Conclusie
Inleiding
Verzoek en procesgang
III.De bestreden uitspraak
[…]
De middelen en de bespreking daarvan
enkelziet op de (verdere) tenuitvoerlegging van de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf. Noch bij haar oordeel over de reikwijdte van het uitleveringsverzoek, noch bij haar oordeel over de toelaatbaarheid van de uitlevering, heeft de rechtbank de in de schriftuur bedoelde geldboete en proceskostenveroordeling betrokken.
vervolging. Het is van belang daarbij op te merken dat dan wel naar het oordeel van de minister van Justitie en Veiligheid moet zijn gewaarborgd dat de opgeëiste persoon de vrijheidsstraf, zo deze aan hem door de verzoekende staat wordt opgelegd, in Nederland zal mogen ondergaan. [10] Zoals de tekst van art. 4, tweede lid, expliciet tot uitdrukking brengt, is de bevoegdheid tot oordelen hier exclusief in handen van de Minister gelegd. De uitleveringsrechter is daartoe niet bevoegd. [11]
NJ2001/163 worden afgeleid dat naar het oordeel van de Hoge Raad (strafkamer) hetzelfde geldt voor (kort gezegd) de executie-uitlevering. [17]
NJ2022/63, waarin de civiele kamer van de Hoge Raad de betekenis heeft uiteengezet van de Raugevicius-uitspraak van het Hof van Justitie. In dit arrest van de civiele kamer – het betrof een kort geding – wordt onder meer het volgende door de Hoge Raad overwogen (de voetnoot is weggelaten):
NJ2001/163, door mij hierboven in randnummer 21 aangehaald.
NJ2000/491 is aan het bepaalde in art. 28, derde lid, Uw voldaan indien in de uitspraak met voldoende duidelijkheid wordt ‘verwezen naar’ enig stuk dat al dan niet aan de uitspraak is gehecht.
Slotsom