ECLI:NL:PHR:2022:1140

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2022
Publicatiedatum
5 december 2022
Zaaknummer
22/00680
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:209 BWArt. 4:202 BWArt. 4:203 BWArt. 4:204 BWArt. 4:205 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op inzage in stukken bij opheffing vereffening nalatenschap met criminele herkomst

Deze zaak betreft de vraag of een erfgenaam recht heeft op inzage in de stukken die in de procedure tot opheffing van de vereffening van een nalatenschap bij de rechtbank zijn overgelegd. De nalatenschap betreft een erflater die criminele activiteiten heeft verricht, waardoor de nalatenschap geheel aan de Staat is afgedragen. De vereffenaar heeft bij de rechtbank verzocht om de vereffening op te heffen wegens geringe baten, en verweerder, een erfgenaam die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, vordert inzage in de bijlagen bij dit verzoek en andere correspondentie.

De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de vereffenaar en de rechter-commissaris met het inbrengen van de stukken in het geding hebben bewerkstelligd dat deze ter kennis van verweerder moeten worden gebracht. De Hoge Raad bevestigt dat op verzoeken tot opheffing van de vereffening de procesrechtelijke voorschriften van Boek 1, Titel 3 Rv van toepassing zijn, waaronder het recht op hoor en wederhoor en het recht op inzage in stukken (art. 290 Rv Pro). Vertrouwelijke communicatie tussen vereffenaar en rechter-commissaris kan niet zonder meer worden afgeschermd.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het gezag van gewijsde van een eerdere beslissing waarbij verweerder geen recht op bepaalde inlichtingen werd toegekend, niet aan de orde is omdat het huidige verzoek op een andere grondslag is gebaseerd. De Hoge Raad vernietigt de beschikking voor zover verweerder recht krijgt op inzage in een e-mail van de vereffenaar aan de rechter-commissaris van 20 juli 2020, en bekrachtigt het overige.

De procedurekosten worden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. Het cassatieberoep van de vereffenaar wordt verworpen, het incidentele cassatieberoep van verweerder gedeeltelijk toegewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vereffenaar wordt verworpen en het incidentele cassatieberoep van verweerder gedeeltelijk toegewezen door inzage in een e-mail te gelasten.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00680
Zitting2 december 2022
CONCLUSIE
E.M. Wesseling-van Gent
In de zaak
[de vereffenaar]
tegen
[verweerder]

1.Aanduiding procespartijen en korte omschrijving zaak

1.1
Verzoeker tot cassatie wordt hierna aangeduid als: de vereffenaar en verweerder in cassatie als: [verweerder] .
1.2
Deze zaak gaat in de kern over de vraag of [verweerder] recht heeft op de in de procedure tot opheffing van de vereffening van een nalatenschap bij de rechtbank overgelegde stukken, en zo ja, welke stukken. Het hof heeft deze vraag beantwoord aan de hand van art. 290 Rv Pro en geoordeeld dat met de keuze om bepaalde bijlagen in het geding te brengen de vereffenaar respectievelijk de rechter-commissaris heeft bewerkstelligd dat deze bijlagen ter kennis van [verweerder] moeten worden gebracht. Dit oordeel wordt in het principale cassatieberoep door de vereffenaar bestreden evenals de afwijzing van het beroep van de vereffenaar op het gezag van gewijsde van een door de rechter-commissaris gegeven beslissing in de vereffeningsprocedure. In het incidentele cassatieberoep wordt onder andere opgekomen tegen het oordeel van het hof dat [verweerder] geen recht heeft op een e-mail van de vereffenaar aan de rechter-commissaris.

2.Feiten en procesverloop

Feiten [1]
2.1
Op 10 december 2016 is overleden [de erflater] (hierna: de erflater). Met uitzondering van [verweerder] hebben zijn erfgenamen de nalatenschap van erflater (hierna: de nalatenschap) verworpen.
heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.
2.2
De rechtbank Noord-Holland heeft bij beschikking van 28 december 2017 mr. [de vereffenaar] benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap en mr. J.J. Dijk tot rechter-commissaris (hierna: de rechter-commissaris).
2.3
De erflater is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld wegens onder meer witwassen. Hij was bestuurder van de besloten vennootschap Givolo B.V. Nadat Givolo B.V. failliet was verklaard, is de erflater aansprakelijk gesteld voor een boedeltekort van 13 miljoen euro. Deze schuld van 13 miljoen euro behoort tot de nalatenschap, naast een schuld van 2,8 miljoen euro aan de belastingdienst.
2.4
De rechter-commissaris heeft de vereffenaar, op diens verzoek, bij beschikking van 22 februari 2018 opgedragen:
(i) alle door het Openbaar Ministerie in beslag genomen vermogensbestanddelen op te eisen en te gelde te maken;
(ii) onderzoek te doen naar de al dan niet legale herkomst van het vermogen van de erflater; (iii) ook het vermogen dat een niet legale herkomst heeft te gelde te maken;
(iv) alle opbrengsten op de specifiek voor deze vereffening geopende boedelrekening te stellen;
(v) de opbrengst van het niet legale deel van het vermogen af te dragen aan de Staat; en
(vi) het legale vermogen dat fiscaal niet is verantwoord, via de uitdelingslijst uit te keren aan de batig gerangschikte schuldeisers van de nalatenschap. [2]
2.5
Bij brief van 12 maart 2020 heeft de rechter-commissaris de volgende verzoeken van [verweerder] afgewezen: (a) om de vereffenaar te verbieden het boedelsaldo aan de Staat af te dragen; (b) om de vereffenaar opdracht te geven alsnog aangifte te doen bij de belastingdienst; en (c) om de vereffenaar op te dragen nadere inlichtingen te verschaffen in reactie op een brief van de rechter-commissaris van 19 november 2019.
2.6
Op 5 augustus 2020 heeft de vereffenaar het vermogen van de nalatenschap, met inachtneming van de afspraken met de advocaat-generaal I.E.W. Gonzales, Ressortsparket, Arnhem-Leeuwarden, afgedragen aan de Staat.
Procesverloop [3]
2.7
Bij brief van 11 juni 2020 met bijlagen heeft de vereffenaar de rechter-commissaris verzocht te bewerkstelligen dat de vereffening op de voet van art. 4:209 BW Pro wordt opgeheven. Aan dit verzoek heeft de vereffenaar ten grondslag gelegd dat de gehele nalatenschap van de erflater een criminele herkomst heeft en dus in zijn geheel aan de Staat moet worden afgedragen. [4] Volgens de vereffenaar zijn het vereffeningsmechanisme en de openbare verantwoording door middel van een te deponeren boedelbeschrijving en rekening en verantwoording met uitdelingslijst, die ten doel hebben crediteuren van de nalatenschap in wiens belang de vereffening plaatsvindt te informeren en op die verantwoording controle uit te kunnen oefenen, hier niet aan de orde omdat er niets meer resteert voor de gezamenlijke crediteuren. [5]
2.8
De rechter-commissaris heeft het verzoek van de vereffenaar op 30 juli 2020 voorgedragen aan de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem. In deze voordracht is onder meer opgenomen dat de vereffenaar tot de conclusie is gekomen dat de gehele nalatenschap een criminele herkomst heeft en dat hij deze daarom zal afdragen aan de Staat (dit is op 5 augustus 2020 gebeurd, zie hiervoor onder 2.6). Tevens is in de voordracht opgenomen dat de rechter-commissaris bij brief van 12 maart 2020 het hiervoor onder 2.5 onder (a) genoemde verzoek van [verweerder] heeft afgewezen. [6]
2.9
De advocaat van [verweerder] heeft bij faxbrief van 14 september 2020 aan de rechter-commissaris medegedeeld dat [verweerder] op het verzoek van de vereffenaar wenst te worden gehoord en dat hij de vier in het verzoek van de vereffenaar genoemde bijlagen wenst te ontvangen, alsmede de brief van de fiscus aan de vereffenaar waarin de fiscus bevestigt in te stemmen met afdracht van het gehele boedelsaldo aan de Staat. [7]
2.1
De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 22 september 2020 mondeling behandeld. Bij die gelegenheid is namens [verweerder] verzocht om overlegging van onder meer de als bijlagen bij het verzoek van de vereffenaar gevoegde stukken. [8]
2.11
Vervolgens heeft de rechtbank, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, bij beschikking van 28 oktober 2020 bepaald dat de vereffenaar binnen twee weken na de datum van de beschikking, uiterlijk 11 november 2020, de als bijlage 1 en 2 bij zijn verzoek van 11 juni 2020 gevoegde ‘voorlopige boedelbeschrijving d.d. 28-03-2018’ en ‘de rekening en verantwoording’ van 11 juni 2020, aan de advocaat van [verweerder] overlegt.
