ECLI:NL:RBDHA:2015:4177
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot onmiddellijke vrijlating wegens executiegeschil gevangenisstraf
Eiser is veroordeeld bij vonnis van 9 augustus 2001 tot een gevangenisstraf wegens medeplegen van opzetheling. In 2014 werd eiser aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet en later ter executie van het strafvonnis. Eiser voert aan dat hij niet de veroordeelde is, dat het vonnis nog niet onherroepelijk is vanwege een lopend cassatieberoep, en dat het recht tot executie is verjaard.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet-ontvankelijk is voor het beroep op het niet-onherroepelijk zijn van het vonnis, omdat hiervoor een andere procedure openstaat. De stelling dat eiser niet de veroordeelde is, kan in dit kort geding niet leiden tot vrijlating; bovendien is aannemelijk dat eiser feitelijk de veroordeelde is, gelet op overeenkomende dactyloscopische gegevens en foto’s.
Ten aanzien van de verjaring overweegt de rechtbank dat het recht tot executie een termijn van zestien jaar kent, zodat geen sprake is van verjaring. De vordering tot onmiddellijke vrijlating wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke vrijlating wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.