De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens het telen van 208 hennepplanten en het stelen van elektriciteit door middel van verbreking. De verdachte betwistte in hoger beroep het aantal planten en stelde dat een andere persoon, aan wie hij zijn woning tijdelijk had onderverhuurd, verantwoordelijk was voor de kwekerij en de illegale stroomaansluiting.
Het hof verwierp dit verweer omdat de verdachte geen concrete gegevens over die andere persoon kon geven en zijn verklaringen over sleutels van de woning inconsistent waren. Bovendien vond het hof de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig en concludeerde dat hij als enige gebruiker van de woning verantwoordelijk was voor de hennepteelt en de stroomdiefstal.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het cassatiemiddel faalt omdat er geen aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van derden en het hof de bewijsmiddelen op juiste wijze heeft gewogen. De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat verdachte de kwekerij heeft opgezet en onderhouden en dat hij de illegale elektriciteitsaansluiting heeft gemanipuleerd en gebruikt.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.