2.12
Bij brief van 4 november 2020 heeft de rechter-commissaris de vereffenaar de aanwijzing gegeven om, voor zover nodig, de rechtbank te verzoeken tussentijds hoger beroep open te stellen van de beschikking van 28 oktober 2020. [9]
2.13
Bij beschikking van 1 december 2020 heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep opengesteld van de beschikking van 28 oktober 2020, voor zover de rechtbank daarin heeft beslist dat de vereffenaar de stukken zoals genoemd in het dictum van die beschikking aan de advocaat van [verweerder] dient te verstrekken.
2.14
De vereffenaar is, onder aanvoering van één grief, van de beschikking van 28 oktober 2020 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Hij heeft hierbij verzocht, met vernietiging van de bestreden beschikking, om:
- het tegenverzoek van [verweerder] alsnog af te wijzen en de vereffening van de nalatenschap overeenkomstig de voordracht van de rechter-commissaris alsnog op te heffen;
- bij afwijzing van dit verzoek, tussentijds cassatieberoep open te stellen; en
- [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties. [10]
2.15
[verweerder] heeft de grief bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld, eveneens onder aanvoering van één grief. Hij heeft daarbij het hof verzocht de vereffenaar te verplichten hem alle bijlagen (nrs. 2 t/m 4) bij de brief van 11 juni 2020 te geven, alsmede de in de brief van 11 juni 2020 genoemde correspondentie met de belastingdienst en de e-mail van de vereffenaar aan de rechter-commissaris van 20 juli 2020. Verder heeft hij de vereffenaar verzocht de vereffenaar te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. [11]
2.16
De vereffenaar heeft de incidentele grief bestreden.
2.17
Het hof heeft de zaak ter zitting van 29 juli 2021 in aanwezigheid van de vereffenaar en [verweerder] en hun beider advocaten behandeld. Van deze mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.18
Het hof heeft na de mondelinge behandeling ambtshalve bij brief van 31 augustus 2020 aan de griffier van de rechtbank verzocht om, samengevat, puntsgewijs te laten weten welke bijlagen bij het verzoek van de vereffenaar aan de rechter-commissaris waren gevoegd en welke bijlagen bij de voordracht van de rechter-commissaris waren gevoegd. [12]
2.19
Blijkens bericht van de rechtbank bevatte de voordracht van de rechter-commissaris geen bijlagen en was het verzoek van de vereffenaar aan de rechter-commissaris van de volgende bijlagen voorzien:
- Bijlage 1: voorlopige boedelbeschrijving van 28 maart 2018 + een overzicht beheerrekening [verweerder] [001] ;
- Bijlage 2: rekening en verantwoording verklaring van de vereffenaar van 11 juni 2020 met bijgevoegd een overzicht van alle mutaties op de boedelrekening (rekeningafschriften van Rabobank rekening [001] );
- Bijlage 3: een controle overzicht van salariscomponenten en kosten en een urenspecificatie;
- Bijlage 4: e-mailcorrespondentie van de vereffenaar met de advocaat-generaal met het verzoek om een bedrag van €100.000,-- in escrow te plaatsen, welk verzoek is gehonoreerd. [13]
2.2
Bij beschikking van 7 december 2021 heeft het hof, zakelijk weergegeven,:
- de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd;
- in aanvulling daarop bepaald dat de vereffenaar aan [verweerder] een kopie dient te verschaffen van de hiervoor onder 2.19 omschreven bijlage 3 en bijlage 4 [14] ;
- de kosten van de procedure gecompenseerd aldus dat ieder zijn eigen kosten draagt;
- bepaald dat van deze beschikking tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld;
- het meer of anders verzochte afgewezen; en
- de zaak verwezen naar de rechter in eerste aanleg om op de hoofdzaak te worden beslist.
2.21
De vereffenaar heeft van deze beschikking (hierna: de bestreden beschikking) tijdig [15] cassatieberoep ingesteld.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De vereffenaar heeft met betrekking tot onderdeel C van het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot referte en voor het overige tot verwerping. [16]

3.Behandeling van het principale en incidentele cassatiemiddel

3.1
Voordat ik de klachten van het principale en het incidentele middel zal behandelen, maak ik enkele inleidende opmerkingen over de vereffeningsprocedure van afdeling 4.6.3 BW (art. 4:202-4:226 BW) en over de opheffing van de vereffening (art. 4:209 BW Pro). [17]
Inleiding: de vereffening van een nalatenschap
3.2
In het kader van de afwikkeling van een nalatenschap zal een nalatenschap moeten worden vereffend en verdeeld. In de vereffeningsfase staat het beheren van de goederen van de nalatenschap en het voldoen van de schulden van de nalatenschap in beginsel voorop. [18]
3.3
Vereffening kan worden onderscheiden in de wettelijke (of formele) vereffening en de buitenwettelijke (of informele) vereffening. In art. 4:202 lid 1 BW Pro is bepaald in welke gevallen een nalatenschap wettelijk, dat wil zeggen overeenkomstig de in afdeling 4.6.3 BW gegeven voorschriften dient te worden vereffend. Dit is onder meer het geval wanneer de rechtbank een vereffenaar heeft benoemd.
