Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte omschrijving zaak
2.Feiten en procesverloop
heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.
(i) alle door het Openbaar Ministerie in beslag genomen vermogensbestanddelen op te eisen en te gelde te maken;
(ii) onderzoek te doen naar de al dan niet legale herkomst van het vermogen van de erflater; (iii) ook het vermogen dat een niet legale herkomst heeft te gelde te maken;
(iv) alle opbrengsten op de specifiek voor deze vereffening geopende boedelrekening te stellen;
(v) de opbrengst van het niet legale deel van het vermogen af te dragen aan de Staat; en
(vi) het legale vermogen dat fiscaal niet is verantwoord, via de uitdelingslijst uit te keren aan de batig gerangschikte schuldeisers van de nalatenschap. [2]
- het tegenverzoek van [verweerder] alsnog af te wijzen en de vereffening van de nalatenschap overeenkomstig de voordracht van de rechter-commissaris alsnog op te heffen;
- bij afwijzing van dit verzoek, tussentijds cassatieberoep open te stellen; en
- [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties. [10]
- Bijlage 1: voorlopige boedelbeschrijving van 28 maart 2018 + een overzicht beheerrekening [verweerder] [001] ;
- Bijlage 2: rekening en verantwoording verklaring van de vereffenaar van 11 juni 2020 met bijgevoegd een overzicht van alle mutaties op de boedelrekening (rekeningafschriften van Rabobank rekening [001] );
- Bijlage 3: een controle overzicht van salariscomponenten en kosten en een urenspecificatie;
- Bijlage 4: e-mailcorrespondentie van de vereffenaar met de advocaat-generaal met het verzoek om een bedrag van €100.000,-- in escrow te plaatsen, welk verzoek is gehonoreerd. [13]
- de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd;
- in aanvulling daarop bepaald dat de vereffenaar aan [verweerder] een kopie dient te verschaffen van de hiervoor onder 2.19 omschreven bijlage 3 en bijlage 4 [14] ;
- de kosten van de procedure gecompenseerd aldus dat ieder zijn eigen kosten draagt;
- bepaald dat van deze beschikking tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld;
- het meer of anders verzochte afgewezen; en
- de zaak verwezen naar de rechter in eerste aanleg om op de hoofdzaak te worden beslist.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De vereffenaar heeft met betrekking tot onderdeel C van het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot referte en voor het overige tot verwerping. [16]
3.Behandeling van het principale en incidentele cassatiemiddel
- opsporen van de erfgenamen indien niet alle erfgenamen bekend zijn of daaromtrent onzekerheid bestaat; dit opsporen geschiedt door oproepingen in veel gelezen dagbladen of door andere doelmatige middelen (art. 4:225 lid 1 BW Pro);
- met bekwame spoed een onderhandse of notariële boedelbeschrijving opmaken of doen opmaken, waarin de schulden der nalatenschap in de vorm van een voorlopige staat zijn opgenomen. De vereffenaar moet deze ten kantore van de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter griffie van de rechtbank neerleggen, ter inzage van de erfgenamen en de schuldeisers der nalatenschap; andere schuldeisers van een erfgenaam, ook indien deze de nalatenschap verworpen heeft, kunnen tot inzage gemachtigd worden door de kantonrechter (art. 4:211 lid 3 BW Pro);
- aanwijzen van een boedelnotaris (art. 4:211 lid 5 BW Pro);
- openlijk oproepen van de schuldeisers van de nalatenschap, zo dit nog niet is geschied, om hun vorderingen vóór een door de kantonrechter bepaalde datum bij de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, bij de vereffenaar in te dienen (art. 4:214 lid 1 BW Pro);
- oproepen van de hem bekende schuldeisers der nalatenschap per brief. Is het adres van een schuldeiser der nalatenschap onbekend gebleven, dan deelt de vereffenaar dit mee aan de kantonrechter (art. 4:214 lid 2 BW Pro);
- neerleggen van de lijst van erkende en betwiste vorderingen en aanspraken op voorrang ter inzage van de erfgenamen, legatarissen en allen die zich als schuldeiser hebben aangemeld en ieder van hen in kennis stellen van deze neerlegging (art. 4:214 lid 5 BW Pro);
- te gelde maken van boedelgoederen (art. 4:215 BW Pro);
- voldoen aan de wettelijke verplichtingen van art. 4:218 leden Pro 1 en 2 BW. Kort gezegd komen deze verplichtingen erop neer dat de vereffenaar binnen zes maanden nadat de voor het indienen van vorderingen gestelde tijd is verstreken, een rekening en verantwoording benevens een uitdelingslijst ten kantore van de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter griffie van de rechtbank ter kennisneming van een ieder neerlegt. Deze neerlegging moet door de vereffenaar op dezelfde wijze openlijk bekend gemaakt worden als de oproep tot aanmelding van vorderingen en bovendien per brief aan de erfgenamen, de legatarissen en allen die zich als schuldeiser hebben aangemeld (art. 4:218 lid 2 BW Pro);
- doen van uitkeringen na het verbindend worden van de uitdelingslijst (art. 4:220 BW Pro); en
- afgeven van het overschot – na de voltooiing van de vereffening – aan de erfgenamen of de Staat (art. 4:226 BW Pro).
