Conclusie
Voor een volledige behandeling van de aanvullende vragen, mede op basis van schriftelijke opmerkingen van de partij(en) en van eventuele derden, zie ik geen grond. De aanvullende vragen geven geen aanleiding te veronderstellen dat de prejudiciële beslissing in de praktijk (onvoorziene) effecten sorteert die het nodig maken dat de Hoge Raad zich reeds thans opnieuw over bepaalde aspecten van de problematiek zou moeten gaan beraden. Ook de gepubliceerde rechtspraak waarin de prejudiciële beslissing wordt toegepast, geeft daarvoor geen aanleiding. [3] Ik licht een en ander hierna toe.
a) vóór het sluiten van de overeenkomst op voldoende duidelijke en begrijpelijke wijze alle in art. 6:230m BW bedoelde informatie (voor zover van toepassing) heeft verstrekt (zoals is voorgeschreven in de art. 6:230m en 6:230v leden 1, 2 en 4 BW); en/of
b) uiterlijk bij levering alle in art. 6:230m BW bedoelde informatie (voor zover van toepassing) op een duurzame gegevensdrager heeft bevestigd (zoals is voorgeschreven in art. 6:230v lid 7 BW); en/of
c) zijn elektronische bestelproces zo heeft ingericht dat de consument een aanbod pas kan aanvaarden als hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt (zoals is voorgeschreven in art. 6:230v lid 3 BW),
en er verder geen feitelijke aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de consument om die reden niet (meer) aan die koopovereenkomst gebonden wil zijn?
II. Indien het antwoord op vraag I onder a en/of I onder b ontkennend luidt, is ambtshalve vernietiging van de koopovereenkomst dan wel aangewezen indien in bepaalde onderdelen van art. 6:230m BW bedoelde informatie niet op de juiste wijze is verstrekt en/of is bevestigd en zo ja, voor welke onderdelen van art. 6:230m BW geldt dat dan?
III. Indien het antwoord op de voorgaande vragen ontkennend is, mag en moet de rechter de koopovereenkomst dan wel ambtshalve vernietigen, indien voldoende aannemelijk is dat de consument door (het ontbreken van juiste) informatie als bedoeld in art. 6:230m BW is misleid en in financiële of praktische zin is benadeeld en daarom niet meer (volledig) aan die overeenkomst gebonden zal willen zijn en zo ja, voor welke onderdelen van art. 6:230m BW geldt dat dan?
IV. Indien ambtshalve tot vernietiging moet worden overgegaan, moet de rechter de koopovereenkomst dan volledig vernietigen of slechts ‘partieel’ door vermindering van de koopprijs?
V. Indien ‘partiële vernietiging’ door vermindering van de koopprijs aangewezen is, op welke wijze moet de rechter dan bepalen welke vermindering passend is?
VI. Indien ambtshalve vernietiging van de koopovereenkomst niet aangewezen is, dient de rechter dan toch nader te onderzoeken of de handelaar de in art. 6:230m BW bedoelde informatie op juiste wijze heeft verstrekt en bevestigd, bijvoorbeeld omdat wanneer dat niet is gebeurd, een andere sanctie moet worden toegepast?
VII. Indien het antwoord op vraag VI bevestigend is, naar welke onderdelen van art. 6:230m BW is nader onderzoek dan geboden en aan welke sanctie moet dan worden gedacht?”
Ambtshalve toetsing en, in het verlengde daarvan, ambtshalve toepassing van sancties, dient plaats te vinden met betrekking tot (i) de informatieplichten waaraan de wet bij niet-naleving ervan specifieke sancties verbindt en (ii) de informatieplichten waaraan extra gewicht toekomt (de essentiële informatieplichten), maar niet ten aanzien van (iii) overige informatieplichten. (rov. 3.1.9)
Uit het bepaalde in artikel 6:193f, aanhef en onder b, BW volgt dat bepaalde informatieplichten extra gewicht hebben en zijn aan te merken als essentiële informatieplichten. Ten aanzien van deze essentiële informatieplichten moet de rechter ambtshalve onderzoeken of uit de stellingen van de handelaar en de overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat daaraan is voldaan op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 6:230v BW. Indien dat niet het geval is, dient de rechter een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie toe te passen. (rov. 3.1.11-3.1.12)
In geval van niet-naleving van een informatieplicht die zowel onder categorie (i) als onder categorie (ii) valt, kan de rechter naast of in plaats van toepassing van de specifieke wettelijke sanctie overgaan tot (verdere) vermindering van de verplichtingen van de consument indien de specifieke wettelijke sanctie in de gegeven omstandigheden niet voldoet aan de eis dat deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend is (rov. 3.1.16).
Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat de handelaar aan de op hem rustende, hiervoor onder (i) en (ii) bedoelde informatieplichten heeft voldaan (rov. 3.1.17). Indien uniforme richtlijnen zijn vastgesteld, kan in een procesreglement worden verlangd dat de eiser zich op voorhand uitlaat over een eventueel door de rechter te treffen sanctie. In dat geval zal in een verstekprocedure het nader horen van de eisende partij over de voorgenomen sanctie achterwege kunnen blijven (rov. 3.1.18).
a) dat de rechter de (koop)overeenkomst alleen (gedeeltelijk) moet vernietigen als duidelijk is dat de gedaagde consument door de niet-naleving van een of meer van die informatieplichten daadwerkelijk vermogensschade heeft geleden, althans die (koop)overeenkomst niet voor dezelfde prijs zou zijn aangegaan indien hij de ontbrekende informatie wel (tijdig) zou hebben gehad?
b) dat het in beginsel aan de gedaagde consument is om te stellen dat daarvan sprake is en dat de rechter alleen ambtshalve nader onderzoek moet verrichten en een prijsvermindering moet en mag toepassen indien de zaak daarvoor voldoende aanknopingspunten biedt?
c) dat een prijsvermindering enkel de nadelige gevolgen die de gedaagde consument heeft geleden moet opheffen en geen afschrikkend, punitief karakter mag hebben?
2. Indien het antwoord op vraag 1. ontkennend is en van de wilsvorming en vermogensschade van de gedaagde consument moet worden geabstraheerd, wanneer is dan sprake van een voldoende ernstige schending van essentiële informatieplichten die ambtshalve moet worden gesanctioneerd met een prijsvermindering; is daarvan alleen sprake als voldoende aannemelijk is dat een gemiddelde consument daardoor vermogensschade lijdt of is dat niet vereist?
3. Indien het feit dat één of meer essentiële informatieplichten zijn geschonden steeds voldoende is om te spreken over een voldoende ernstige schending en ambtshalve een prijsvermindering toe te passen, kan de rechter dan als richtsnoer de berekeningsmethode en percentages aanhouden die in het Sanctiemodel zijn geformuleerd of moet de prijsvermindering meer worden afgestemd op het financiële nadeel dat een gemiddelde consument daardoor lijdt?
4. Indien de prijsvermindering meer moet worden afgestemd op het financiële nadeel dat een gemiddelde consument lijdt, hoe moet de rechter een schending van de essentiële informatieplichten die worden genoemd in artikel 6:193f BW dan 'vertalen' in een passend kortingspercentage of -bedrag? Maakt het daarbij nog uit welke informatie ontbreekt, of deze op enig moment alsnog is verstrekt en wat de hoofdsom (of de koopprijs) is?
5. Moet de niet-naleving van artikel 6:230v lid 3 BW, dat voorschrijft dat de consument er voor het plaatsen van zijn bestelling ondubbelzinnig op moet worden gewezen dat hij een betalingsverplichting aangaat, op dezelfde wijze worden gesanctioneerd als de andere essentiële informatieplichten of moet de rechter in die situatie de (koop)overeenkomst ook in een verstekzaak steeds volledig vernietigen?”
2. Meer dan drie voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieplichten worden gesanctioneerd met een vermindering van 50% van de hoofdsom.”
Vraag 1stelt aan de orde of de in de prejudiciële beslissing bedoelde vernietiging voortaan, net als bij andere oneerlijke handelspraktijken, moet plaatsvinden met toepassing van artikel 6:193j lid 3 BW.
