Conclusie
1.Feiten
warmtekrachtkoppelingsinstallatie, A-G] losnemen. Zaterdag 8/8 laatste werkzaamheden losnemen en laden voor transport naar revisiewerkplaats ECS in Friesland.
ik lees: zoals nu is gepland, A-G] aan in onze revisiewerkplaats in afwijking van onze afspraken. Houd je op de hoogte, wanneer we werkelijk verder kunnen bouwen.”
warmtekrachtkoppelingsinstallatie, A-G] maandag niet terugplaatsen.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
6 augustus 2015, A-G [8] ] die tot de onderhavige overeenkomst heeft geleid, is geen termijn voor oplevering opgenomen, ook niet in het door [eiser] getekend teruggestuurde exemplaar daarvan. Dat betekent dat tussen partijen in beginsel geen fatale termijn is overeengekomen. Wanneer vervolgens in aanvulling op de offerte nadere termijnen worden afgesproken, zijn die in beginsel evenmin fataal, tenzij partijen dat toen zouden hebben afgesproken. De e-mail van ECS van 6 augustus 2015 houdt een als zodanig aangeduide planning in van de overeengekomen werkzaamheden en niet – alsnog – een fatale termijn voor de oplevering en inbedrijfstelling van de motor. De reactie van [eiser] op de e-mail van ECS van 20 augustus 2015 en de verwijzing naar de planning wijst erop dat [eiser] teleurgesteld was over de opgetreden vertraging en dat hij deze beperkt wilde zien, maar impliceert geen beroep op het overschrijden van een fatale termijn.”
zie randnummer 1.7 hiervoor, A-G], overweegt het hof dat deze in ieder geval niet als ingebrekestelling kan worden aangemerkt. Voor een ingebrekestelling is vereist dat de schuldeiser aan de schuldenaar bekend maakt dat diens prestatie achter blijft bij datgene wat de schuldeiser mag verwachten, concreet aangeeft wat hij van de schuldenaar verlangt, aan de schuldenaar een (alle omstandigheden in aanmerking genomen: redelijke) termijn stelt om aan die eis te voldoen, aan de schuldenaar duidelijk maakt dat als de schuldenaar aan die eis niet, niet volledig, niet deugdelijk of niet tijdig voldoet, deze in verzuim is, en zulks voor de schuldeiser aanleiding kan of zal vormen om nakoming, ontbinding en/of schadevergoeding te vragen. Aan die vereisten voldoet genoemde e-mail niet. Het hof is verder nog van oordeel dat [eiser] te weinig heeft aangevoerd om er van uit te kunnen gaan dat ECS in verzuim is geraakt om de volgende redenen (rekening houdend met hetgeen is overwogen door de Hoge Raad in zijn arrest van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581 [(
Fraanje/Alukon), [9] A-G]). Hoewel uit de e-mail van 20 augustus 2015 blijkt dat [eiser] geen uitstel dan tot 24 augustus 2015 duldde en hij ook al aankondigde dat hij inkomstenverlies zou lijden, is toch niet duidelijk geworden dat het [eiser] wat dat betreft menens was. Na 24 augustus 2015 zijn immers nog ongeveer twee werkweken verstreken totdat de motor weer in gebruik is genomen (op 6 september 2015). [eiser] heeft niet aangevoerd wat hij heeft gecommuniceerd jegens ECS toen bleek dat ingebruikname op 24 augustus 2015 niet haalbaar bleek te zijn en ook niet wat hij in die twee werkweken nadien daarover aan ECS heeft laten weten over de vertraging. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat bij ECS diverse malen is geklaagd over de late oplevering, maar ook hierover is [eiser] te weinig specifiek (zodat aan het bewijsaanbod voorbij wordt gegaan), omdat hij niet heeft aangevoerd wanneer dat is gebeurd, of dat is gebeurd vóór of nadat bleek dat 24 augustus 2015 niet haalbaar was en of wederom is geklaagd nadat de werkzaamheden werden voortgezet. Evenmin is aangevoerd wat de reactie was van ECS. Verder heeft [eiser] evenmin voldoende duidelijk aangevoerd wat hij toen aan ECS heeft medegedeeld over de gevolgen van vertraging. Na ingebruikneming van de motor hebben partijen gesproken over meerwerk. [eiser] heeft niet aangevoerd wat hij toen met ECS heeft besproken over zijn onvrede dat er vertraging was ontstaan en evenmin heeft hij gesteld dat hij toen heeft gezegd dat het eerder uitstel had geleid tot schade en /of dat bij het uitvoeren van meerwerk geen uitstel meer zou worden geduld.”