Taak vereffenaar
3.4
De vereffening van nalatenschappen is in algemene zin gericht op een ordelijke, geconcentreerde liquidatie van de nalatenschap ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Een vereffenaar heeft tot taak de nalatenschap als goed vereffenaar te beheren en te vereffenen, aldus art. 4:211 lid 1 BW Pro. [19]
3.5
In deze zaak gaat het om een zgn. ‘zware’ vereffening van een nalatenschap. [20] Onder een ‘zware’ vereffening wordt veelal verstaan de vereffening waarbij een door de rechtbank benoemde vereffenaar optreedt (zie art. 4:203–4:205 BW). Naast de algemene taak om de nalatenschap als een ‘goed vereffenaar’ te beheren en te vereffenen (art. 4:211 lid 1 BW Pro) zal de vereffenaar in geval van een ‘zware’ vereffening de nalatenschap moet vereffenen volgens de - 'zware' - wettelijke regeling. Deze ‘zware’ wettelijke regeling bevat, samengevat, de volgende taken: [21] - op de voorgeschreven wijze bekendmaken door de vereffenaar van zijn benoeming (art. 4:206 lid 6 BW Pro);
- opsporen van de erfgenamen indien niet alle erfgenamen bekend zijn of daaromtrent onzekerheid bestaat; dit opsporen geschiedt door oproepingen in veel gelezen dagbladen of door andere doelmatige middelen (art. 4:225 lid 1 BW Pro);
- met bekwame spoed een onderhandse of notariële boedelbeschrijving opmaken of doen opmaken, waarin de schulden der nalatenschap in de vorm van een voorlopige staat zijn opgenomen. De vereffenaar moet deze ten kantore van de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter griffie van de rechtbank neerleggen, ter inzage van de erfgenamen en de schuldeisers der nalatenschap; andere schuldeisers van een erfgenaam, ook indien deze de nalatenschap verworpen heeft, kunnen tot inzage gemachtigd worden door de kantonrechter (art. 4:211 lid 3 BW Pro);
- aanwijzen van een boedelnotaris (art. 4:211 lid 5 BW Pro);
- openlijk oproepen van de schuldeisers van de nalatenschap, zo dit nog niet is geschied, om hun vorderingen vóór een door de kantonrechter bepaalde datum bij de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, bij de vereffenaar in te dienen (art. 4:214 lid 1 BW Pro);
- oproepen van de hem bekende schuldeisers der nalatenschap per brief. Is het adres van een schuldeiser der nalatenschap onbekend gebleven, dan deelt de vereffenaar dit mee aan de kantonrechter (art. 4:214 lid 2 BW Pro);
- neerleggen van de lijst van erkende en betwiste vorderingen en aanspraken op voorrang ter inzage van de erfgenamen, legatarissen en allen die zich als schuldeiser hebben aangemeld en ieder van hen in kennis stellen van deze neerlegging (art. 4:214 lid 5 BW Pro);
- te gelde maken van boedelgoederen (art. 4:215 BW Pro);
- voldoen aan de wettelijke verplichtingen van art. 4:218 leden Pro 1 en 2 BW. Kort gezegd komen deze verplichtingen erop neer dat de vereffenaar binnen zes maanden nadat de voor het indienen van vorderingen gestelde tijd is verstreken, een rekening en verantwoording benevens een uitdelingslijst ten kantore van de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter griffie van de rechtbank ter kennisneming van een ieder neerlegt. Deze neerlegging moet door de vereffenaar op dezelfde wijze openlijk bekend gemaakt worden als de oproep tot aanmelding van vorderingen en bovendien per brief aan de erfgenamen, de legatarissen en allen die zich als schuldeiser hebben aangemeld (art. 4:218 lid 2 BW Pro);
- doen van uitkeringen na het verbindend worden van de uitdelingslijst (art. 4:220 BW Pro); en
- afgeven van het overschot – na de voltooiing van de vereffening – aan de erfgenamen of de Staat (art. 4:226 BW Pro).
(Gevolgen van) benoeming van een rechter-commissaris
3.6
De ‘zware’ vereffening kan ingevolge art. 4:208 lid 1 BW Pro worden ‘verzwaard’ in die zin dat de rechtbank bij de benoeming van een vereffenaar of bij een latere beschikking [22] een van haar leden tot rechter-commissaris benoemt. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid. [23] De wetgever heeft met betrekking tot deze mogelijkheid de volgende toelichting gegeven: [24]
“Aan deze figuur zal in het bijzonder behoefte kunnen bestaan bij gevallen van vereffening die vergelijkbaar zijn met faillissement van de nalatenschap; men bedenke hierbij dat de artikelen 198-202 F. [faillissement van een nalatenschap; toev. A-G] zullen worden geschrapt (…), zodat ook in geval van een insolvente nalatenschap de afwikkeling zal plaatsvinden op de wijze in afdeling [4.6.3.] bepaald, zulks tenzij de erflater zelf reeds failliet was verklaard.”
3.7
Indien een rechter-commissaris is benoemd, worden ingevolge het tweede lid van art. 4:208 BW Pro de overeenkomstig afdeling 4.6.3 BW aan de kantonrechter toekomende taken en bevoegdheden door de rechter-commissaris uitgeoefend, tenzij de wet anders bepaalt.
Daarnaast worden de in de art. 4:211 lid 3 BW Pro (boedelbeschrijving), 4:214 lid 5 BW (de lijst van de door de vereffenaar erkende en betwiste vorderingen en aanspraken op voorrang) en 4:218 lid 1 BW (rekening en verantwoording en uitdelingslijst) bedoelde stukken, zo een boedelnotaris ontbreekt, ter griffie van de rechtbank neergelegd.
Verder geldt dat indien een rechter-commissaris is benoemd, deze bevoegd is ter opheldering van alle omstandigheden, de vereffening betreffende, getuigen en deskundigen te horen op dezelfde wijze als voor een rechter-commissaris in geval van faillissement is bepaald (art. 4:210 lid 2 BW Pro). [25]
3.8
Op grond van art. 4:210 lid 1 BW Pro dienen vereffenaars aan de kantonrechter (of op de voet van art. 4:208 lid 2 onder Pro a BW aan de rechter-commissaris) alle door deze gewenste inlichtingen te verschaffen en zijn zij verplicht diens aanwijzingen bij de vereffening te volgen. Volgens Schols [26] kan de kantonrechter [27] op deze manier ‘meekijken’ of de vereffenaar wel als een ‘goed vereffenaar’ beheert en vereffent.
Opheffing van de vereffening
3.9
Art. 4:209 BW Pro bevat de mogelijkheid om de vereffening op te heffen. Het eerste lid bepaalt in de eerste volzin, voor zover thans van belang, dat de kantonrechter op verzoek van de vereffenaar of een belanghebbende de opheffing van de vereffening kan bevelen indien de geringe waarde der baten van een nalatenschap daartoe aanleiding geeft.
Op een daartoe strekkend verzoek moet de verzoeker worden gehoord of behoorlijk opgeroepen, alsmede voor zover zij bestaan en bekend zijn, de erfgenamen, de vereffenaar en de boedelnotaris (zie de tweede volzin van art. 4:209 lid 1 BW Pro).
Indien een rechter-commissaris is benoemd, komt de bevoegdheid tot opheffing, op voordracht van de rechter-commissaris, toe aan de rechtbank (derde volzin van art. 4:209 lid 1 BW Pro).
Volgens de wetsgeschiedenis zijn de bijzonderheden van deze regeling ontleend aan die van de art. 16-18 Fw met betrekking tot, kort gezegd, de kosteloze behandeling van het faillissement, respectievelijk de opheffing van het faillissement. [28]
3.1
Opheffing van de vereffening van een nalatenschap is, aldus de Hoge Raad, aangewezen indien tijdens de (al dan niet kosteloze) vereffening blijkt dat in de boedel geen (te realiseren) actief aanwezig is of dit actief in geen geval toereikend zal zijn om de kosten van de vereffening te dragen. Door de opheffing wordt de vereffening beëindigd. In geval van opheffing wordt de boedel niet afgewikkeld met inachtneming van de voorschriften van afdeling 4.6.3 BW. [29]
Behandeling principale cassatiemiddel
3.11
Het principale middel, dat uit twee onderdelen met verschillende klachten bestaat, is gericht tegen de door mij gecursiveerde passages in rov. 4.4.5. Ik citeer voor de leesbaarheid het laatste gedeelte van rov. 4.1, rov. 4.4.1-4.4.4 en de gehele rov. 4.4.5:
“4.1 (…) Het geschil tussen de vereffenaar en [verweerder] draait - kort gezegd - om het antwoord op de vraag of [verweerder] recht heeft op de in de procedure tot opheffing van de vereffening op de voet van artikel 4:209 BW Pro bij de rechtbank overgelegde stukken en, zo ja, welke.
(…)
4.4.1
Voor de beantwoording van de opgeworpen vraag is het volgende van belang. Ingevolge artikel 4:209 lid 1 BW Pro kan de kantonrechter, indien de geringe waarde van de baten van een nalatenschap daartoe aanleiding geeft, op verzoek van de vereffenaar of een belanghebbende, hetzij de kosteloze vereffening van de nalatenschap, hetzij de opheffing van de vereffening bevelen. Op een verzoek tot opheffing wordt de verzoeker gehoord of behoorlijk opgeroepen, alsmede voor zover zij bestaan en bekend zijn, de erfgenamen, de vereffenaar en de boedelnotaris. Indien een rechter-commissaris is benoemd, komt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid, op voordracht van de rechter-commissaris, toe aan de rechtbank.