Vraag 2komt erop neer of alleen van een voldoende ernstige schending van een essentiële informatieplicht kan worden gesproken indien voldoende aannemelijk is dat de gemiddelde consument daardoor vermogensschade lijdt.
vraag 2ontkennend moet worden beantwoord. De prejudiciële beslissing bevat geen aanknopingspunten voor de gedachte dat prijsvermindering kan worden opgevat als een vorm van schadevergoeding. Ook uit de aard van de ambtshalve toe te passen sanctie (gedeeltelijke vernietiging in de vorm van bijvoorbeeld prijsvermindering) kan niet worden afgeleid dat aanwezigheid van vermogensschade vereist is.
vraag 2in het algemeen wenst te vernemen wanneer sprake is van een voldoende ernstige schending, leent de vraag zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. [18]
vraag 3ontkennend is, voor zover deze vraag erop is gericht te vernemen of de prijsvermindering (meer) moet worden afgestemd op het financiële nadeel dat een gemiddelde consument daardoor lijdt. [24] Aan
vraag 4, waarin wordt voortgebouwd op dit element van
vraag 3, wordt daarom niet toegekomen.
Vraag 3bevat voor het overige een veronderstelling en een daarop voortbouwende vraag. Ook hierop kan onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing worden gereageerd.
vraag 5aan de Hoge Raad voorleggen omdat niet helemaal duidelijk is of de rechter een (koop)overeenkomst in een verstekzaak wél volledig (en niet slechts gedeeltelijk) moet vernietigen als niet blijkt dat de consument er, zoals artikel 6:230v lid 3 BW voorschrijft, voor het plaatsen van zijn bestelling op is gewezen dat hij een betalingsverplichting aangaat. [27] Onduidelijk is of dit punt in deze zaak speelt. Eiseres zal namelijk blijkens het tussenvonnis van 1 maart 2022 (rov. 2.22) nog de gelegenheid krijgen zich uit te laten over de vraag of het bepaalde in artikel 6:230v lid 3 BW in acht is genomen. Nu dit punt nog niet is opgehelderd, staat niet vast dat beantwoording van deze vraag nodig is om op de vordering te kunnen beslissen (artikel 392 lid Pro 1, aanhef, Rv). De Hoge Raad kan hierin aanleiding vinden deze vraag niet te behandelen.
Deze samenloopregel brengt tot uitdrukking dat de specifieke wettelijke sancties geen exclusief karakter hebben: de rechter heeft de mogelijkheid om naast of in plaats van toepassing van de specifieke wettelijke sanctie over te gaan tot (verdere) vermindering van de verplichtingen van de consument. Men kan dan, met een blik op de tabel in rov. 3.1.20 van de prejudiciële beslissing, in het bijzonder denken aan de specifieke wettelijke sancties die voorzien in de verlenging van de ontbindingstermijn (artikel 6:230o lid 2 BW), het niet aansprakelijk zijn voor een waardevermindering (artikel 6:230s lid 3 BW) of het niet verschuldigd zijn van bepaalde kosten (artikelen 6:230k lid 2, 6:230n lid 3 en 6:230s leden 2 en 5 BW). Waar in rov. 3.1.16 wordt gesproken van een “(verdere) vermindering van de verplichtingen van de consument”, refereert dit aan de vernietiging wegens voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten. Met het oog op de vernietigbaarheid van artikel 6:230v lid 3 BW is een dergelijke regel overbodig.
betalingsverplichting’ als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW als sanctie slechts vermeld ‘
vernietiging overeenkomst (art. 6:230v lid 3)’. Er wordt niet tevens vermeld ‘
eventueel: (gedeeltelijke) vernietiging’.
Dit laatste is wel gebeurd bij twee andere informatieplichten van categorie (i) die kunnen samenvallen [31] met de essentiële informatieplichten van categorie (ii), namelijk bij de ‘afwijkende kosten communicatiemiddel’ als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder f BW en bij het ‘ontbindingsrecht’ van artikel 6:230m lid 1 onder h BW.
Dit laatste is overigens weer niet gebeurd bij een derde informatieplicht van categorie (i) die kan samenvallen met de essentiële informatieplichten van categorie (ii), namelijk bij de ‘bijkomende kosten’ als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder e BW. Mogelijk ligt daaraan ten grondslag dat in de tabel op deze plek niet alleen wordt verwezen naar artikel 6:230m lid 1 onder e BW (een essentiële informatieplicht), maar ook naar artikel 6:230m lid 1 onder i BW (dat niet teven een essentiële informatieplicht is).