Daarnaast worden de in de art. 4:211 lid 3 BW Pro (boedelbeschrijving), 4:214 lid 5 BW (de lijst van de door de vereffenaar erkende en betwiste vorderingen en aanspraken op voorrang) en 4:218 lid 1 BW (rekening en verantwoording en uitdelingslijst) bedoelde stukken, zo een boedelnotaris ontbreekt, ter griffie van de rechtbank neergelegd.
Verder geldt dat indien een rechter-commissaris is benoemd, deze bevoegd is ter opheldering van alle omstandigheden, de vereffening betreffende, getuigen en deskundigen te horen op dezelfde wijze als voor een rechter-commissaris in geval van faillissement is bepaald (art. 4:210 lid 2 BW Pro). [25]
Op een daartoe strekkend verzoek moet de verzoeker worden gehoord of behoorlijk opgeroepen, alsmede voor zover zij bestaan en bekend zijn, de erfgenamen, de vereffenaar en de boedelnotaris (zie de tweede volzin van art. 4:209 lid 1 BW Pro).
Indien een rechter-commissaris is benoemd, komt de bevoegdheid tot opheffing, op voordracht van de rechter-commissaris, toe aan de rechtbank (derde volzin van art. 4:209 lid 1 BW Pro).
Volgens de wetsgeschiedenis zijn de bijzonderheden van deze regeling ontleend aan die van de art. 16-18 Fw met betrekking tot, kort gezegd, de kosteloze behandeling van het faillissement, respectievelijk de opheffing van het faillissement. [28]
(…)
voor zover uit de wet niet anders voortvloeit,[A-G: onderstreping hof] deze titel (dat wil zeggen titel 3 van Boek 1 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) van toepassing is op alle zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid, alsmede op zaken waarin de rechter ambtshalve een beschikking geeft. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat met een verzoekschrift worden ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit. Boek 1, Titel 3 Rv is ingevolge artikel 362 Rv Pro in beginsel ook van toepassing in hoger beroep.
4.4.4 Het hof volgt de vereffenaar niet in dit standpunt. Op een verzoek ex artikel 4:209 BW Pro zijn, anders dan de vereffenaar meent, de voorschriften van Boek 1, Titel 3 Rv van toepassing. Het gegeven dat bijzonderheden van de opheffing van de vereffening zijn ontleend aan de opheffing van een faillissement (artikel 16 Fw Pro) leidt niet tot een andersluidend oordeel en maakt niet dat het bepaalde in artikel 362 lid 2 Fw Pro in dezen van (overeenkomstige) toepassing is. Volgens de bedoeling van de wetgever zijn de bepalingen van de Faillissementswet uitsluitend van overeenkomstige toepassing op de vereffening in de gevallen dat de wet dit uitdrukkelijk bepaalt. Tot de bepalingen van afdeling 4.6.3 van Boek 4 BW waarin de bepalingen van de Faillissementswet voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard, horen bijvoorbeeld artikel 4:217 en Pro artikel 4:218 lid 5 BW Pro, maar niet artikel 4:209 BW Pro. Aanknopingspunten voor een lezing als de vereffenaar voorstaat zijn onvoldoende gesteld of gebleken en niet te lezen in artikel 4:209 BW Pro of elders in Boek 4 BW.