3.Bespreking van het cassatieberoep
Inleiding
De regel van art. 6:83, aanhef en onder a, BW
voor de voldoening bepaalde termijnverstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen,
tenzijblijkt dat de termijn een
andere strekkingheeft;
voor de voldoening bepaalde termijn”) in beginsel ‘fataal’ is. [12] Indien de schuldenaar de verbintenis ten tijde van het verstrijken van die termijn nog niet is nagekomen, treedt het verzuim van de schuldenaar zonder ingebrekestelling in. Dat lijdt alleen uitzondering (“
tenzij”), indien blijkt dat de termijn een andere strekking heeft dan die van een fatale termijn. [13] Uiteraard rusten de stelplicht en bewijslast met betrekking tot (kort gezegd) het bestaan van een voor de voldoening bepaalde termijn op de schuldeiser. [14] De stelplicht en bewijslast in verband met de uitzondering, dus de aanwezigheid van een andere strekking van die termijn dan de strekking van een fatale termijn, rusten op de schuldenaar. [15] Een en ander geldt logischerwijs ook indien partijen bij een overeenkomst die aanvankelijk geen termijn voor nakoming bevat, op een later moment alsnog een dergelijke termijn overeenkomen. [16] Ook dan is art. 6:83, aanhef en onder a, BW van toepassing, zodat de desbetreffende termijn ‘fataal’ is, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft.
voor de voldoening bepaalde termijn”– bestaat. Zo’n termijn kan zijn bedongen ofwel op andere gronden worden aangenomen. Hierna zal ik ingaan op de vraag uit welke feiten en omstandigheden het bestaan van zo’n termijn kan blijken. Daarbij komt ook de aard van de overeenkomst in beeld.
voor de voldoening bepaalde termijn”overeenkomen. Als zij schriftelijk en uitdrukkelijk een bepaalde datum aanwijzen waarop de prestatie moet zijn verricht, dan zijn er op dit vlak geen moeilijkheden. Een dergelijk beding zal in de praktijk echter met regelmaat ontbreken. Hoe kan dan worden vastgesteld of een “
voor de voldoening bepaalde termijn”is overeengekomen? Evident is dat een schriftelijke verklaring daarvoor niet is vereist. Art. 6:217 lid 1 BW Pro bepaalt – zoals welbekend is – dat overeenkomsten tot stand komen door aanbod en aanvaarding daarvan. Uit art. 3:37 lid 1 BW Pro volgt het eveneens welbekende uitgangspunt dat aanbod en aanvaarding (als verklaringen) in iedere vorm, dus ook mondeling, kunnen geschieden en dat zij in één of meer gedragingen besloten kunnen liggen. [17] In art. 6:83, aanhef en onder a, BW wordt daarvan niet afgeweken, zodat aan het overeenkomen van “
een voor de voldoening bepaalde termijn” geen vormvereiste is verbonden.
een voor de voldoening bepaaldetermijn
”als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder a, BW is vereist dat partijen met zo veel woorden (schriftelijk of mondeling) hebben gestipuleerd wanneer de prestatie moet zijn verricht. [18] In de wetsgeschiedenis wordt vermeld dat “
[d]e vraag in welke gevallen de gestelde termijn voldoende bepaaldheid heeft om ingebrekestellende kracht[fataliteit, A-G]
te hebben,(…)
aan de rechtspraak[moet]
worden overgelaten; het artikel eist niet, dat een kalenderdatum is genoemd.” [19] Het noemen van een kalenderdatum is dus, zo veel is duidelijk, in het algemeen niet vereist. [20] Als uitgangspunt kan wellicht worden aangenomen dat een eventuele “
[o]nduidelijkheid, onvolledigheid of vaagheid met betrekking tot het tijdstip van de nakoming” in beginsel voor rekening van de schuldeiser komt, [21] hoewel dat mijns inziens anders kan liggen indien, bijvoorbeeld, de schuldenaar deskundiger is dan de schuldeiser en zelf verklaringen heeft gedaan waaruit de schuldeiser in redelijkheid mocht afleiden dat de prestatie uiterlijk op een bepaald moment zou worden verricht. Een grote mate van precisie is in ieder geval niet zonder meer vereist om de schuldenaar te binden aan een termijn voor het verrichten van de prestatie. Uit een vóór 1992 uitgesproken arrest van Uw Raad volgt dat de aanduiding ‘omstreeks’ of ‘ongeveer’ in een beding waarin een termijn wordt bepaald, niet uitsluit dat het een (naar huidig spraakgebruik) “
voor de voldoening bepaalde termijn”betreft. [22] In een zaak die in 2011 tot een arrest van Uw Raad leidde, had het hof de (niet al te precieze) woorden “
per omgaande” in het kader van een verplichting tot informatieverstrekking aangemerkt als een termijnaanduiding. Uw Raad oordeelde dat dit niet onbegrijpelijk was “
mede gelet op art. 6:83, aanhef en onder a, BW.” [23]
een voor de voldoening bepaaldetermijn
”moet worden aangenomen. In 2002 overwoog Uw Raad “