4.4.2
De procedure tot opheffing van de vereffening wordt in beginsel ingeleid met een verzoek en om die reden in beginsel met een verzoekschrift. Voor verzoekschriften is in artikel 261 lid 1 Rv Pro bepaald dat
voor zover uit de wet niet anders voortvloeit,[A-G: onderstreping hof] deze titel (dat wil zeggen titel 3 van Boek 1 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) van toepassing is op alle zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid, alsmede op zaken waarin de rechter ambtshalve een beschikking geeft. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat met een verzoekschrift worden ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit. Boek 1, Titel 3 Rv is ingevolge artikel 362 Rv Pro in beginsel ook van toepassing in hoger beroep.
4.4.3
Uit artikel 362 lid 2 Faillissementswet Pro (FW) volgt dat Boek 1, Titel 3 Rv niet van toepassing is op verzoeken ingevolge de Faillissementswet (uitgezonderd de artikelen 262 en 269 Rv in bepaalde gevallen). De reden hiervoor was dat het insolventieprocesrecht als te afwijkend werd gezien. Het hof begrijpt dat de vereffenaar zich hierop beroept met zijn stelling dat in deze zaak tot opheffing van de vereffening andere regels gelden en dat afhankelijk van de soort zaak die voorligt rekening kan worden gehouden met andere belangen, dat [verweerder] alleen recht heeft op stukken die hij nodig heeft om op grond van artikel 4:209 BW Pro zijn standpunt te kunnen bepalen, dat een vereffenaar vertrouwelijk met de rechter commissaris moet kunnen communiceren en dat in navolging van de regels in het faillissementsrecht de communicatie tussen de vereffenaar en de rechter-commissaris vertrouwelijk en niet openbaar is.
4.4.4 Het hof volgt de vereffenaar niet in dit standpunt. Op een verzoek ex artikel 4:209 BW Pro zijn, anders dan de vereffenaar meent, de voorschriften van Boek 1, Titel 3 Rv van toepassing. Het gegeven dat bijzonderheden van de opheffing van de vereffening zijn ontleend aan de opheffing van een faillissement (artikel 16 Fw Pro) leidt niet tot een andersluidend oordeel en maakt niet dat het bepaalde in artikel 362 lid 2 Fw Pro in dezen van (overeenkomstige) toepassing is. Volgens de bedoeling van de wetgever zijn de bepalingen van de Faillissementswet uitsluitend van overeenkomstige toepassing op de vereffening in de gevallen dat de wet dit uitdrukkelijk bepaalt. Tot de bepalingen van afdeling 4.6.3 van Boek 4 BW waarin de bepalingen van de Faillissementswet voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard, horen bijvoorbeeld artikel 4:217 en Pro artikel 4:218 lid 5 BW Pro, maar niet artikel 4:209 BW Pro. Aanknopingspunten voor een lezing als de vereffenaar voorstaat zijn onvoldoende gesteld of gebleken en niet te lezen in artikel 4:209 BW Pro of elders in Boek 4 BW.
Dat de bepalingen 4:209 BW en 16 FW wat betreft het procesrecht niet op één lijn zijn te stellen, wordt ondersteund door de artikelen 676a en 676b Rv. Daarin is geregeld voor welke bepalingen in Boek 4 BW alleen cassatie openstaat of een andere beroepstermijn geldt bij procedures betreffende een nalatenschap waarin een beschikking wordt gegeven. In deze artikelen is hoger beroep van een beslissing op grond van artikel 4:209 BW Pro niet uitgesloten en is ook geen kortere termijn van hoger beroep bepaald, terwijl voor artikel 16 Fw Pro wel een aparte regeling is getroffen in artikel 18 jo Pro artikel 9 Fw Pro.
Overigens wordt in de faillissementspraktijk de soep niet zo heet gegeten als deze wordt opgediend. In de rechtspraak worden bepalingen uit het genoemde Boek 1, derde titel, Rv met regelmaat (analoog) toegepast [30] en wordt in procedures ingevolge de Faillissementswet aan het beginsel van hoor en wederhoor neergelegd in artikel 19 lid 1 Rv Pro en in artikel 6 EVRM Pro (en uitgewerkt in artikel 290 Rv Pro) een steeds groter gewicht toegekend. [31]
4.4.5
Het hof is dan ook van oordeel dat de nu voorliggende vraag of en zo ja in hoeverre [verweerder] recht heeft op de overgelegde stukken, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 290 lid 1 Rv Pro. Daarin is bepaald dat iedere belanghebbende recht heeft op inzage in en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal. De achterliggende gedachte is dat de rechter slechts beslist aan de hand van stukken ter kennisneming waarvan en uitlating waarover partijen voldoende gelegenheid is gegeven. Deze gedachte is een uitwerking van het gewaarborgde recht op hoor en wederhoor, dat is neergelegd in artikel 6 EVRM Pro en artikel 19 lid 1 Rv Pro en dat mede als grondslag heeft het vertrouwen dat rechtzoekenden moeten kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak. Bij het recht op hoor en wederhoor is van belang dat het niet aan de rechter, maar in beginsel aan partijen is om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie.
Met de keuze om de onder 2.11 [32] genoemde bijlagen in het geding te brengen, heeft de vereffenaar respectievelijk de rechter-commissaris bewerkstelligd dat deze bijlagen ter kennis van [verweerder] moeten worden gebracht.Voor een belangenafweging zoals de, vereffenaar opwerpt, is in deze procedure dan ook geen plaats. Voor zover het bezwaar van de vereffenaar daarin is gelegen dat [verweerder] deze stukken publiekelijk zal gebruiken om de vereffenaar ‘te kijk te zetten’ of voor laster, ligt het op de weg van de vereffenaar daarvoor die middelen in te zetten die het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarvoor biedt, zoals bijvoorbeeld een vordering tot een gebod of verbod in kort geding en/of het verzoek om toepassing van het bepaalde in de artikelen 27 en 28 Rv. Al hetgeen de vereffenaar in dit kader verder naar voren heeft gebracht, doet niet af aan het bovenstaande. In het bijzonder overweegt het hof in dit verband dat,
anders dan de vereffenaar meent, aan de beslissing van de rechter-commissaris van 12 maart 2020 waarbij het verzoek van [verweerder] om de vereffenaar te gelasten hem nadere inlichtingen te verschaffen, geen gezag van gewijsde toekomt, nu dat verzoek tegen een andere achtergrond is gedaan en toen is afgewezen bij gebrek aan belang. De conclusie is dat de grief van de vereffenaar faalt en die van [verweerder] Slaagt.”
3.12
Onderdeel 1bestaat uit drie alinea’s met klachten tegen de passage:
“Met de keuze om de onder 2.1[3] genoemde bijlagen in het geding te brengen, heeft de vereffenaar respectievelijk de rechter-commissaris bewerkstelligd dat deze bijlagen ter kennis van [verweerder] moeten worden gebracht.”
De eerste alinea houdt, zakelijk weergegeven, de klacht in dat de bestreden zinsnede onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd aangezien de rechter-commissaris niet heeft bewerkstelligd dat de bijlagen in het geding zijn gebracht. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof in rov. 2.13 van zijn beschikking heeft vastgesteld dat, volgens het ambtshalve door het hof verzochte bericht van de rechtbank, bij de voordracht van de rechter-commissaris geen bijlagen waren gevoegd, en dat de in rov. 2.13 opgesomde bijlagen alleen bij het verzoek van de vereffenaar aan de rechter-commissaris hoorden. Bij die stand van zaken kan volgens het subonderdeel niet worden gezegd dat de rechter-commissaris heeft bewerkstelligd dat de bijlagen in het geding zijn gebracht, zodat het oordeel van het hof in zoverre onbegrijpelijk is gemotiveerd.
3.13
Volgens de klacht in de tweede alinea heeft ook de vereffenaar niet bewerkstelligd dat de bijlagen in het geding zijn gebracht. Het onderhavige geding is, aldus de klacht, (pas) aangevangen met de voordracht van de rechter-commissaris aan de rechtbank, waarbij alléén de brief van de vereffenaar van 11 juni 2020 zónder de bijlagen was gevoegd. Daarmee zijn die bijlagen dus geen gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechtbank te worden betrokken. In zoverre is het oordeel van het hof rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk, aldus nog steeds de klacht.
