Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
4.Beslissing
16 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegd medeplegen van witwassen, zoals bedoeld in artikel 420bis Sr.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad beoordeelde de klachten over de uitspraak van het hof en oordeelde dat deze niet tot vernietiging konden leiden, zonder nadere motivering vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.
Een cassatiemiddel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase doordat stukken te laat werden ingezonden. De Hoge Raad achtte de klacht gegrond, maar vond gezien de straf van negen maanden waarvan vijf voorwaardelijk en de mate van termijnoverschrijding geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg dan het oordeel van overschrijding.
De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en bevestigde het arrest van het hof, met vermindering van de strafduur. Dit arrest werd gewezen door vice-president V. van den Brink en raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering op 16 maart 2021.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen van witwassen en vermindert de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.