dat een termijn als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder a, tussen partijen moet zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid moet voortvloeien uit de aard van de overeenkomst in verband met de omstandigheden van het geval.” [24] In een arrest uit 2008 in een bekende zaak over pootaardappelen met kiemproblemen is, zo meen ik, hieraan toepassing gegeven. [25] In die zaak had het hof geoordeeld dat de levering van pootaardappelen blijvend onmogelijk was geworden als bedoeld in art. 6:74 lid 2 en Pro art. 6:81 BW Pro (wat zou meebrengen dat verzuim niet nodig was voor het ontstaan van aansprakelijkheid op grond van wanprestatie), omdat de aardappelen reeds waren gepoot toen de kiemproblemen werden geconstateerd. Uw Raad gaf er een andere draai aan, te weten dat het niet ging om blijvende onmogelijkheid, maar om het verstrijken van een fatale termijn:
Anders dan onderdeel 2.4 betoogt, is in het licht van de gedingstukken voldoende duidelijk wat het hof onder “tijdige levering” heeft verstaan, namelijk levering op een zodanig tijdstip dat de pootaardappelen zo vroeg in het seizoen gepoot konden worden dat zij voldoende tijd zouden hebben om een normaal te verwachten volwaardige opbrengst te realiseren.Het oordeel van het hof dat de aardappelen reeds gepoot waren toen de kiemproblemen werden geconstateerd “zodat nakoming blijvend onmogelijk was” en dat in deze omstandigheden “de in het verleden liggende tekortkoming door [eiser] niet meer ongedaan [kon] worden gemaakt door alsnog na te komen”, moet in het licht van het voorgaande dan ook aldus verstaan worden
dat een tijdige levering als bepaald in de overeenkomst niet meer mogelijk was omdat, zoals ook [eiser] op grond van de overeenkomst wist of moest weten, inmiddels het tijdstip was verstreken waarop uiterlijk geleverd (en gepoot) moest worden teneinde nog een volwaardige opbrengst te kunnen realiseren.” (cursiveringen toegevoegd door mij, A-G)
benodigde bepaaldheid ontbeert, niet onbegrijpelijk was. [27] Hoewel A-G Valk in die zaak op dit punt tot een andere beoordeling kwam op grond van de hiervoor vermelde rechtspraak, in bijzonder het arrest over de pootaardappelen, [28] zie ik in dit arrest uit 2017 geen verlegging van de koers. Uw Raad oordeelde in dit arrest niet dat de rechter “
een voor de voldoening bepaalde termijn” slechts aanwezig mag achten indien er een precieze datum is aangewezen. Wel geldt dat het antwoord op de vraag of een termijnaanduiding voldoende bepaald is om als “
een voor de voldoening bepaalde termijn” te gelden, afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het concrete geval en dus ter beoordeling van de feitenrechter is. [29]
een voor de voldoening bepaalde termijn”indien de schuldenaar, gelet op wat partijen tegen elkaar hebben verklaard en/of op de aard van de prestatie, moest begrijpen dat de prestatie op een bepaald moment verricht moest zijn. In dat geval is het legitiem dat de schuldenaar niet alsnog, na een deugdelijke ingebrekestelling, de gelegenheid krijgt om na te komen alvorens het verzuim intreedt. De context zal bepalen wat partijen, op grond van wat zij ten opzichte van elkaar hebben verklaard of op andere gronden, mochten verwachten en moesten begrijpen. Die beoordeling zal doorgaans in goede handen zijn bij de feitenrechter [30] en hoeft niet te worden ingekaderd door harde regels.
Komt vast goed, ik ga er meteen naar kijken”, dan mag ik niet zonder meer verwachten dat de auto ook daadwerkelijk morgenmiddag klaar is en hoefde de monteur niet te begrijpen dat zij in verzuim zou komen als de auto dan niet klaar is. Het zijn immers onduidelijke klachten aan een complex apparaat die ik op zeer korte termijn opgelost wil zien: de monteur doet haar best, maar ik moet niet raar opkijken als het niet lukt, zeker nu de monteur geen duidelijke toezegging heeft gedaan en de auto nog moest bekijken toen zij – wat optimistisch – opmerkte dat het vast goed zou komen. Er is dan geen termijn voor de voldoening bepaald. Als ik daarentegen een paar schoenen naar de schoenmaker breng met de mededeling dat ik ze volgende week zaterdag nodig heb en deze na inspectie van de schoenen opmerkt: “
Komt in orde”, dan mag ik – hoewel van een termijn voor de voldoening ook hier niet uitdrukkelijk is gerept – verwachten dat de schoenen uiterlijk vrijdag klaar zijn en moet de schoenmaker begrijpen dat ze dan ook klaar moeten zijn. Het is een relatief overzichtelijke en voorspelbare klus, het is een redelijke verwachting dat de schoenen uiterlijk vrijdag weer beschikbaar zijn en de schoenmaker heeft zich na inspectie van de schoenen in feite eraan gecommitteerd dat de schoenen gerepareerd zijn voor ik ze, op zaterdag, nodig heb. In een dergelijk geval zou ik het bestaan van “
een voor de voldoening bepaalde termijn”willen aannemen.
