Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel: De rechtbank heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:3, 5:7, 5:9, 7:7 en 7:8 in combinatie met 6:1 en 6:4 Wvggz en art. 5 lid 3 EVRM Pro doordat zij een machtiging tot voorzetting van een crisismaatregel heeft afgegeven zonder dat aan de wettelijke vereisten was voldaan. Bij het verzoekschrift ontbraken namelijk afschriften van een crisismaatregel en een medische verklaring van een onafhankelijke psychiater ten aanzien van de persoon waarop het verzoek tot voortzetting betrekking had, te weten betrokkene. Het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dat de rechtbank ondanks het ontbreken van deze stukken een machtiging tot voorzetting van een crisismaatregel kon verlenen. Volgens de rechtbank had een persoonsverwisseling plaatsgevonden. Zij heeft geoordeeld dat de crisismaatregel per abuis was afgegeven op naam van de tweelingzus van betrokkene, zonder dat dit uit de gedingstukken kan volgen. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat betrokkene aan een psychische stoornis leed waardoor ernstig nadeel werd veroorzaakt, zonder dat haar oordeel steun vindt in een medische verklaring van een onafhankelijke psychiater. Uit de gedingstukken blijkt niet dat de burgemeester en de rapporterende psychiater zich in de persoon hebben vergist. De rechtbank heeft dat ook niet geverifieerd. Haar oordeel vindt aldus geen grondslag in de gedingstukken en is evenmin begrijpelijk.” [5]
NJ2020/311 [11] en de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2020:611 [12] en betoogt dat in casu, anders dan in die zaak, er geen sprake is van een gebrek in de voorafgaande crisismaatregel dat de aansluitende titel voor vrijheidsbeneming niet raakt, maar dat het in de onderhavige zaak gaat om een situatie waar een crisismaatregel ten aanzien van betrokkene geheel ontbreekt, omdat zij geen normadressaat was. [13]