Conclusie
adv.: mr. H.J.W. Alt
adv.: mr. K. Aantjes
1.Inleiding
de VVE) en een drietal appartementseigenaren (verweerders in cassatie, hierna:
de eigenaren). De eigenaren stellen zich op het standpunt dat kamergewijze verhuur (aan studenten) op grond van de splitsingsakte niet is toegestaan en hebben een daartoe strekkende verklaring voor recht gevorderd. De VVE meent dat de splitsingsakte zo moet worden uitgelegd dat kamerverhuur wel is toegestaan. Het hof heeft de gevorderde verklaring voor recht toegewezen. In cassatie wordt door de VVE geklaagd dat het hof een onjuiste uitlegmaatstaf heeft toegepast en ten onrechte niet heeft getoetst aan art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM. Ook wordt geklaagd dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend door een tweetal stellingen van de VVE onbesproken te laten.
2.Feiten
de splitsingsakte). [2] Art. 9, tweede lid van de splitsingsakte luidt:
De privé-gedeelten zijn bestemd om door de betreffende eigenaar of de gebruiker met zijn eventuele gezin te worden gebruikt als woning."
MR 1973) [3] en is de VVE opgericht.
Van de bewoningArtikel 18.
OvergangsbepalingArtikel 34.
Bijzondere bepalingenArtikel 35.
3.Procesverloop
ofde eigenaar met zijn eventuele gezin
ofeen gebruiker (huurder) met zijn eventuele gezin. Er is sprake van een zelfstandige woning die als eengezinswoning moet worden gebruikt, wat kamerverhuur aan meerdere gebruikers/huurders uitsluit. Art. 9 lid 2 van Pro de splitsingsakte is niet slechts opgenomen om duidelijk te maken dat de appartementen bestemd zijn om erin te wonen maar ook om vast te leggen dat de appartementen door de eigenaar of gebruiker met zijn/haar eventuele gezin moeten worden gebruikt als woning.
eventuelevolgt dat niet uit te sluiten valt dat naast bewoning door de eigenaar of gebruiker met zijn gezin ook andere vormen van bewoning zijn toegestaan. Indien het (objectief bezien) de bedoeling was geweest om kamerverhuur uit te sluiten dan zou die wezenlijke beperking van het eigendomsrecht uitdrukkelijk in de splitsingsakte moeten zijn opgenomen. De gebruikte bepaling is volgens de VVE niet voldoende expliciet om daarin een verbod op kamerverhuur te lezen.
4.Juridisch kader
bestemmingmoeten worden gebruikt. [20] In de akte komen bestemmingen als ‘woning’ en ‘bedrijfsruimte’, maar ook ‘tuin’, ‘parkeerplaats’ en ‘recreatieruimte’ voor. Er bestaat in dit verband onder meer rechtspraak over de vraag of kamergewijze verhuur onder de bestemming ‘woning’, ‘woonruimte’ of ‘bewoning’ valt. [21]
bevoegdheid tot ingebruikgeving, in het bijzonder verhuur, in het splitsingsreglement worden beperkt, bijvoorbeeld door haar te verbinden aan criteria, voorschriften en voorwaarden (huurdersverklaring, borgstelling, toestemming van de vergadering van eigenaars). [22] Verder kan een verbod tot bepaalde vormen van verhuur worden opgenomen, bijvoorbeeld een verbod op pension- of kamerverhuur. [23] In de literatuur en feitenrechtspraak wordt ook een algeheel verhuurverbod toelaatbaar geacht. [24]
notariële leverings- en vestigingsakten betreffende registergoedereneen objectieve maatstaf, inhoudende dat het aankomt op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. [28] [29]
splitsingsstukken– zoals de splitsingsakte en het daarvan deel uitmakende splitsingsreglement – de volgende uitgangspunten [33] :
- bij de uitleg komt het aan op de in die stukken tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene(n) die tot vaststelling van die stukken is (zijn) overgegaan, welke bedoeling moet worden afgeleid uit de daarin gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud daarvan;
- de rechtszekerheid vergt dat bij de uitleg slechts acht mag worden geslagen op gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven splitsingsstukken kenbaar zijn [34] ;
- indien de ingeschreven splitsingsstukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn, dient de rechter vast te stellen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is. [35]
5.Bespreking van het cassatiemiddel
nrs. 2.1.1-2.1.5), waarna de verschillende klachten worden geformuleerd in de subonderdelen 2.1-Ia t/m 2.1-IIIb.
beperkingen op het gebruik van privégedeelten alleen zijntoegelatenals zij klip en klaar uit de splitsingsakte of het reglement van splitsing blijken”.