andere strekking” heeft (zie randnummer 3.4 hiervoor). Een dergelijk betoog is dus een bevrijdend verweer van de schuldenaar. Ik ga hier voor de volledigheid nog kort op in.
andere strekking”? Wanneer heeft een voor de voldoening bepaalde termijn in afwijking van de hoofdregel geen fataal karakter? Dat zal in ieder geval het geval zijn als door partijen weliswaar een duidelijke datum is aangewezen waarop de prestatie (deels) wordt verricht, maar uit de verklaringen van partijen blijkt dat afronding van de prestatie op deze datum slechts een verwachting of een streven weerspiegelt, zonder dat de schuldenaar zich aan het afronden van de (gehele) prestatie op uiterlijk die datum heeft willen committeren. [31] Stel dat ik een elektricien inschakel om een leiding in huis te verleggen: ik spreek een datum af waarop de elektricien zal ‘langskomen’ en die datum wordt ook per e-mail aan mij bevestigd. Ik mag zeker verwachten dat de elektricien op die dag zal verschijnen, wat onderdeel is van de nakoming, maar niet zonder meer dat de klus aan het eind van die dag geklaard zal zijn: de strekking van het aanwijzen van een datum is dat de monteur die dag zal ‘langskomen’ (een deel van de prestatie die moet worden geleverd) en niet dat het werk die dag is afgerond. Er zijn ongetwijfeld ook nog vele andere scenario’s denkbaar waarin een voor de voldoening bepaalde termijn een andere strekking heeft dan fataal te zijn, maar het is hier niet nodig om daar uitgebreider op in te gaan.
andere strekking” heeft, kan de rechter gelet op art. 24 Rv Pro
nietoordelen dat een voor de voldoening bepaalde termijn
nietfataal is. De rechter moet op grond van die bepaling immers beslissen op basis van de argumenten die aan het verweer van de schuldenaar ten grondslag zijn gelegd (en dus niet op basis van argumenten die de rechter zelf aandraagt). [32]
Subonderdeel 1.1: miskenning van art. 6:83, aanhef en onder a, BW
ter zake van het tegendeel” op grond van art. 6:83, aanhef en onder a, BW op de schuldenaar rusten. Dit correspondeert in grote lijnen met wat ik hiervoor in randnummers 3.2 tot en met 3.15 heb uiteengezet, met dien verstande dat de stelplicht en bewijslast van de schuldenaar zien op de
andere strekkingvan de voor de voldoening bepaalde termijn.
(17 augustus 2015)”) die partijen op 6 augustus 2015 nader zijn overeengekomen een fataal karakter heeft en dat ECS in verzuim is geraakt, doordat zij de gereviseerde machine niet op 17 althans 24 augustus 2015 bij [eiser] heeft teruggebracht.
een voor de voldoening bepaalde termijn”als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder a, BW is overeengekomen, het daarbij in ieder geval niet gaat om een
fataletermijn. Het bestreden arrest is op dit punt enigszins dubbelzinnig.
Enerzijdsgeldt dat het hof in de vierde zin van rov. 6.4 als volgt heeft overwogen: “
Wanneer vervolgens in aanvulling op de offerte nadere termijnen worden afgesproken, zijn die in beginsel evenmin fataal, tenzij partijen dat toen zouden hebben afgesproken.” Hiermee heeft het hof de indruk gewekt dat de hiervoor bedoelde e-mail van 6 augustus 2015 van ECS inderdaad voorziet in een dergelijke ‘nadere termijn’ in aanvulling op de offerte, zij het dat deze termijn niet fataal is. Zo lijkt [eiser] het bestreden arrest te lezen.
