Conclusie
ten eerstedat het hof “blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, althans de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd”, aangezien het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, heeft geoordeeld dat de verdachte “geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het bij haar aangetroffen geldbedrag”.
Ten tweedekeert een motiveringsklacht zich tegen ’s hofs afwijzing van de voorwaardelijke verzoeken om de zoon en de dochter van de verdachte als getuige te horen. Het middel klaagt
ten derdedat het recht van de verdachte op een eerlijk proces “per saldo” is geschonden, nu de verdachte “a) ten onrechte te veel 'bewijslast' kreeg en/of b) zij in haar ondervragingsrecht met betrekking tot getuigen a decharge te kort is gedaan”.
mededeling van verbalisanten (of één van hen):
Standpunt van de advocaat-generaal
helft van het aangetroffen geldbedrag van haar en haar manis en de
andere helft van haar zoon. Zij wilde het volledige geldbedrag bij haar dochter achterlaten. Vervolgens verklaart zij dat:
totaalbedrag dat de dochter van de verdachte aan haar zou hebben meegegeven - wat er ook zij van de precieze hoogte daarvan - door de dochter van de verdachte is gespaard gelet op het maandinkomen van de dochter: € 337,00 (blz. 82). Voor zover er van uitgegaan kan worden dat de dochter geld in haar huis zou hebben gehad dat zij aan de verdachte meegaf, is het hof bovendien van oordeel dat de verklaring(en) over de herkomst van dit geldbedrag onvoldoende verifieerbaar en controleerbaar is;
2. Standpunt Openbaar Ministerie
NJ2019/298, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad zijn rechtspraak samengevat over het bewijs van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. van het Wetboek van Strafrecht). Deze samenvatting is in HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:691 overgenomen en luidt als volgt:
NJ2019/298, m.nt. Rozemond, HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36 en HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156 vernietigt de Hoge Raad (telkens) de uitspraak van het hof vanwege een ontoereikend gemotiveerde bewezenverklaring van witwassen. In de desbetreffende overwegingen van de Hoge Raad komt naar voren dat de enkele omstandigheid dat de verdachte, ondanks een door hem gedane toezegging, geen stukken ter onderbouwing van zijn verklaring heeft overgelegd, niet volstaat voor het oordeel dat de gegeven verklaring van de verdachte over de legale herkomst niet aan de gestelde eisen van concreetheid, verifieerbaarheid en waarschijnlijkheid voldoet. [2] Wil een dergelijk oordeel over de gegeven verklaring de begrijpelijkheidstoets in cassatie doorstaan, zo versta ik deze drie arresten, dan is vereist dat de rechter uitdrukkelijk ingaat op de verklaring van de verdachte en hij motiveert waarom, in afwijking van het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt, het openbaar ministerie naar die verklaring geen onderzoek behoeft te doen. Voor een toereikende motivering van de rechter is vereist dat daarmee inzichtelijk wordt gemaakt waarom de door de verdachte gegeven verklaring tekortschiet wat betreft de daaraan gestelde eisen van concreetheid, verifieerbaarheid en waarschijnlijkheid. Pas dan zal het mede daarop gebaseerde oordeel dat het – gelet op het gerechtvaardigde witwasvermoeden
aan de ene kanten het ontbreken van een aan de eisen voldoende verklaring van de verdachte
aan de andere kant– niet anders kan zijn dan dat het voorwerp van misdrijf afkomstig is de cassatietoets kunnen doorstaan. Als aan die voorwaarden is voldaan, zal het tenlastegelegde witwassen kunnen worden bewezen ondanks het feit dat op grond van de bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het aan de verdachte te relateren voorwerp en een bepaald grondmisdrijf. [3]
NJ2019/299, m.nt. Rozemond, als in HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137,
NJ2019/350, m.nt. Reijntjes heeft de Hoge Raad de tegen de motivering van het bewezenverklaarde witwassen gerichte klachten verworpen. In beide zaken houdt het oordeel van het hof dat de door de verdachte gegeven verklaring niet valt aan te merken als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring in cassatie stand. In de zaak waarover het arrest van 23 april 2019 gaat, heeft het hof op basis van een kasopstelling een verschil van € 55.000,- tussen de vastgestelde legale inkomsten en de feitelijke uitgaven van de verdachte geconstateerd en geoordeeld dat daarmee een vermoeden van witwassen is gerechtvaardigd. Van de verdachte mocht daarom een verklaring over de legale herkomst van dat geldbedrag worden