een relevante beperking omtrent het gebruik van het appartement in heldere bewoordingen in de splitsingsakte (of het splitsingsreglement) moet zijnvastgelegd.” De rechtbank heeft dus niet geoordeeld dat het klip en klaar moet zijn dat beperkingen van het gebruik zijn
toegelaten.Dit impliceert immers dat die beperkingen wel zouden zijn overeengekomen, maar niet kunnen worden geëffectueerd omdat die onvoldoende kenbaar zijn. In casu is gesteld noch gebleken dat die beperkingen destijds zijn overeengekomen, aldus de klacht.
subonderdeel 2.1-Ia(procesinleiding p. 8, laatste alinea, en p. 9 bovenaan)
voortsde klacht moet worden gelezen dat het hof
in rov. 7.2heeft miskend dat een uitleg op basis van louter uit de splitsingsstukken kenbare omstandigheden uitsluitend kan worden bereikt indien een relevante beperking omtrent het gebruik in heldere bewoordingen in die stukken is vastgelegd [38] , berust deze klacht op een verkeerde lezing van het arrest. In rov. 7.2 geeft het hof immers geen oordeel over het door de VVE bepleite (en door de rechtbank overgenomen) gezichtspunt, maar geeft het uitsluitend de standpunten van partijen weer. De klacht faalt.
subonderdelen 2.1-Ib1 t/m 2.1-Ib5(p.i., p. 9-11) en
subonderdeel 2.1-II(p.i., p. 14).
(primaire) rechtsklachtstrekt in de kern tot betoog dat het hof in de bestreden overwegingen miskent dat een verbod om het appartement op een bepaalde manier te gebruiken in (voldoende) heldere bewoordingen uit de splitsingsakte moet blijken. Anders dan het hof overweegt, moet er juist wel ‘klip en klaar’ uit een splitsingsakte blijken of iets verboden is of niet. Dit is volgens de klacht het geval bij (i) een expliciet verbod, dan wel (ii) het gebruik van zodanige bewoordingen dat zonder meer en zonder enige twijfel (duidelijk) is dat een bepaald gebruik niet is toegestaan (
subonderdelen 2.1-Ib1 en 2.1-Ib2, alsmede 2.1-II). Het middel verwijst daarvoor naar het in de procesinleiding onder 2.1.1 t/m 2.1.5 weergegeven “Juridisch kader inzake de uitleg van akten en overeenkomsten met derdenwerking”, waaruit zou volgen dat, naar het hof heeft miskend, die uitleg niet zover kan gaan dat iets in de tekst van de akte wordt ‘ingelezen’ dat er niet in voldoende heldere bewoordingen staat en waarop derden bij raadpleging van de openbare registers niet beducht hoeven te zijn (
subonderdeel 2.1-Ib5).
- dat uit de vaststelling dat de uitleg van de VVE erop neerkomt dat art. 9 lid 2 van Pro de splitsingsakte niet méér inhoudt dan dat het appartement moet worden gebruikt voor ‘bewoning’ in wat voor vorm dan ook, niet is af te leiden dat er daarnaast nog verdere verboden van toepassing zijn (
subonderdeel 2.1-Ib3);
- dat het door het hof van belang geachte onderscheid tussen ‘gebruiker met zijn eventuele gezin’ en ‘gebruiker
smet hun eventuele gezinn
en’ onvoldoende is omdat daaruit niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat kamergewijze verhuur niet zou zijn toegestaan (
subonderdeel 2.1-Ib2);
- dat uit het feit dat er ten tijde van de splitsing in 1978 in de akte is opgenomen dat bewoning door een gebruiker ‘eventueel met gezin’ mag plaatsvinden, niet zonder meer volgt dat geen andere vormen van bewoning zijn toegestaan zoals kamergewijze verhuur (aan studenten), getuige ook het oordeel van het hof dat wel mag worden verhuurd aan een woongroep (
subonderdeel 2.1-Ib4).
letterlijkverboden moet zijn (rov. 7.2, slot), en geeft vervolgens een uitleg naar objectieve maatstaven aan de bewoordingen van de bestemmingsbepaling.
strengere(“meer objectiverende” [41] ) maatstaf wordt afgeleid uit:
(a) het gegeven dat het bij een gebruiksbeperking gaat om een uitzondering op de hoofdregel van art. 5:120 BW Pro (p.i., nr. 2.1.1), en
(b) de ‘strenge randvoorwaarden’ voor de uitleg van een splitsingsakte als vervat in de rechtspraak van uw Raad (p.i., nr. 2.1.2 (slot) - 2.1.5; s.t., nr. 2.9).
rechtsklachtberust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt.