Anderzijdsgeldt dat het hof het tijdsschema in die e-mail heeft aangemerkt als “
een als zodanig aangeduide planning”, waarin mogelijkerwijs enige twijfel tot uitdrukking lijkt te komen met betrekking tot de vraag of de bewuste e-mail eigenlijk wel “
een voor de voldoening bepaalde termijn”bevat. [33] Ik verwijs ook naar wat hierna in het kader van subonderdeel 1.3 aan de orde komt met betrekking tot het bewijsaanbod (randnummers 3.31 tot en met 3.34). Deze dubbelzinnigheid in rov. 6.4 van het bestreden arrest kan bij de beoordeling van de klachten niet ten laste van [eiser] als eiser tot cassatie komen. De meest voor de hand liggende duiding van deze rechtsoverweging is daarom dat het hof in het midden heeft gelaten of de e-mail van 6 augustus 2015 “
een voor de voldoening bepaalde termijn”bevat en heeft geoordeeld dat het in ieder geval niet gaat om een
fataletermijn.
nadere termijnen” in beginsel géén ‘fataal karakter’ hebben zolang partijen dat niet hebben afgesproken. Het hof heeft hier het verkeerde spoor gevolgd. Een door het hof bedoelde ’nadere termijn’ moet immers als (mogelijke) aanvulling op of wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst (zelfstandig) naar inhoud en strekking worden beoordeeld, waarbij geldt dat voor zover zo’n termijn als een voor de voldoening bepaalde termijn als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder a, BW moet worden begrepen, deze op grond van die bepaling als uitgangspunt wel degelijk geldt als fatale termijn (zie randnummer 3.4 hiervoor), behoudens indien met inachtneming van de hiervoor in randnummer 3.4 en 3.15 vermelde stelplicht- en bewijslastverdeling een andere strekking van die termijn komt vast te staan. Anders gezegd: indien de e-mail van 6 augustus 2015 “
een voor de voldoening bepaalde termijn”bevat, dan is het in beginsel ook een fatale termijn. [34] Het hof kon in het licht van art. 6:83, aanhef en onder a, BW dus niet op de gronden die het daarvoor heeft aangedragen tot het oordeel komen dat tussen partijen geen fatale termijn is overeengekomen (waaruit nog niet volgt dat zo’n termijn wél is overeengekomen).
(17 augustus 2015)”) die partijen op 6 augustus 2015 nader zijn overeengekomen een fataal karakter heeft en dat ECS in verzuim is geraakt, doordat zij de gereviseerde machine niet op 17 althans 24 augustus 2015 bij [eiser] heeft teruggebracht, mist die klacht mijns inziens feitelijke grondslag nu het hof volgens mijn lezing niet heeft geoordeeld dat “
een voor de voldoening bepaalde termijn”is overeengekomen; dat heeft het hof juist in het midden gelaten.
Subonderdeel 1.2: de reactie van [eiser] van 20 augustus 2015
eerste klachtluidt dat het hof door zijn overweging in rov. 6.4 dat de reactie van [eiser] (van 20 augustus 2015) geen beroep op het overschrijden van een fatale termijn impliceert, heeft miskend dat het verzuim van rechtswege intreedt als een fatale termijn verstrijkt en dat de schuldeiser daartoe niet (alsnog) een beroep op de termijn moet doen. De
tweede klachtluidt dat indien het hof moet worden geacht te hebben willen overwegen dat de reactie van [eiser] op de vertragingen bij ECS ervan blijk geeft dat partijen niet hebben bedoeld om aan de nader overeengekomen termijn een fataal karakter te verlenen (ik lees: verbinden), dat – zonder nadere motivering – onbegrijpelijk is, omdat de reactie van [eiser] juist wijst op het fatale karakter van de overeengekomen termijn, temeer in het licht van de omstandigheid dat stelplicht en bewijslast van het niet-fatale karakter van de overeengekomen termijn op de schuldenaar rusten. Daarbij betoogt [eiser] dat in die reactie werd uitgegaan van de eerdere afspraak dat de machine op maandag 17 augustus 2015 zou worden teruggeplaatst, dat vervolgens nader werd afgesproken dat de machine op maandag 24 augustus 2015 zou worden teruggeplaatst, dat [eiser] ervan uitging dat ECS zich aan de desbetreffende afspraak zou houden door in het weekend voor 24 augustus 2015 door te werken en dat hij aankondigde dat hij aan die termijn vasthield, omdat hij schade zou lijden als hij op 24 augustus 2015 niet over een werkende machine zou beschikken.
De reactie van [eiser] op de e-mail van ECS van 20 augustus 2015 en de verwijzing naar de planning wijst erop dat [eiser] teleurgesteld was over de opgetreden vertraging en dat hij deze beperkt wilde zien, maar impliceert geen beroep op het overschrijden van een fatale termijn.” Het is inderdaad niet begrijpelijk dat het hof uit de tekst van de reactie van [eiser] van 20 augustus 2015 (zie randnummer 1.6 hiervoor) heeft afgeleid, kort gezegd, dat [eiser] destijds niet van mening was dat op 17 augustus 2015 een fatale termijn was verstreken. [eiser] heeft in die reactie opgemerkt dat bij het aannemen van het werk (door ECS) is gezegd dat terugplaatsing op 17 augustus 2015 zou plaatsvinden en dat “
verderuitstel dan 24 aug(…)
niet bes[p]reekbaar[is]” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G), wat toch niet anders kan worden begrepen dan dat [eiser] meende dat er een overschrijding was geweest van de tussen partijen afgesproken duur voor de werkzaamheden (en daarmee de voor de voldoening bepaalde termijn) en dat dat niet op het goedvinden van [eiser] kon rekenen. Juridische terminologie (laat staan het adequaat gebruik daarvan) is voor het overbrengen van die opvatting niet vereist.
