ECLI:NL:HR:2001:ZD2232
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.M.M. Orie
- A.J.A. Van Dorst
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid uitleveringsrechter bij beroep op voorbehoud geïntegreerde vreemdeling EUV
In deze zaak betrof het een verzoek tot uitlevering van een persoon met de Griekse nationaliteit aan Duitsland wegens een onherroepelijke veroordeling voor in- en uitvoer van hasj tot een gevangenisstraf van zes jaren. De Rechtbank had de uitlevering toelaatbaar verklaard. De opgeëiste persoon stelde in cassatie dat de uitlevering geweigerd moest worden op grond van een Nederlands voorbehoud bij artikel 6 van Pro het Europees Uitleveringsverdrag (EUV), waarbij in Nederland geïntegreerde vreemdelingen gelijkgesteld worden met Nederlandse onderdanen.
De Hoge Raad overwoog dat de Uitleveringswet geen bepaling bevat die het gebruik van dit voorbehoud verplicht stelt of verbiedt, en dat een beslissing over het weigeren van uitlevering op deze grond niet aan de uitleveringsrechter toekomt, maar aan de Minister van Justitie. Dit oordeel bevestigde de Rechtbank en leidde tot verwerping van het cassatieberoep.
Het arrest benadrukt de scheiding van bevoegdheden tussen rechter en minister bij uitleveringsprocedures en bevestigt dat het Nederlandse voorbehoud bij artikel 6 EUV Pro niet door de rechter kan worden toegepast. Het beroep werd daarom verworpen en de uitlevering bleef toelaatbaar.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de beslissing over het Nederlandse voorbehoud bij artikel 6 EUV aan de Minister van Justitie toekomt, niet aan de uitleveringsrechter.