Dat de bepalingen 4:209 BW en 16 FW wat betreft het procesrecht niet op één lijn zijn te stellen, wordt ondersteund door de artikelen 676a en 676b Rv. Daarin is geregeld voor welke bepalingen in Boek 4 BW alleen cassatie openstaat of een andere beroepstermijn geldt bij procedures betreffende een nalatenschap waarin een beschikking wordt gegeven. In deze artikelen is hoger beroep van een beslissing op grond van artikel 4:209 BW Pro niet uitgesloten en is ook geen kortere termijn van hoger beroep bepaald, terwijl voor artikel 16 Fw Pro wel een aparte regeling is getroffen in artikel 18 jo Pro artikel 9 Fw Pro.
Overigens wordt in de faillissementspraktijk de soep niet zo heet gegeten als deze wordt opgediend. In de rechtspraak worden bepalingen uit het genoemde Boek 1, derde titel, Rv met regelmaat (analoog) toegepast [30] en wordt in procedures ingevolge de Faillissementswet aan het beginsel van hoor en wederhoor neergelegd in artikel 19 lid 1 Rv Pro en in artikel 6 EVRM Pro (en uitgewerkt in artikel 290 Rv Pro) een steeds groter gewicht toegekend. [31]
Met de keuze om de onder 2.11 [32] genoemde bijlagen in het geding te brengen, heeft de vereffenaar respectievelijk de rechter-commissaris bewerkstelligd dat deze bijlagen ter kennis van [verweerder] moeten worden gebracht.Voor een belangenafweging zoals de, vereffenaar opwerpt, is in deze procedure dan ook geen plaats. Voor zover het bezwaar van de vereffenaar daarin is gelegen dat [verweerder] deze stukken publiekelijk zal gebruiken om de vereffenaar ‘te kijk te zetten’ of voor laster, ligt het op de weg van de vereffenaar daarvoor die middelen in te zetten die het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarvoor biedt, zoals bijvoorbeeld een vordering tot een gebod of verbod in kort geding en/of het verzoek om toepassing van het bepaalde in de artikelen 27 en 28 Rv. Al hetgeen de vereffenaar in dit kader verder naar voren heeft gebracht, doet niet af aan het bovenstaande. In het bijzonder overweegt het hof in dit verband dat,
anders dan de vereffenaar meent, aan de beslissing van de rechter-commissaris van 12 maart 2020 waarbij het verzoek van [verweerder] om de vereffenaar te gelasten hem nadere inlichtingen te verschaffen, geen gezag van gewijsde toekomt, nu dat verzoek tegen een andere achtergrond is gedaan en toen is afgewezen bij gebrek aan belang. De conclusie is dat de grief van de vereffenaar faalt en die van [verweerder] Slaagt.”
(i) de vereffenaar heeft op 11 juni 2020 een verzoek met de bijlagen 1 tot en met 4 aan de rechter-commissaris gestuurd;
(ii)
daarnaheeft de rechter-commissaris het verzoek van de vereffenaar op 30 juli 2020 voorgedragen aan de rechtbank. In deze voordracht [33] staat, voor zover van belang, dat “de vereffenaar [thans] opheffing wenst van de vereffening ex artikel 4:209 lid 2 BW Pro. Voor de onderbouwing van dit verzoek verwijs ik naar zijn brief van 11 juni 2020 en de aanvullende e-mail van 20 juli 2020”;
(iii) zoals door het hof is vastgesteld, waren bij deze voordracht géén bijlagen gevoegd (zie rov. 2.13 van de bestreden beschikking).
