Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
14 juni 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van Turkije aan Nederland voor een Bulgaarse staatsburger die in Nederland verblijft, ter uitvoering van een onherroepelijke gevangenisstraf van 12,5 jaar wegens drugshandel. De opgeëiste persoon betoogde dat op grond van het arrest Raugevicius van het Hof van Justitie EU en de Nederlandse uitleveringswet uitlevering ontoelaatbaar zou zijn omdat hij permanent in Nederland verblijft en als EU-burger gelijk behandeld moet worden als Nederlandse onderdanen.
De rechtbank Rotterdam verwierp dit verweer en oordeelde dat de beslissing over de weigering van uitlevering op grond van artikel 4 Uitleveringswet Pro en artikel 6 EUV Pro door de rechter moet worden genomen. De Hoge Raad corrigeert dit oordeel en stelt dat deze beslissing exclusief aan de minister van Justitie en Veiligheid toekomt, conform eerdere rechtspraak, en dat het arrest Raugevicius hieraan niets verandert.
De Hoge Raad bevestigt dat het arrest Raugevicius geen invloed heeft op de bevoegdheidsverdeling tussen rechter en minister bij uitleveringsverzoeken van EU-burgers naar derde landen. De klacht over de bevoegdheidsverdeling wordt gegrond verklaard, maar leidt niet tot cassatie omdat de minister na onherroepelijke toelaatbaarverklaring alsnog kan beslissen over de uitlevering. Klachten over het permanente verblijf van de opgeëiste persoon behoeven geen bespreking.
Het beroep in cassatie wordt verworpen en het arrest van de rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de minister blijft bevoegd over de weigering van uitlevering.