3.14
In de derde alinea wordt aangevoerd dat het voorgaande “althans (eens temeer)” geldt nu de vereffenaar in de paragrafen 30 t/m 32 van zijn beroepschrift van 6 december 2020 ook stellingen van deze strekking heeft betrokken en het hof daarop niet (op begrijpelijke wijze) heeft gerespondeerd. Indien en voor zover het hof met (delen van) de rov. 4.4.1 t/m 4.4.5 op die stellingen heeft gereageerd, wordt geklaagd dat het hof is uitgegaan van een onbegrijpelijke uitleg van die stellingen, nu zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom de gewraakte bijlagen zouden hebben te gelden als in het geding te zijn gebracht.
Feitelijke gang van zaken en enkele onbestreden oordelen
3.15
Bij de gezamenlijke behandeling van de verschillende klachten van onderdeel 1 betrek ik allereerst de volgende gang van zaken:
(i) de vereffenaar heeft op 11 juni 2020 een verzoek met de bijlagen 1 tot en met 4 aan de rechter-commissaris gestuurd;
(ii)
daarnaheeft de rechter-commissaris het verzoek van de vereffenaar op 30 juli 2020 voorgedragen aan de rechtbank. In deze voordracht [33] staat, voor zover van belang, dat “de vereffenaar [thans] opheffing wenst van de vereffening ex artikel 4:209 lid 2 BW Pro. Voor de onderbouwing van dit verzoek verwijs ik naar zijn brief van 11 juni 2020 en de aanvullende e-mail van 20 juli 2020”;
(iii) zoals door het hof is vastgesteld, waren bij deze voordracht géén bijlagen gevoegd (zie rov. 2.13 van de bestreden beschikking).
3.16
Daarnaast heeft het hof, in cassatie onbestreden, onder meer het volgende geoordeeld:
(1) de voorliggende vraag is of [verweerder] recht heeft op de in de procedure tot opheffing van de vereffening op de voet van art. 4:209 BW Pro bij de rechtbank overgelegde stukken en zo ja, welke (rov. 4.1);
(2) die vraag moet worden beoordeeld aan de hand van art. 290 lid 1 Rv Pro, waarin is bepaald dat iedere belanghebbende recht heeft op inzage in en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal (rov. 4.4.5);
(3) art. 290 lid 1 Rv Pro is een uitwerking van het recht op hoor en wederhoor, dat is neergelegd in art. 6 EVRM Pro en art. 19 lid 1 Rv Pro, en dat mede als grondslag heeft het vertrouwen dat rechtzoekenden moeten kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak. Bij het recht op hoor en wederhoor is van belang dat het niet aan de rechter, maar in beginsel aan partijen is om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie (eveneens rov. 4.4.5).
3.17
Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken blijkt dat de rechter-commissaris de voordracht heeft gemotiveerd door te verwijzen naar de brief van 11 juni 2020. [34] De bijlagen 1 tot en met 4 horen bij die brief. Het oordeel van het hof dat de bijlagen ‘in het geding zijn gebracht’ door de vereffenaar respectievelijk de rechter-commissaris geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Art. 290 lid 1 Rv Pro voorkomt dat de rechter beslissingen baseert op bescheiden die aan belanghebbenden onbekend zijn. [35] Het gaat daarbij om ‘op de op de zaak betrekking hebbende bescheiden’, en dat kunnen ook door derden aan de rechter verstrekte gegevens zijn. [36] Het is bovendien, zoals het hof terecht en in cassatie onbestreden heeft overwogen, niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of gegevens of bescheiden nopen tot een reactie.
De klachten van onderdeel 1 stuiten op het voorgaande af.
3.18
Terzijde stip ik naar aanleiding van de tweede klacht kort de verhouding tussen het verzoek van de vereffenaar en de voordracht van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 4: 209 lid 1 BW aan.
3.19
In de parlementaire behandeling van (de voorloper van) art. 4:209 BW Pro is geen verdere uitleg gegeven aan de verhouding tussen verzoek en voordracht als bedoeld in het eerste lid.
Naar de letter uitgelegd, zou de wettekst zo kunnen worden opgevat dat het verzoek van de vereffenaar aan de kantonrechter om de vereffening op te heffen, van een ‘doorgeefluik’ wordt voorzien indien een rechter-commissaris is benoemd en dientengevolge de bevoegdheid tot opheffing in plaats van aan de kantonrechter toekomt aan de rechtbank. In die visie blijft het verzoek van de vereffenaar de inleiding tot de uiteindelijke beslissing van de rechtbank, die middels de voordracht van de rechter-commissaris aan de rechtbank wordt overgebracht.
3.2
Anderzijds kan worden betoogd dat het verzoek van de vereffenaar (aan de kantonrechter) wordt vervangen door de voordracht van de rechter-commissaris (aan de rechtbank). Dit betoog zou kunnen worden gegrond op een beschikking van 10 januari 2014 [37] in het kader van de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen, waarin de Hoge Raad over de positie van de rechter-commissaris in een faillissement het volgende heeft geoordeeld:
“Het cassatieberoep is mede ingesteld door de rechter-commissaris. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. De rechter-commissaris is op grond van art. 64 Fw Pro als rechter belast met het toezicht op het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Weliswaar kan de rechtbank op zijn voordracht bevelen dat de gefailleerde op de voet van art. 87 Fw Pro in verzekerde bewaring wordt gesteld - zoals in dit geval is gebeurd -, maar ook bij die voordracht treedt de rechter-commissaris op in zijn hoedanigheid van rechter en uit hoofde van zijn wettelijke taak. De rechter-commissaris kan daarom niet worden aangemerkt als een verzoeker of belanghebbende die het recht toekomt een rechtsmiddel aan te wenden tegen de op zijn voordracht gegeven beschikking van de rechtbank.”
3.21
Nu, anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt, het hof in het midden heeft gelaten of het geding is aangevangen met een verzoek van de vereffenaar dan wel de voordracht van de rechter-commissaris, behoeft op dit punt in deze zaak geen beslissing te worden gegeven.
3.22
Onderdeel 2is gericht tegen het volgende gedeelte van rov. 4.4.5:
“[In het bijzonder overweegt het hof in dit verband,] anders dan de vereffenaar meent, aan de beslissing van de rechter-commissaris van 12 maart 2020 waarbij het verzoek van [verweerder] om de vereffenaar te gelasten hem nadere inlichtingen te verschaffen, geen gezag van gewijsde toekomt, nu dat verzoek tegen een andere achtergrond is gedaan en toen is afgewezen bij gebrek aan belang”.
3.23
Het onderdeel bevat twee klachten. In de eerste plaats wordt, samengevat en zakelijk weergegeven, geklaagd dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van art. 236 Rv Pro, omdat deze bepaling niet eist dat de rechterlijke beslissing tegen dezelfde achtergrond is genomen. Volgens de klacht is de rechtsbetrekking in geschil dezelfde en is al met kracht en gezag van gewijsde beslist dat [verweerder] geen recht heeft op de informatie waar hij nu om vraagt. Blijkens de beschikking van 12 maart 2020 heeft [verweerder] de rechter-commissaris immers verzocht om de vereffenaar te verbieden om het boedelsaldo aan de Staat der Nederlanden af te dragen, de vereffenaar op te dragen om alsnog aangifte te doen bij de belastingdienst en daarmee overleg te hebben betreffende de fiscale afhandeling en de vereffenaar op te dragen nadere inlichtingen te verschaffen in reactie op de [38] brief van 19 november 2019. De rechter-commissaris heeft deze verzoeken afgewezen op de grond dat [verweerder] er geen belang bij heeft. [verweerder] heeft dus al in het kader van de vereffening en in zijn hoedanigheid van beneficiair erfgenaam om nadere inlichtingen over de boedel gevraagd, aldus de toelichting op de klacht.