(1) de voorliggende vraag is of [verweerder] recht heeft op de in de procedure tot opheffing van de vereffening op de voet van art. 4:209 BW Pro bij de rechtbank overgelegde stukken en zo ja, welke (rov. 4.1);
(2) die vraag moet worden beoordeeld aan de hand van art. 290 lid 1 Rv Pro, waarin is bepaald dat iedere belanghebbende recht heeft op inzage in en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal (rov. 4.4.5);
(3) art. 290 lid 1 Rv Pro is een uitwerking van het recht op hoor en wederhoor, dat is neergelegd in art. 6 EVRM Pro en art. 19 lid 1 Rv Pro, en dat mede als grondslag heeft het vertrouwen dat rechtzoekenden moeten kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak. Bij het recht op hoor en wederhoor is van belang dat het niet aan de rechter, maar in beginsel aan partijen is om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie (eveneens rov. 4.4.5).
De klachten van onderdeel 1 stuiten op het voorgaande af.
Naar de letter uitgelegd, zou de wettekst zo kunnen worden opgevat dat het verzoek van de vereffenaar aan de kantonrechter om de vereffening op te heffen, van een ‘doorgeefluik’ wordt voorzien indien een rechter-commissaris is benoemd en dientengevolge de bevoegdheid tot opheffing in plaats van aan de kantonrechter toekomt aan de rechtbank. In die visie blijft het verzoek van de vereffenaar de inleiding tot de uiteindelijke beslissing van de rechtbank, die middels de voordracht van de rechter-commissaris aan de rechtbank wordt overgebracht.
Uit de overgelegde processtukken kan dienaangaande het volgende worden gedestilleerd.
in reactie op een brief van de rechter-commissaris van 19 november 2019.
M.i. doelt het hof hierop met zijn oordeel dat het eerdere verzoek van [verweerder] tegen een andere achtergrond is gedaan. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
De klachten van onderdeel 2 stuiten hierop af.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Deze klacht faalt reeds op de grond dat [verweerder] het hof in zijn incidentele hoger beroep zélf heeft verzocht om te bepalen dat “de vereffenaar aan [verweerder] de bijlagen bij de brief van 11 juni 2020 dient te verschaffen, alsmede de in die brief van 11 juni 2020 genoemde correspondentie met de belastingdienst, alsmede de e-mail van de vereffenaar aan de R-C van 20 juli 2020” [42] .
Overigens is het inderdaad praktisch dat het hof ook met betrekking tot bijlage 3 en bijlage 4 heeft beslist dat deze door de vereffenaar aan [verweerder] worden verstrekt, nu door het ontbreken van een incidentele grief tegen de beschikking van de rechtbank om de bijlagen 1 en 2 door de vereffenaar te laten verstrekken, de vereffenaar toch al deze twee bijlagen aan [verweerder] ter hand moet stellen.
In zijn arrest van 19 november 2012 [43] heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat het beginsel van hoor en wederhoor (zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM Pro en neergelegd in art. 19 Rv Pro) het recht van partijen omvat om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken. Daarbij is het in beginsel niet van belang of — en zo ja, in welke mate — gegevens en bescheiden waarvan partijen geen kennis hebben genomen, al dan niet nieuwe feiten of argumenten behelzen dan wel daadwerkelijk van invloed zijn (geweest) op de beslissing van de rechter. Gelet op voormeld uitgangspunt is het immers niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad formuleert vervolgens een uitzondering in de slotzin van rov. 3.2.3:
bekrachtigden in aanvulling daarop onder meer bepaald dat de vereffenaar aan [verweerder] bijlage 3 en bijlage 4 dient te verstrekken. In de beschikking waarvan beroep had de rechtbank al bepaald dat de vereffenaar bijlage 2 aan [verweerder] dient te verstrekken.
Het verzoek van [verweerder] betreffende stukken die niet in de procedure zijn overgelegd, valt niet onder het bepaalde in artikel 290 Rv Pro of artikel 6 EVRM Pro en zal worden afgewezen.”
5.Conclusie
- in het principale cassatieberoep tot verwerping;
- in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021 en tot afdoening als onder 4.13 voorgesteld, en voor het overige tot verwerping.