Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procedure
3.De beschikking
Inhoud van het klaagschriftHet klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op het registergoed (de woning) aan de [a-straat 1], [2] [postcode] [plaats].
Het onderzoek:
De beoordelingUit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
4.Het middel
5.Bespreking van het middel
1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing
verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp
verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp
gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.
(…)”
de aankoopvan haar woning in 2000 te hebben gefinancierd met crimineel vermogen en zich aldus strafbaar heeft gemaakt aan witwassen, leid ik af dat de rechtbank daarmee doelt op de het
verwervenvan een voorwerp dat uit enig misdrijf afkomstig is, als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder b Sr. Nu vast staat de klaagster haar woning heeft gekocht (verworven) in maart 2000 en dus vóór de inwerkingtreding van art. 420bis Sr op 14 december 2001 is het oordeel van de rechtbank dat zich hier niet een situatie voordoet waarbij een latere verbeurdverklaring op grond hiervan niet hoogst onwaarschijnlijk is, niet onbegrijpelijk en getuigt het evenmin van een onjuiste rechtsopvatting. Ten tijde van de aankoop van de woning was witwassen immers nog niet strafbaar.
voorhandenhebben sinds de ingangsdatum van de strafbaarstelling van witwassen.