Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van de rechtbank
4.Beslissing
26 mei 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon van Turkse nationaliteit aan Turkije ter executie van een strafvonnis voor doodslag, twee pogingen tot doodslag en het zonder vergunning dragen van een wapen. De rechtbank Limburg had de uitlevering toelaatbaar verklaard, maar vermeldde in haar beslissing abusievelijk alleen de doodslag als feit.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 28 lid 3 van Pro de Uitleveringswet de rechter in zijn uitspraak alle feiten waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, moet vermelden. De Hoge Raad herstelt daarom het verzuim van de rechtbank en verklaart de uitlevering toelaatbaar voor alle feiten zoals omschreven in het uitleveringsverzoek en het bijgevoegde proces-verbaal.
Het beroep in cassatie van de opgeëiste persoon wordt verder verworpen. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank slechts voor zover deze de uitlevering toelaatbaar verklaarde voor doodslag alleen, en bevestigt de uitlevering voor alle relevante feiten. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 26 mei 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering toelaatbaar voor alle feiten zoals omschreven in het uitleveringsverzoek en herstelt het verzuim van de rechtbank.