Uitspraak
3 maart 1989.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of partijen een fatale termijn waren overeengekomen voor nakoming van een verbintenis, en of het gebruik van termen als 'omstreeks' of 'ongeveer' uitsloot dat de debiteur door enkel tijdsverloop in gebreke zou zijn. De vennootschap onder firma Handelsonderneming Bohei was door Business Centre Hupra B.V. gedagvaard wegens een vordering tot betaling.
De Rechtbank Arnhem wees de vordering gedeeltelijk toe, waarna Bohei hoger beroep instelde. Het Gerechtshof Arnhem bekrachtigde het vonnis. Bohei stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde Bohei in de kosten.
De Hoge Raad bevestigde dat het enkele gebruik van termen als 'omstreeks' of 'ongeveer' niet uitsluit dat de debiteur door tijdsverloop in gebreke raakt, mits partijen geen andere duidelijke afspraken hebben gemaakt over het tijdstip van nakoming. Het middel van Bohei faalde op de gronden uiteengezet in de conclusie van het Openbaar Ministerie.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van fatale termijnen in het verbintenissenrecht en benadrukt het belang van duidelijke afspraken tussen partijen over nakomingstermijnen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Bohei wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Arnhem wordt bekrachtigd.