verwacht. De – eerst in hoger beroep – door de verdachte gegeven verklaring dat hij het geld heeft gespaard toen hij kosteloos bij zijn ouders woonde terwijl hij toen ook een vast inkomen had, acht het hof noch concreet, noch te verifiëren en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Het hof kwalificeert de gegeven verklaring als een enkele, niet of nauwelijks, onderbouwde stelling en verwijst daarbij naar negen feiten en omstandigheden die het in aanmerking neemt bij zijn oordeel dat de verdachte zijn verklaring onvoldoende handen en voeten heeft gegeven en er met die verklaring geen begin van aannemelijkheid van de legale herkomst van het geld is gegeven. De in aanmerking genomen feiten en omstandigheden houden onder meer in dat de verdachte wisselend en weinig concreet over het gespaarde geld heeft verklaard, hij het spaargeld niet bij de Belastingdienst heeft opgegeven, noch in de huwelijkse voorwaarden heeft vermeld, en er ook geen getuigen zijn die ooit het spaargeld van de verdachte hebben gezien. Volgens de Hoge Raad geven de oordelen van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn zij evenmin onbegrijpelijk. In de zaak die leidde tot het arrest van 9 juli 2019 blijkt uit de bewijsvoering van het hof dat in de bewezenverklaarde periode van zes en een half jaar op drie bankrekeningen waarvan de verdachte gebruikmaakt diverse contante stortingen zijn gedaan tot een bedrag van meer dan € 300.000,-. Naar het oordeel van het hof kunnen de inkomsten en het vermogen van de verdachte of zijn echtgenote deze contante stortingen niet verklaren. Aan de bewering van de verdachte, die erop neerkomt dat hij voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode grote geldbedragen heeft verworven die hij of vrienden van hem contant hebben bewaard, heeft hij onvoldoende handen en voeten gegeven. Zijn oordeel luidt dat het niet anders kan zijn dan dat de gestorte geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Dit oordeel is volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk, gezien de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden die inhouden dat,
enerzijds, administratie of documentatie ten aanzien van het geld ontbreekt terwijl de verdachte geen nadere toelichting heeft gegeven met betrekking tot contante geldstromen die tot de geldstortingen hebben geleid en,
anderzijds, uit de fiscale aangiftes van de verdachte en zijn echtgenote naar voren komt dat zij in de bewezenverklaarde periode geen (legaal) vermogen hadden waaruit de contante stortingen kunnen worden verklaard. Tegen die achtergrond heeft het hof, zo begrijp ik het arrest van de Hoge Raad, kunnen oordelen dat het verloop van de contante geldstromen door de verklaring van de verdachte niet inzichtelijk is geworden zodat deze verklaring niet kan worden aangemerkt als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat de gestorte geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. [4]
nietals sterk wisselend en oncontroleerbaar zouden kunnen worden beschouwd, en deze verklaringen ook
nietals strijdig met de door de dochter gegeven verklaringen zijn aan te merken – nog altijd de vraag resteert of de verdachte een aan de geldende eisen beantwoordende verklaring over de
legaleherkomst van het aangetroffen geld heeft gegeven. Met betrekking tot de legale herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag van € 40.735,- is immers slechts aangevoerd dat dit spaargeld van de dochter respectievelijk van de verdachte en haar man zou zijn, terwijl het hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld dat dit hoogst onwaarschijnlijk is, nu het blijkens de bewijsvoering – wederom in cassatie niet bestreden – heeft vastgesteld dat het maandinkomen van de dochter van de verdachte van € 337,- bedraagt en de gezamenlijke uitkering van de verdachte en haar partner niet hoger is dan € 1300,-. [7] Gelet hierop heeft het hof in de bewijsvoering niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat door de verdachte niet concreet, verifieerbaar en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is verklaard dat het aangetroffen contante geld afkomstig is van
uit legale bronnen afkomstigspaargeld. Dat door de verdachte ook is aangevoerd dat een deel van het aangetroffen geld toebehoort aan haar zoon, maakt dit alles niet anders.
eerste deelklachtfaalt.
derde deelklachtfaalt voor zover daarin wordt geklaagd dat het hof door een verschuiving van de bewijslast naar de verdediging de onschuldpresumptie zou hebben geschonden.
2. Standpunt Openbaar Ministerie
Voorwaardelijk verzoek
tweede deelklachttreft derhalve geen doel.
Murtazaliyeva tegen Rusland).