Subonderdeel 1.3: stelplicht en bewijslast; bewijsaanbod
fataal karakterheeft. Het hof heeft daar immers als volgt overwogen:
het fatale karaktervan een voor de voldoening bepaalde termijn niet door de schuldeiser, in dit geval [eiser] , hoeft te worden gesteld, noch te worden bewezen. Het is aan de schuldenaar, in dit geval ECS, om te stellen en zo nodig te bewijzen dat een tussen partijen geldende voor de voldoening bepaalde termijn een andere strekking heeft. Ik verwijs naar wat ik in randnummers 3.4 en 3.15 heb vermeld.
nietaangemerkt als een aanbod tot het leveren van
tegenbewijs (maar als een aanbod tot het leveren van bewijs van het bestaan van een fatale termijn) en bovendien
nietgeoordeeld dat dat bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd. Het hof heeft – op zichzelf terecht – tot uitgangspunt genomen dat pas aan bewijslevering met betrekking tot een stelling wordt toegekomen – naar aanleiding van een bewijsaanbod of op instigatie van de rechter – indien die stelling voldoende concreet is uitgewerkt/gemotiveerd (hof: “
onderbouwd”). Het hof heeft de stelplicht voor wat betreft het fatale karakter van een tussen partijen geldende “
voor de voldoening bepaalde termijn”echter op de verkeerde partij doen rusten; daarop ziet de terecht voorgestelde klacht onder (i).
niettot uitgangspunt heeft genomen dat tussen partijen een voor de voldoening bepaalde termijn als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder a, BW is overeengekomen. Als gezegd is het bestreden arrest op dit punt wat dubbelzinnig (zie randnummer 3.20 hiervoor). Volgens mijn lezing heeft het hof niet tot uitgangspunt genomen dat tussen partijen een voor de voldoening bepaalde termijn is overeengekomen, maar heeft het dit in rov. 6.4 van het bestreden arrest in het midden gelaten. Voor zover in rov. 6.5 van het bestreden arrest (alsnog) het oordeel besloten ligt dat [eiser] zijn stellingen met betrekking tot het bestaan van een voor de voldoening bepaalde termijn onvoldoende heeft “
onderbouwd” om tot bewijslevering (door middel van getuigen) te worden toegelaten, is dat oordeel onbegrijpelijk, gelet op het volgende.
tot en met de procedure in eerste aanleg nimmer ter discussie heeft gestaan dat partijen hebben afgesproken dat de werkzaamheden uiterlijk[ik lees: vóór, A-G]
18 augustus 2015 klaar moesten zijn en de machine weer in gebruik genomen kon worden.” [35] [eiser] heeft in randnummer 13. van de memorie van antwoord in het incidenteel appel gesteld dat “
[t]ussen partijen (mondeling) een tijdschema[is]
overeengekomen.” [eiser] heeft daarbij gewezen op productie 18 bij de memorie van antwoord in incidenteel appel van [eiser] , met de volgende toevoeging: “
waarin ECS het overeengekomen tijdschema per e-mail aan [eiser] bevestigt.” Productie 18 bij de memorie van antwoord in incidenteel appel van [eiser] bevat de hiervoor in randnummer 1.5 aangehaalde e-mail, waarin onder meer wordt vermeld: “
Dank voor detelefonisch verstrekte opdracht hedenmiddaginclusief transport door ECS. In aanvulling op onze offerte bij dezen nog debevestigingvan de volgende punten:” (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G), waarop dan een weergave van de planning volgt. In randnummer 10. (tweede alinea) van de procesinleiding merkt [eiser] dan ook op: “
[D]e stelling van [eiser] houdt in (rov. 6.1) dat ECS bij haar e-mail van 6 augustus 2015 de mondeling (telefonisch) afgesproken termijn heeft bevestigd.” [36] Gelet op het woord “
hedenmiddag” in de bedoelde e-mail van 6 augustus 2015 lijkt [eiser] te bedoelen dat het bewuste telefoongesprek op 6 augustus 2015 heeft plaatsgevonden. Dat laatste lijkt mij overigens niet essentieel, nu buiten kijf staat dat partijen destijds (ten minste) een telefoongesprek hebben gehad en dit toch wel enige nieuwsgierigheid zou moeten wekken met betrekking tot de inhoud van dat telefoongesprek. [37] In randnummer 14. van de memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [eiser] onder meer naar voren gebracht dat “
[t]ussen [eiser] en ECS veelvuldig telefonisch contact[is]
geweest over de opleveringsdatum”, een stelling die – ook indien juist – enkele jaren na dato doorgaans niet zonder meer eenvoudig kan worden geconcretiseerd. In randnummer 15. heeft [eiser] vervolgens een bewijsaanbod geformuleerd: “
Indien zij daartoe wordt gehouden, biedt [eiser] uitdrukkelijk nader bewijs aan van de afgesproken termijn, onder meer door het doen horen van [eiser 2] , [eiseres 3] en [betrokkene 1] . Zij kunnen verklaren dat tussen partijen een uiterste opleverdatum van 17 augustus 2015 is afgesproken(…).”