(subsidiaire) motiveringsklachtenfalen reeds in het voetspoor van de rechtsklacht waarop zij voortbouwen.
subonderdeel 2-1cheeft het hof miskend dat de appartementseigendom in beginsel de bevoegdheid meebrengt om in elke vorm te verhuren en dat indien in de splitsingsstukken niet een beperking op verhuur is opgenomen, ervan dient te worden uitgegaan dat verhuur in elke vorm mogelijk is.
EP) oplevert. Het hof heeft dit miskend en daarmee onvoldoende rechtsbescherming gegeven om het recht vervat in art. 1 EP Pro te beschermen zoals door het EHRM is vereist. Omdat de bepaling horizontale werking heeft, was het hof gehouden deze (gemotiveerd) in zijn oordeel te betrekken. Door dit na te laten gaat het hof in zijn oordeel uit van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel. [43]
lawfullness, general interest, fair balanceen proportionaliteit, waarbij de verdragsstaat een ruime
margin of appreciationwordt gegund. [45]
inbreukop het eigendomsrecht in de zin van art. 1 EP Pro oplevert. Aldus ziet de klacht eraan voorbij dat het appartementsrecht een bijzondere vorm van mede-eigendom inhoudt, waarvan de grenzen onder meer worden bepaald door de wettelijke regeling van art. 5:120 lid 1 jo Pro. 5:112 lid 4 BW. Deze regeling kan meebrengen dat bepaalde vormen van gebruik en ingebruikgeving uitgesloten zijn. Het oordeel van het hof komt er nu juist op neer dat blijkens art. 9 lid 2 van Pro de splitsingsakte het appartementsrecht aldus begrensd is dat het een bevoegdheid tot kamergewijze verhuur
niet inhoudt. Er is dan geen sprake van inmenging. [47]
ambtshalve(gemotiveerd) in zijn oordeel had moeten betrekken, faalt deze klacht eveneens. Ik licht dat als volgt toe.
indirectehorizontale werking toekent aan EVRM-bepalingen, waaronder art. 1 EP Pro (zoals in de in het middel genoemde zaak
Sovtransavto/Oekraïne) [51] , en dat het zich zelfs binnen enge grenzen bevoegd acht de vraag te beantwoorden of de nationale rechter een rechtshandeling correct heeft uitgelegd (de genoemde zaak
Pla/Andorra) [52] maakt dit niet anders. [53] Overigens lijkt het EHRM op dit punt inmiddels meer terughoudendheid te betrachten. [54]
subonderdelen 2-Ic2 en 2-Ic3berusten op de lezing dat het hof art. 1 EP Pro wel heeft toegepast en klagen dat het hof dat onjuist dan wel niet kenbaar juist heeft gedaan.
subonderdelen 2.1-1b tot en met 2.1-II(p.i., p. 9-14) falen.
Subonderdeel 2.1-IIIbgaat uit van de lezing dat het hof – al dan niet impliciet – van oordeel is dat deze uitkomst het meest aannemelijk is en klaagt dat dat oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is, nu die uitleg indruist tegen de – onweersproken [56] – stelling dat die verhuur aan studenten al 30-40 jaar plaatsvindt en daaromtrent in 1995 en 1996 is bevestigd dat dit is toegestaan mits daarvoor een vergunning van de gemeente wordt aangevraagd en verkregen. De twee subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Er staat niet”)aan meerdere gebruikers met hun eventuele gezinnen. Hierop stuiten beide subonderdelen af.
Belang:32. Volstrekt onduidelijk is welk belang [de eigenaren] bij onderhavige procedure [hebben]. Nooit is gebleken dat [de eigenaren] overlast of anderszins hinder ondervind[en] van de kamerverhuur. Het is zelfs zo dat eiser [sub 3], toen hij nog voorzitter van het bestuur was, heeft aangegeven geen overlast van de kamerverhuur te ondervinden maar dat het voor hem een principekwestie betreft. Welk belang [de eigenaren] [hebben] bij een verbod op kamerverhuur, behalve dat het zou gaan om een ‘principe’ is daarom volstrekt onduidelijk. Door de VvE wordt dan ook betwist dat [de eigenaren] een gerechtvaardigd belang bij onderhavige procedure [hebben] en de VvE beroept zich daartoe op art. 3:303 BW Pro. Dat betekent dat de vorderingen van [de eigenaren] voor afwijzing gereed liggen.”
subonderdeel 2.3a). Indien het het hof dit beroep stilzwijgend heeft verworpen, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus
subonderdeel 2.3b.
procesinleiding, p. 15, laatste twee volzinnen, nog een aparte voortbouwklacht moet worden gelezen, faalt deze in het voetspoor van de onderdelen waarop zij voortbouwt.