop (laten) bouwen van een pand met een geschatte bouwsom van fl. 289.130,00 in combinatie met de hiervoor aangehaalde verklaring van [betrokkene 5] dat hij de - naar het oordeel van het hof evident valse - verklaring van [betrokkene 27] op verzoek van [J] heeft opgesteld, leidt het hof tot het oordeel dat [J] op de hoogte moet zijn geweest van de criminele herkomst van de gelden. De enkele verwijzing naar de rol van de vrouw in de Roma-cultuur dan wel het vertrouwen in haar vader ontslaat [J] niet van haar verplichtingen ter zake. Dientengevolge komen ook de daarop volgende handelingen met het van misdrijf afkomstige geld, te weten het (toestaan van het) gebruik van de verkoopopbrengst van het pand, van welke opbrengst de [H] schadevergoeding deel
Op het moment dat het perceel [d-straat 1] werd aangekocht, werden gelden die verkregen zijn als uitvloeisel van eerder geïnvesteerde criminele gelden geïnvesteerd. Op de datum van aankoop van de [d-straat 1] worden deze gelden omgezet en witgewassen. De vraag op welk moment de oorspronkelijke criminele gelden zijn verkregen is daarbij niet van belang.
(…)
(…)
Het verweer van [mededader 10] en [J] dat zij niet bekend waren met het feit dat het geld waarmee zij de [g-straat 1] in 2005 respectievelijk 2009 kochten van misdrijf afkomstig was wordt verworpen. Voor wat betreft [J] verwijst het hof naar hetgeen zij hiervoor dienaangaande heeft overwogen bij het pand [h-straat 1] . (…) Dit gegeven, in combinatie met de hierna nog te bespreken actieve betrokkenheid bij de valselijk opgemaakte overeenkomsten van 3 oktober 2005 (…) leidt er naar het oordeel van het hof toe dat [J] (…) op de hoogte moeten zijn geweest van de criminele herkomst van de gelden.”
7.Het eerste middel
(…)
Wat betekent ’’gewoonte maken van witwassen’’? Dit is een vaste terminologie in het Wetboek van Strafrecht. Het betekent een herhaling van feiten, waaruit de subjectieve neiging van de dader blijkt om dit feit steeds weer te begaan. Denk bijvoorbeeld aan de houder van een wisselkantoor, die regelmatig witwast.” [6]
8.Het vierde middel
Tegen deze achtergrond acht het hof bewezen dat [mededader 4] instructie heeft gegeven aan [betrokkene 18] tot het opstellen van de (valse) verklaring van 14 april 2009, inhoudende dat [J] van al haar verplichtingen jegens [E] was ontslagen.
aanvullende middelheeft betrekking op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch. Het bevat de klacht dat één of meer van de betrokken raadsheren die het bestreden arrest hebben gewezen niet op rechtsgeldige wijze zijn beëdigd, zodat zij niet bevoegd waren om over de onderhavige zaak te oordelen, waardoor het bestreden arrest niet in stand kan blijven.