uitdrukkelijk beroep” heeft gedaan op een “
fatale datum” (randnummer 4. van de akte). ECS heeft ook betwist “
dat partijen hebben afgesproken dat de werkzaamheden uiterlijk 18 augustus 2015 klaar moesten zijn”, waarbij ECS erop heeft gewezen dat in de “
overeenkomst” (vermoedelijk doelt ECS daarmee op de offerte van 6 augustus 2015) niets is bepaald over een “
mogelijke opleveringsdatum” en dat volgens haar de tekst van de “
overeenkomst” leidend is (randnummer 5. van de akte), wat overigens berust op een onjuiste rechtsopvatting, zo voeg ik toe, onder verwijzing naar randnummer 3.6 hiervoor. Volgens ECS bevat haar e-mail van 6 augustus 2015 (zie randnummer 1.5 hiervoor) een “
planning van de werkzaamheden”, waarbij de woorden “
zover mogelijk inbouwen” erop wijzen dat de machine na aankomst in Axel zou worden opgebouwd, terwijl de e-mail niets bevat over de ingebruikname van de machine en, later, bij de terugplaatsing nog tekortkomingen zijn geconstateerd en meerwerk is overeengekomen (randnummers 6. en 7. van de akte). ECS heeft weersproken dat tussen partijen telefonisch contact is geweest over de opleveringsdatum (randnummer 8. van de akte). Verder is ECS ingegaan op hoe de e-mailcorrespondentie tussen partijen volgens haar moet worden begrepen (randnummers 9. en 10.).
[t]ussen partijen (mondeling) een tijdschema[is]
overeengekomen” en daarmee tussen partijen “
een voor de voldoening bepaalde termijn”als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder a, BW is overeengekomen onvoldoende heeft “
onderbouwd”. Daarbij breng ik in herinnering dat de totstandkoming van een voor de voldoening bepaalde termijn niet aan een vorm is gebonden en in één of meer gedragingen besloten kan liggen (zie randnummer 3.6 hiervoor). Mijns inziens heeft het hof mede tegen die achtergrond inderdaad, zoals [eiser] betoogt, te veel van [eiser] verlangd waar het heeft overwogen dat [eiser] “
heeft nagelaten daarbij concreet te vermelden wanneer, waar, tussen wie en in welke bewoordingen dit zou zijn overeengekomen.” De betwisting van ECS, die op het punt van de inhoud van de telefoongesprekken tussen partijen tamelijk mager oogt (te weten: ECS ontkent dat tussen partijen telefonisch contact is geweest over de opleveringsdatum), gaf mijns inziens ook geen begrijpelijke aanleiding voor dat verlangen. Ik stel voorop dat goed voorstelbaar is dat [eiser] enkele jaren na augustus 2015 niet meer
preciesvoor ogen heeft wanneer welk gesprek met welke inhoud heeft plaatsgevonden. [38] Wanneervolgens [eiser] tussen partijen mondeling een tijdschema is overeengekomen, is
grosso modowel duidelijk op basis van zijn hiervoor in randnummer 3.32 genoemde stellingen, te weten op of omstreeks 6 augustus 2015. Door te verlangen dat [eiser] concreet zou maken
waardat gesprek heeft plaatsgevonden, heeft het hof vermoedelijk over het hoofd gezien dat [eiser] kennelijk op het oog heeft gehad dat het gesprek telefonisch heeft plaatsgevonden. Overigens zie ik ook niet in waarom de plaats waar (anders dan het moment waarop) het gesprek heeft plaatsgevonden, van bijzonder belang zou zijn. Gelet op de verwijzing door [eiser] naar de e-mail van 6 augustus 2015 (van [betrokkene 1] namens ECS aan [eiser 2] ) (productie 18 bij de memorie van antwoord in incidenteel appel van [eiser] ) en de opgave van getuigen in randnummer 15. van de memorie van antwoord in het incidenteel appel (“
[eiser 2] , [eiseres 3] en [betrokkene 1]”) is het ook geen mysterie
tussen wiehet bewuste gesprek zou kunnen hebben plaatsgevonden. Met de overweging dat [eiser] niet heeft gesteld
welke bewoordingendaarbij precies zijn gebezigd, heeft het hof mijns inziens overvraagd. Het is goed voorstelbaar dat de betrokkenen niet meer zeker weten welke precieze bewoordingen zij hebben gekozen, nog los van het feit dat de precieze bewoordingen op zichzelf niet beslissend hoeven te zijn. Een zinvol getuigenverhoor met betrekking tot wat tussen partijen rondom het aangaan van de overeenkomst nu (telefonisch) is besproken, is gelet op de stellingen van [eiser] (en van ECS) goed voorstelbaar, [39] waarbij ik – toch ook – laat meespelen dat in hoger beroep geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Hoe dan ook, dat nadere ‘onderbouwing’ door [eiser] noodzakelijk zou zijn, heeft het hof naar mijn mening niet naar behoren gemotiveerd.
