Conclusie
eerste middelheeft betrekking op de verwerping door het hof van enkele op art. 359a Sv toegesneden verweren. Het middel bevat een aantal deelklachten die in essentie neerkomen op een voortzetting van bij het hof gevoerde verweren. Op deze deelklachten ga ik na het weergeven van de relevante onderdelen uit het bestreden arrest nader in.
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
3.2 Beoordelingskader verweren in kader artikel 359a Sv
registratie geopend.
In de periode van 22 april 2009 tot en met 29 juni 2009 werden 48 maal contante stortingen verricht, ter grootte van ruim € 360.000,00 op bankrekeningnummer [001] van de [F] ;
Tevens werd informatie ontvangen van twee girale overboekingen op de bankrekening van notariskantoor [d-straat] te [plaats] op 27 april 2009 en 6 mei 2009. Deze bedragen werden overgeboekt en bedroegen in totaal € 81.000,00;
Volgens de gemelde verdachte transacties werd door [mededader 2] 2 maal een contante opname gedaan van bankrekening [002] , respectievelijk op 29 december 2004 en 8 februari 2006. De contante opnamen bedroegen in totaal € 29.900,00;
De contante stortingen die werden gedaan middels het stortingsapparaat van de Rabobank bedroegen in totaal € 68.375,00;
Bij de laatste Rabobank melding, van 8 juli 2009, werd nog de mededeling gedaan: ‘ [mededader 2] stort sinds 22 april 2009 contant op rekening [001] tnv [F] . In de periode 17-06 t/m 26-06 is er totaal € 64.925,00 gestort. De verklaring voor de herkomst van de gelden is dat dit door de Roma-familie is ingezameld. Deze familie is over de hele wereld verspreid (zigeunerfamilie). Het geld is bestemd voor de aankoop van een woning aan de [e-straat 1] te [plaats] . Hiervoor zijn diverse bedragen, nadat er contant gestort, overgeboekt naar notariskantoor [d-straat] . De bank heeft ook (ongevraagd) van notariskantoor [d-straat] te [plaats] een briefontvangen, waarin de herkomst van de gelden zou worden verklaard (gelden van familie).’ Door de Rabobank werd medegedeeld dat de brief was verstuurd in opdracht van de [ familie 1] .
12. BELASTINGDIENST [d-straat 1] TE [plaats] , GEMEENTE [plaats]
13. MELD MISDAAD ANONIEM
werd nader onderzoek verricht op internet/Facebook. Gedurende dit onderzoek werd een [betrokkene 1] aangetroffen welke woonachtig zou zijn in [plaats] , Zweden. Uit de Facebookgegevens bleek dat hij interesse had in zigeuners/Roma.
Inmiddels zijn er - sinds de eerste inzage - jaren verstreken. Het hof acht het daarbij niet ondenkbaar dat stukken van een onderzoek - dat reeds lang geleden is afgerond - op enig moment in het ongerede zijn geraakt, waaronder (persoonlijke) handgeschreven aantekeningen. Echter, het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een situatie waarin aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak op zodanige wijze tekort is gedaan, dat sprake is van een onherstelbare inbreuk op dat recht die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze in hoger beroep is gecompenseerd.
Met betrekking tot dit onderdeel constateert het hof geen onrechtmatigheden en komt het hof derhalve niet toe aan de vraag of eventuele onrechtmatigheden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zouden moeten leiden.
ik wil nog wel opmerken dat de eerste informatieverstrekking door de [ familie 1] spontaan en niet op vragen van de Belastingdienst plaatsvond. Zij deden dit ter onderbouwing van het bezwaar tegen de reeds opgelegde aanslagen. Ze brachten toen een stapel met daarin een grotendeels soortgelijk pakketje per subject waaronder leningsovereenkomsten.’
NJ2021, 169, m.nt. Jörg). Uit de uitvoerige overwegingen van het hof blijkt naar mijn idee dat verschillende pogingen zijn ondernomen om eventuele lacunes in de dossiervorming te verhelpen, terwijl het hof de vraag of er uiteindelijk daadwerkelijk stukken hebben ontbroken in het midden heeft gelaten. De bij de verdediging levende overtuiging dat de stukken niet compleet zouden zijn vindt haar oorsprong in hoofdzaak in het feit dat de verdediging in eerste aanleg inzage zou hebben gekregen in enkele tientallen dozen waarvan een gedeelte, volgens de verdediging, in appel niet meer vindbaar bleek. Welke stukken in deze fase precies ontbraken is door de verdediging volgens het hof onvoldoende gesubstantieerd. Dat het hof dit aan de verdediging heeft tegengeworpen acht ik niet onbegrijpelijk. Uiteraard kan niet van de verdediging gevergd worden dat alle ter inzage aangeboden stukken haar, ook jaren later, nog gedetailleerd voor de geest staan. Maar indien sprake zou zijn van aanknopingspunten die een schending van art. 6 EVRM Pro in beeld zouden brengen zou, naar het mij voorkomt, van de verdediging wel een in enige mate nader toegelicht verzoek mogen worden verwacht waarin wordt ingegaan op de aard en/of globale inhoud van de vermeendelijk ontbrekende stukken alsmede de aard van de (dreigende) schending van art. 6 EVRM Pro. Voor wat betreft de klacht dat sprake zou zijn van ontoelaatbare gegevensuitwisseling (de vierde deelklacht) geldt dat, zo al sprake zou zijn van enig vormverzuim, mij niet duidelijk wordt op welke manier dit zou resulteren in een met bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid te sanctioneren schending van het recht op een eerlijk proces. Dat sprake zou zijn van een schending van art. 8 EVRM Pro en langs die weg besloten zou moeten worden tot bewijsuitsluiting is mij evenmin gebleken en, voor zover ik kan zien, ter zitting in hoger beroep ook niet aangevoerd.
tweede middelheeft betrekking op het onder 1 tenlastegelegde. Het bevat de klacht dat het hof in de bewezenverklaring een gedraging heeft opgenomen waarvan het de verdachte blijkens de bewijsoverwegingen heeft willen vrijspreken, waardoor het arrest op dit punt innerlijk tegenstrijdig is.
3.5:2 [h-straat 1] te [plaats]
3.5.3 [d-straat 1] te [plaats]
3.9 Witwassen geldbedragen (tenlastegelegd bij alle verdachten)
aanvullende middelheeft betrekking op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch. Het bevat de klacht dat – nu ook in de onderhavige zaak één of meerdere raadsheren niet op de door de wet voorgeschreven wijze beëdigd is/zijn – sprake zou zijn van een fundamenteel gebrek dat tot nietigheid zou moeten leiden.