Murtazaliyeva tegen Ruslandgeformuleerde kader door i) in aanmerking te nemen dat het verzoek summier is onderbouwd, ii) met de bewijsvoering tot uitdrukking te brengen dat het horen van de dochter en de zoon niet relevant is voor het op grond van de tenlastelegging te geven oordeel over het witwassen en iii) de relevantie van hun verklaringen in de beoordeling van de noodzaak tot het horen van hen te betrekken en gemotiveerd aan te geven waarom de noodzaak daartoe niet aanwezig is. [11] Nu in de schriftuur niet wordt gesteld dat door de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek de
overall fairness of the proceedingsis ondermijnd, valt, mede gelet op het voorafgaande, niet in te zien dat de nader gemotiveerde afwijzing van het summier onderbouwde verzoek een schending oplevert van het recht van de verdachte op een eerlijk proces. [12] Daaruit volgt dat ook het resterende deel van de
derde deelklachtdoel mist.
Stb.2017/65 en 67)”. Tegen de achtergrond van deze opvatting wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat “iemand pas de Gemeenschap, thans Unie, verlaat in de zin van art. 10:1 lid 4 Adw Pro jo. art. 3 Verordening Pro op het moment dat de landsgrens/het luchtruim tussen/van een lidstaat van de Europese Unie wordt overschreden naar een niet-lidstaat van de Europese Unie”. Aangezien bij de verdachte tijdens de securitycheck op de luchthaven het in de bewezenverklaring bedoelde contante geldbedrag is aangetroffen, was – zo begrijp ik de argumentatie van de stellers van het middel – nog geen sprake van het verlaten van de Gemeenschap, zodat het hof niet het voltooide delict van art. 10:1, vierde en vijfde lid, (oud) Adw had kunnen bewezen verklaren, maar hooguit een poging tot het op die bepaling toegesneden delict dat aan de verdachte is tenlastegelegd.
datstrafbaar is het niet, onvolledig of onjuist doen van de aangifte waartoe iemand op grond van art. 3, eerste lid, Verordening (EG) nr. 1889/2005 is verplicht. Ook wordt in deze bepaling, in verbinding met art. 10:1, vijfde lid, (oud) Adw, het toepasselijke strafmaximum vermeld dat is gesteld op het, mede door een verwijzing naar de in de verordening gedefinieerde aangifteverplichting, in de bepalingen strafbaar gestelde – opzettelijke – gedrag. De verplichting tot het doen van de hier bedoelde aangifte is en blijft daarmee exclusief omschreven in de verordening die rechtstreeks toepasselijk is. [18] Nu de stellers van het middel met de door hen voorgestane interpretatie van het begrip ‘natuurlijke persoon die de Gemeenschap verlaat’ kennelijk betwisten dat de bedoelde verplichting tot het doen van aangifte voor de verdachte (reeds) bestond, is het van belang de tekst van art. 3, eerste lid, Verordening (EG) nr. 1889/2005 nader te bekijken.
voorafgaataan het moment dat de natuurlijke persoon de Gemeenschap door middel van grensoverschrijding daadwerkelijk (feitelijk) verlaat of heeft verlaten. De relatie tussen de verplichting tot aangifte en het door een natuurlijke persoon binnenkomen of verlaten van de Gemeenschap verklaart, denk ik, ook waarom in deze bepaling de werkwoorden ‘binnenkomen’ en ‘verlaten’ – en de vervoegingen daarvan – niet in de verleden tijd zijn gebruikt. [19] Wil de verplichte aangifte bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vertrek praktisch gezien nuttig effect hebben, in die zin dat een natuurlijke persoon die voor meer dan € 10.000,- aan contanten vervoert ook daadwerkelijk bij die autoriteiten de bedoelde aangifte zal (kunnen) doen, dan zal een ‘natuurlijke persoon die de Gemeenschap verlaat’ (uiteraard) reeds verplicht moeten zijn tot het doen van aangifte op een moment dat gelegen is vóór de daadwerkelijke grensoverschrijding met het contante geld.
weltot het in artikel 52 VEU Pro en artikel 355 VWEU Pro omschreven geografische gebied behoort naar een plaats die
niettot dat gebied behoort. Dat het volgens het HvJ EU gaat om de
verplaatsingvan het een naar het ander, biedt steun aan de uitleg dat de daadwerkelijke grensoverschrijding voor het ‘verlaten’ niet doorslaggevend is. De verplaatsing, en zodoende het ‘verlaten’, is klaarblijkelijk breder en omvat naar het mij voorkomt ook het actieve verplaatsende handelen dat voorafgaat aan de daadwerkelijke grensoverschrijding van een plaats binnen naar een plaats buiten de Gemeenschap/Unie. [21] In zoverre pleit het arrest van het HvJ EU in de zaak Dakkak en Intercontinental dus al tégen de door de stellers van het middel voorgestane uitleg van het begrip ‘natuurlijke persoon die de Gemeenschap verlaat’.