3.24
De tweede klacht houdt in dat, als het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zijn overweging onbegrijpelijk is, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien hoe het enkele feit dat [verweerder] , door de nalatenschap niet te verwerpen maar de hoedanigheid van beneficiair erfgenaam aan te nemen en daardoor de status van een belanghebbende in de vereffeningsprocedure te verwerven, het gezag van gewijsde kan doorbreken van de rechterlijke beslissing dat hij geen recht heeft op informatie die de boedel betreft.
3.25
Art. 236 lid 1 Rv Pro bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Het artikel leent zich voor analogische toepassing op beschikkingen waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil. [39]
3.26
In zijn arrest van 18 december 2020 [40] heeft de Hoge Raad met betrekking tot het gezag van gewijsde als volgt overwogen:
“3.1.3 Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. Heeft het andere geding (mede) betrekking op andere geschilpunten dan die waarover in het eerdere geding is beslist, dan strekt het gezag van gewijsde van de beslissing in het eerdere geding zich niet uit tot die andere geschilpunten. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust.
3.1.4
Indien een vordering met kracht van gewijsde is afgewezen, en de afwijzing erop is gebaseerd dat de voor de vordering aangevoerde grondslag niet is komen vast te staan of dat deze grondslag de vordering niet kan dragen, kan tot uitgangspunt dienen dat de beslissingen aangaande het ontbreken of niet toereikend zijn van deze grondslag, in een ander geding tussen dezelfde partijen gezag van gewijsde hebben. Dit betekent onder meer dat bij een beroep op gezag van gewijsde, feiten en bewijsmiddelen die in de eerdere procedure niet ter staving van de gestelde grondslag zijn aangevoerd, in een ander geding niet alsnog in het kader van dezelfde grondslag aan de vordering ten grondslag kunnen worden gelegd. Het gezag van gewijsde kan evenwel niet eraan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden.”
3.27
In het middel wordt niet vermeld welke nadere inlichtingen [verweerder] precies heeft verzocht.
Uit de overgelegde processtukken kan dienaangaande het volgende worden gedestilleerd.
3.28
De brief van de rechter-commissaris van 12 maart 2020 is door de vereffenaar overgelegd als prod. 10 bij het beroepschrift. Uit deze brief blijkt dat [verweerder] drie verzoeken aan de rechter-commissaris heeft gedaan, waaronder het thans relevante verzoek om de vereffenaar op te dragen nadere inlichtingen te verschaffen
in reactie op een brief van de rechter-commissaris van 19 november 2019.
3.29
Genoemde brief van 19 november 2019 is door [verweerder] in het geding gebracht als prod. 2 bij zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel app[e]l. Daarin schrijft de griffier van de rechtbank Noord-Holland het volgende:
“Namens de rechter-commissaris mr J.J. Dijk in de nalatenschap van wijlen [de erflater] , bericht ik u het volgende.
[De vereffenaar] die door de rechtbank is benoemd als vereffenaar van voornoemde nalatenschap heeft de rechter-commissaris verzocht om een aanwijzing ex artikel 4:210 lid 1 jo Pro. artikel 4:208 lid 2 sub a BW Pro. Mr. J.K.A. van de Loo heeft namens zijn cliënt [verweerder] bij brief van 13 november 2019 laten weten dat zijn cliënt gehoord wil worden op het verzoek en heeft namens zijn cliënt in die brief al enkele gezichtspunten naar voren gebracht.
De rechter-commissaris is gelet op haar agenda niet in de gelegenheid om u binnen afzienbare termijn mondeling te horen. Zij stelt voor dat [de vereffenaar] en mr Van de Loo zich schriftelijk uitlaten over het verzoek. De rechter-commissaris verzoekt [de vereffenaar] om uiterlijk 16 december 2019 een schriftelijke reactie op voornoemde brief van 13 november 2019 aan de rechter-commissaris te geven en om daarbij vooral in te gaan op de punten 5 tot en met 7 van die brief. De rechtercommissaris hoort graag de opinie van [de vereffenaar] over de stellingen van mr Van de Loo dat het niet onaannemelijk is dat het tegoed op de Zwitserse bankrekening legaal is, dat over dat tegoed nog belastingaangifte kan/moet worden gedaan en dat de vereffening nog niet is afgerond.
Mr. Van de Loo krijgt vervolgens een termijn van vier weken om te reageren op de reactie van [de vereffenaar].”
3.3
De punten 5 t/m 7 in genoemde brief van de advocaat van [verweerder] van 13 november 2019 [41] , waarover de rechter-commissaris een reactie van de vereffenaar vraagt, betreffen het tegoed van erflater op een Zwitserse rekening dat mogelijkerwijs een “spaarpotje” kan zijn dat erflater “kan hebben opgebouwd met legale inkomsten en activiteiten.” Volgens de advocaat van [verweerder] moet “het bedrag in kwestie” worden gekwalificeerd als andere buitenlandse spaartegoeden die opkomen in “een” nalatenschap waarvan de herkomst onbekend is. Daaraan koppelt de advocaat van [verweerder] dat van de vereffenaar wordt gevraagd dat hij dit bedrag aangeeft bij de belastingdienst en overleg heeft met de belastingdienst over de correcte afhandeling.
3.31
Uit de brief van de rechter-commissaris van 31 januari 2020, overgelegd als prod. 9 bij het beroepschrift, blijkt dat de advocaat van [verweerder] de rechter-commissaris bij brief van 30 december 2019 vervolgens heeft verzocht om zijn brief van 13 november 2019 als zelfstandig verzoek om een aanwijzing van de rechter-commissaris aan de vereffenaar te beschouwen en om het verzoek van de rechter-commissaris aan de vereffenaar om het verschaffen van inlichtingen te handhaven. Dit zijn dus inlichtingen in verband met het “Zwitserse spaarpotje”.
3.32
Dienaangaande heeft de rechter-commissaris bij brief van 12 maart 2020 de volgende beslissing genomen:
“(…)Ten derde is het niet de taak van de vereffenaar om alsnog belastingaangiften te doen die erflater bij leven had moeten doen. Het is de taak van de vereffenaar om de nalatenschap te vereffenen, dat wil zeggen dat hij de boedel zoals hij die aantreft te gelde maakt en de schulden voldoet. Overigens zou met het verrichten van dergelijke werkzaamheden het belang van uw cliënt, gelet op het zwaar negatieve boedelsaldo, toch niet gediend zijn. Daarbij laat ik nog buiten beschouwing dat met dergelijke werkzaamheden weer de nodige kosten gemoeid gaan die ten laste van het boedelsaldo komen, hetgeen niet in het belang van de thans bekende schuldeisers van de nalatenschap is. Evenmin heeft uw cliënt gelet op het voorgaande belang bij nadere inlichtingen.”
Gelet op de laatste volzin worden de inlichtingen gekoppeld aan “het Zwitserse spaarpotje” en de afdracht daarvan aan de Staat.
3.33
[verweerder] heeft in het kader van het aan hem toekomende recht te worden gehoord op het verzoek tot opheffing van de vereffening (art. 4:209 lid 1 BW Pro) verzocht tot overlegging van de bijlagen 1 t/m 4 bij de brief van 11 juni 2020 (en andere stukken). Deze bijlagen hebben betrekking op iets anders dan “het Zwitserse spaarpotje” en de afdracht daarvan aan de Staat. Het verzoek betrof dus een ander geschilpunt en was gebaseerd op een andere grondslag dan het verzoek dat de rechter-commissaris op 12 maart 2020 heeft afgewezen.
M.i. doelt het hof hierop met zijn oordeel dat het eerdere verzoek van [verweerder] tegen een andere achtergrond is gedaan. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
De klachten van onderdeel 2 stuiten hierop af.
3.34
Omdat beide onderdelen falen, moet het principale cassatieberoep worden verworpen.

