Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
31 januari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de koper door het verstrijken van de afgesproken leveringstermijn van 31 december 2011 zonder ingebrekestelling in verzuim was, dan wel dat uit een mededeling van de koper voortvloeide dat hij zou tekortschieten in de nakoming. De Hoge Raad bevestigde dat een overeengekomen termijn in beginsel fataal is, maar dat dit kan worden weerlegd door de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden.
Het hof had geoordeeld dat de mondelinge afspraak over levering uiterlijk 31 december 2011 niet als een fatale termijn kon worden aangemerkt, mede omdat partijen niets schriftelijk hadden vastgelegd en de koper het pand al in gebruik had genomen tegen betaling van sleutelgeld. De koper mocht daarom aannemen dat hij niet direct in verzuim zou zijn bij overschrijding van die datum.
Verder oordeelde het hof dat de mededeling van de koper op 6 december 2011 dat hij niet uiterlijk 31 december zou kunnen afnemen, onvoldoende was om te concluderen dat hij zou tekortschieten. De Hoge Raad volgde dit oordeel en wees het cassatieberoep af. De buitengerechtelijke ontbinding door de verkoper was derhalve niet rechtsgeldig en de vorderingen werden afgewezen.
De Hoge Raad veroordeelde de eiser tevens in de kosten van het cassatiegeding. Dit arrest bevestigt de noodzaak van een ingebrekestelling bij niet-fataal overeengekomen termijnen en verduidelijkt de uitleg van fatale termijnen in koopovereenkomsten onroerend goed.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de buitengerechtelijke ontbinding is niet rechtsgeldig en de vorderingen worden afgewezen.