Slotsom voor wat betreft onderdeel 1
Onderdeel 2: verzuim ten gevolge van een ingebrekestelling
[v]oor het intreden van verzuim aan dekant
van ECS(…)
een ingebrekestelling vereist[was]” en dat “
[g]esteldnoch gebleken is dat ECS door [eiser] in gebreke is gesteld” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Kennelijk slechts ten overvloede is het hof ingegaan op de vraag of de e-mail van 20 augustus 2015 van [eiser] als ingebrekestelling kan worden aangemerkt, welke vraag het hof ontkennend heeft beantwoord. [eiser] heeft volgens het hof dus in de eerste plaats
niet gestelddat hij ECS in gebreke heeft gesteld, een oordeel dat enigszins is ondergesneeuwd door de lange passage die erop volgt. Met dat oordeel, dat in cassatie niet wordt bestreden, kon het hof volstaan, want het draagt het oordeel dat er geen ingebrekestelling is geweest. [41] Zonder een daarop gerichte stelling van [eiser] mocht het hof immers, gelet op art. 24 Rv Pro, niet oordelen dat [eiser] ECS in gebreke heeft gesteld. [42]
Voortbouwklachten
vervolgoverwegingen”(ik lees: oordelen) in rov. 6.8 (dat de tweede grief in het incidenteel appel slaagt en dat grief IV in het principaal appel wordt verworpen), rov. 6.9 (dat de grieven V tot en met X in het principaal appel worden verworpen), rov. 6.10 (dat de tweede grief in het incidentele appel slaagt en dat de vordering betreffende de buitengerechtelijke kosten geheel toewijsbaar is) en rov. 6.11 (dat de vordering van ECS zonder verrekening toewijsbaar is, dat de vorderingen van [eiser] in reconventie niet toewijsbaar zijn en dat [eiser] moet worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep) niet in stand kunnen blijven.
beroep op verrekening” van [eiser] , moet berusten op een kennelijke vergissing, die het gevolg is van het feit dat [eiser] in randnummer 35. van de memorie van grieven het argument heeft opgevoerd dat de rechtbank niet had mogen oordelen dat de vordering van ECS (geheel) toewijsbaar is, nu [eiser] een beroep heeft gedaan op verrekening. De rechtbank heeft het verrekeningsverweer van [eiser] echter gehonoreerd (zie randnummer 2.5 hiervoor) en daartegen heeft [eiser] uiteraard niet gegriefd. Er is op dit punt dus niets waarover nog moet worden beslist (anders dan naar aanleiding van de grieven van ECS in het principaal appel). In het verlengde daarvan kan ook, anders dan [eiser] betoogt, de verwerping in rov. 6.9 van het bestreden arrest van grief V in het principale appel (met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten van ECS) in stand blijven. Ook de verwerping in rov. 6.9 van het bestreden arrest van grieven VI, VII, VIII, IX en X van [eiser] in het incidenteel appel wordt niet geraakt door de terecht voorgestelde klachten van onderdeel 1.
Slotsom en afdoening
Het is niet duidelijk hoe [eiser] tot een bedrag van € 24.636,36 heeft kunnen komen. Alleen al de gestelde omzetschade is niet gebaseerd op een berekening, laat staan dat [eiser] een berekening heeft gemaakt van de gederfde winst. In het overzicht van de schade is geen rekening gehouden met de voor de productie van elektriciteit noodzakelijke kosten, zoals de kosten van de brandstof en wat dies meer zij. De werkelijk geleden schade in de vorm van gederfde winst is niet berekend en de rechtbank had dus nooit de schade kunnen toewijzen.” Aan dit betoog en andere betogen van ECS met betrekking tot de omvang van de desbetreffende schadepost is het hof niet toegekomen, omdat het heeft geoordeeld dat ECS niet in verzuim is gekomen.