4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel

4.1
Het incidentele cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen, genummerd A tot en met D.
4.2
Onderdeel Ais gericht tegen rov. 4.4.7 waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
“4.4.7. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking de vereffenaar opgedragen om de bedoelde bijlagen in afschrift te verstrekken aan [verweerder] , hoewel gelet op het bepaalde in artikel 279 lid 2 Rv Pro en 290 lid 1 het hier gaat om een taak van de griffier. Nu tegen dit onderdeel van de bestreden beschikking geen grief is ontwikkeld, zal het hof de bestreden beschikking ook in zoverre bekrachtigen en om praktische redenen dienovereenkomstig beslissen voor de nog over te leggen stukken.”
4.3
Het onderdeel klaagt in de eerste plaats dat het geciteerde oordeel van het hof onjuist is althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Het hof had, aldus de klacht, niet kunnen volstaan met te constateren dat tegen het in rov. 4.4.7 genoemde onderdeel van de bestreden beschikking geen grief is ontwikkeld, te beslissen de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen en dienovereenkomstig te beslissen voor de nog over te leggen stukken.
4.4
Als ik de toelichting op onderdeel A goed begrijp, is de essentie van de klacht dat niet de vereffenaar, maar de griffier de gevraagde stukken moet verstrekken.
Deze klacht faalt reeds op de grond dat [verweerder] het hof in zijn incidentele hoger beroep zélf heeft verzocht om te bepalen dat “de vereffenaar aan [verweerder] de bijlagen bij de brief van 11 juni 2020 dient te verschaffen, alsmede de in die brief van 11 juni 2020 genoemde correspondentie met de belastingdienst, alsmede de e-mail van de vereffenaar aan de R-C van 20 juli 2020” [42] .
Overigens is het inderdaad praktisch dat het hof ook met betrekking tot bijlage 3 en bijlage 4 heeft beslist dat deze door de vereffenaar aan [verweerder] worden verstrekt, nu door het ontbreken van een incidentele grief tegen de beschikking van de rechtbank om de bijlagen 1 en 2 door de vereffenaar te laten verstrekken, de vereffenaar toch al deze twee bijlagen aan [verweerder] ter hand moet stellen.
4.5
Onderdeel A bevat ook nog de klacht dat het hof in strijd met art. 290 lid 1 Rv Pro ten onrechte partijen niet het in rov. 2.13 genoemde bericht van de rechtbank heeft toegezonden of door de griffier van het gerechtshof aan partijen toe heeft laten zenden, teneinde zich daarover een oordeel te vormen en zich daarover in de procedure bij het gerechtshof uit te laten, maar in plaats daarvan mede op basis van dat bericht een oordeel over de zaak gegeven, zodat het gerechtshof aldus jegens (in elk geval) [verweerder] het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden (art. 6 EVRM Pro, art. 19 Rv Pro).
4.6
De klacht faalt.
In zijn arrest van 19 november 2012 [43] heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat het beginsel van hoor en wederhoor (zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM Pro en neergelegd in art. 19 Rv Pro) het recht van partijen omvat om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken. Daarbij is het in beginsel niet van belang of — en zo ja, in welke mate — gegevens en bescheiden waarvan partijen geen kennis hebben genomen, al dan niet nieuwe feiten of argumenten behelzen dan wel daadwerkelijk van invloed zijn (geweest) op de beslissing van de rechter. Gelet op voormeld uitgangspunt is het immers niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad formuleert vervolgens een uitzondering in de slotzin van rov. 3.2.3:
“Dit is anders indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak (…).”
4.7
Het hof heeft in rov. 2.13 vastgesteld dat blijkens het bericht van de rechtbank bij de voordracht van de rechter-commissaris geen en bij het verzoek van de vereffenaar aan de rechter-commissaris bijlagen 1 tot en met 4 zaten. Op grond van de bestreden beschikking, die in het principale cassatieberoep op dit punt tevergeefs wordt bestreden, dient de vereffenaar aan [verweerder] de bijlagen 1 tot en met 4 te verstrekken, waarmee het hof ten aanzien van het verstrekken van de bijlagen volledig in het voordeel van [verweerder] heeft beslist. Het belang bij de klacht ontbreekt daarom. Dit brengt mee dat de vraag of het bericht van de rechtbank van enig belang kan zijn voor de beoordeling van de zaak als bedoeld in de laatste volzin van rov. 3.2.3 van het onder 4.6 genoemde arrest, niet meer hoeft te worden beantwoord.
4.8
Onderdeel Bis gericht tegen het dictum van de bestreden beschikking. Samengevat wordt geklaagd dat het hof zonder het te verklaren en daarom ten onrechte althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd onder “5. Beslissing” niet heeft bepaald dat de vereffenaar aan [verweerder] een kopie van bijlage 2 dient te verschaffen.
4.9
Deze klacht faalt, omdat het is gebaseerd op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Het hof heeft in het dictum immers de bestreden beschikking van de rechtbank
bekrachtigden in aanvulling daarop onder meer bepaald dat de vereffenaar aan [verweerder] bijlage 3 en bijlage 4 dient te verstrekken. In de beschikking waarvan beroep had de rechtbank al bepaald dat de vereffenaar bijlage 2 aan [verweerder] dient te verstrekken.
4.1
Onderdeel Cricht zich tegen de door mij onderstreepte laatste zin van rov. 4.4.6 waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
“4.4.6 Het hof heeft de griffier van de rechtbank verzocht om puntsgewijs een opsomming te geven van de bijlagen bij het verzoek van de vereffenaar aan de rechter-commissaris en de bijlagen bij de voordracht van de rechter-commissaris aan de rechtbank. Zoals hiervoor onder 2.11 weergegeven gaat het om vier bijlagen: een voorlopige boedelbeschrijving, een rekening en verantwoording, een controle overzicht en e-mailcorrespondentie met de advocaat-generaal. [verweerder] heeft de voorlopige boedelbeschrijving al ontvangen, zodat alleen de overige onder 2.11 genoemde bijlagen nog aan hem ter beschikking moeten worden gesteld. In zoverre is het verzoek van [verweerder] - voor zover niet al toegewezen - toewijsbaar.
Het verzoek van [verweerder] betreffende stukken die niet in de procedure zijn overgelegd, valt niet onder het bepaalde in artikel 290 Rv Pro of artikel 6 EVRM Pro en zal worden afgewezen.”
4.11
Het onderdeel klaagt, verkort weergegeven, dat het oordeel van het hof in de onderstreepte zin rechtens onjuist is althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd omdat de rechter-commissaris onderaan p. 1 van de voordracht onder meer heeft verwezen naar een e-mailbericht van 20 juli 2020 van de vereffenaar aan de rechter-commissaris en [verweerder] in zijn incidenteel hoger beroepschrift het hof heeft verzocht dat de vereffenaar aan hem de bijlagen bij de brief van 11 juni 2020 dient te verschaffen, de in die brief genoemde correspondentie met de belastingdienst alsmede het e-mailbericht van de vereffenaar aan de rechter-commissaris van 20 juli 2020.
4.12
Zoals hiervoor onder 3.15 onder (ii) is vermeld, heeft de rechter-commissaris ter onderbouwing van de voordracht verwezen naar zowel de brief van de vereffenaar van 11 juni 2020 als naar de aanvullende e-mail van 20 juli 2020. Ten aanzien van de bijlagen bij de brief van 11 juni 2020 heeft het hof m.i. terecht geoordeeld dat deze stukken door de vereffenaar respectievelijk de rechter-commissaris in het geding zijn gebracht. M.i. valt niet in te zien waarom dit vervolgens niet zou gelden voor de aanvullende e-mail van 20 juli 2020. De klacht is daarmee terecht voorgesteld.
4.13
Onderdeel C slaagt dus, waardoor de bestreden beschikking in zoverre dient te worden vernietigd. M.i. kan Uw Raad de zaak zelf afdoen door het dictum van de bestreden beschikking aan te vullen met de beslissing dat de vereffenaar aan [verweerder] tevens een kopie dient te verschaffen van de e-mail van de vereffenaar aan de rechter-commissaris van 20 juli 2020, en de beschikking voor het overige te bekrachtigen.
4.14
Onderdeel Dricht zich tegen de door het hof toegepaste compensatie van de proceskosten. Samengevat wordt geklaagd dat [verweerder] als de (grotendeels) in het gelijk te stellen partij moet gelden in de zin van art. 237 lid 1 Rv Pro, zodat er geen basis is voor kostencompensatie en daarnaast niet aan de in art. 237 lid 1 Rv Pro genoemde voorwaarden voor compensatie is voldaan.
4.15
Art. 289 Rv Pro bepaalt dat de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten kan inhouden. Daarbij gelden de criteria van art. 237 Rv Pro en het Liquidatietarief [44] , zoals ook het onderdeel voorstaat. Het is aan het inzicht van de rechter in feitelijke instantie overgelaten een kostenveroordeling uit te spreken, zodat deze discretionaire bevoegdheid in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Dit geldt eveneens ten aanzien van de vraag of en, zo ja, op welke wijze de kosten zullen worden gecompenseerd als bedoeld in art. 237 Rv Pro. De discretionaire beslissing omtrent een veroordeling in de proceskosten behoeft geen motivering. Dat kan anders zijn wanneer partijen daarover hebben gedebatteerd. Wanneer het oordeel wordt gemotiveerd, dan moet die motivering uiteraard begrijpelijk zijn. [45]
4.16
Nu het aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt, is overgelaten of grond bestaat voor een veroordeling (of compensatie) in de proceskosten en [verweerder] niet volledig in het gelijk is gesteld, is de compensatie van de proceskosten niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Voor het overige stuit de klacht af op de grond dat een feitelijk oordeel niet met een rechtsklacht kan worden bestreden.

5.Conclusie

De conclusie strekt
- in het principale cassatieberoep tot verwerping;
- in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021 en tot afdoening als onder 4.13 voorgesteld, en voor het overige tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3919,
2.Zie de weergave van het dictum van de beschikking van de rechter-commissaris in de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 28 oktober 2020, rov. 2.3.
3.Voor zover in cassatie van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de beschikkingen van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 28 oktober en 1 december 2020 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), beide rov. 1 en verder de bestreden beschikking, rov. 2.6 t/m 2.13.
4.Het (zuiver dan wel beneficiair) aanvaarden van een ‘criminele’ nalatenschap kan leiden tot de kwalificatie witwassen in de zin van art. 420bis Sr door de erfgenamen; dit kan worden voorkomen door de nalatenschap ter beschikking te stellen van/over te dragen aan de Staat. Zie hierover HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU6712,
5.Zie genoemde brief van de vereffenaar, p. 1 en 2, overgelegd als prod. 1 bij het “verweerschrift, tevens houdende incidenteel appél” van [verweerder] ; zie ook de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 28 oktober 2020, rov. 3.1.
6.Zie de genoemde voordracht van de rechter-commissaris, p. 1, overgelegd als prod. 11 bij het beroepschrift van de vereffenaar.
7.Deze faxbrief is is als prod. 12 bij het beroepschrift van de vereffenaar overgelegd.
8.Zie de beschikking van de rechtbank van 1 december 2020, rov. 2.3.
9.[verweerder] heeft tegen deze aanwijzing hoger beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, en daarbij verzocht de aanwijzing te vernietigen en (bij aanvulling van gronden) hem alsnog de documenten toe te zenden die bij het verzoek van de vereffenaar van 11 juni 2020 en de voordracht van de r-c van 30 juli 2020 waren gevoegd, alsmede een e-mail van de vereffenaar van 20 juli 2020. De rechtbank heeft [verweerder] bij beschikking van 23 december 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:11249,
10.Zie de bestreden beschikking, rov. 3.2.
11.Zie de bestreden beschikking, rov. 3.4.
12.Zie rov. 2.12 van de bestreden beschikking.
13.Zie rov. 2.13 van de bestreden beschikking.
14.In het dictum van de bestreden beschikking is per abuis verwezen naar de onder 2.11 genoemde stukken; dit moet zijn: rov. 2.13.
15.De procesinleiding is op 1 maart 2022 ingediend in het portaal van de Hoge Raad. Het verzoek om schriftelijk toe te lichten is ingetrokken.
16.Het A-dossier en het B-dossier komen niet volledig overeen. Het A-dossier bevat niet (en het B-dossier wel): (i) de brief van de rechtbank aan [verweerder] van 25 augustus 2020, (ii) de e-mail van de rechtbank aan [verweerder] van 16 september 2020, (iii) de brief van [verweerder] aan de rechter-commissaris van 9 november 2020, (iv) de brief van [verweerder] aan de rechtbank van 1 december 2020, (v) de e-mail van de vereffenaar aan het hof van 10 december 2020, (vi) twee aktes tot het in het geding brengen van producties van de vereffenaar voor de mondelinge behandeling in hoger beroep van 29 juli 2021 en (vii) de brief van het hof aan de rechtbank van 31 augustus 2020.
17.Voor zover in deze zaak van belang. Ik put daarvoor o.m. uit mijn conclusie van 4 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:556, voor HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1272, onder 3.3 tot en met 3.30.
18.Zie in het kader van de wettelijke vereffening HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:939,
19.B.M.E.M. Schols, in:
20.Zie Richtlijnen Vereffening nalatenschappen (versie 3.1, januari 2021), p. 7.
21.Deze opsomming is grotendeels ontleend aan B.M.E.M. Schols, in:
22.Zie daarover Parl. Gesch. BW Invoeringswet Boek 4 Erfrecht, 2003, p. 2229 e.v.
23.Zie B.M.E.M. Schols, in:
24.Parl. Gesch. BW, Invoeringswet Boek 4 Erfrecht, 2003, p. 2213.
25.Zie over het toezicht door de rechter-commissaris ook de Richtlijnen Vereffening nalatenschappen (versie 3.1, januari 2021), p. 12.
26.B.M.E.M. Schols, in:
27.Wederom: of de rechter-commissaris indien een rechter-commissaris is benoemd, zie art. 4:208 lid 2 onder Pro a BW.
28.HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:681,
29.HR 4 mei 2018, vindplaats vorige voetnoot, rov. 3.4.3, met verwijzing in het kader van de art. 16-18 Fw naar Van der Feltz I, p. 328-329.
30.Het hof verwijst hier in voetnoot 1 naar ECLI:NL:HR:2014:1338,
31.Het hof verwijst hier in voetnoot 2 naar ECLI:NL:HR:1999:AA3364,
32.De procesinleiding wijst erop dat het hof hier klaarblijkelijk doelt op rov. 2.13 van de bestreden beschikking.
33.Prod. 11 bij het beroepschrift van de vereffenaar.
34.Voor de volledigheid: en de e-mail van de vereffenaar aan de rechter-commissaris van 20 juli 2020. Zie hierover onderdeel C van het incidentele cassatiemiddel.
35.Zie de parlementaire geschiedenis van art. 429l Rv (de voorloper van art. 290 Rv Pro) MvT, Bijl. 1963–1964 - 7753, nr. 3, p. 7, onder art. 429k).
36.Zie de noot van W.H. Heemskerk bij HR 27 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5563,
38.De procesinleiding vermeldt hier volgens mij per abuis “mijn”.
39.Aldus N. Mirzojan,
40.HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099,
41.Overgelegd als prod. 8 bij het beroepschrift.
42.Zie randnr. 6 en p. 11 van het “verweerschrift, tevens houdende incidenteel appél”, en rov. 3.4 van de bestreden beschikking.
43.HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5882,
44.Zie E.L. Schaafsma-Beversluis,
45.Zie mijn conclusie van 15 oktober 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO3344, voor HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3344 onder 2.18 met verwijzing naar onder andere HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3694,