Conclusie
Nummer 19/05739
Zitting 20 april 2021
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Als verklaring van de verdachte [verdachte] :
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
NJ2019/309, m.nt. Kooijmans overwoog de Hoge Raad dat van een verhoor in de hier bedoelde zin sprake is wanneer door de politie aan een verdachte gestelde vragen betrekking hebben op diens betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt. Dit betekent dat ook indien (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden – en een strafbaar feit in zoverre nog niet is ‘geconstateerd’ – sprake kan zijn van een verhoor. Op grond van art. 27, eerste lid, Sv wordt immers als verdachte aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit, aldus de Hoge Raad. [4]
konkomen dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. [8] Bij de nadere invulling van het begrip redelijk vermoeden van schuld moet intussen steeds worden bedacht dat dit begrip zowel een bevoegdheidsverlenende als een rechtsbeschermende functie heeft. Wanneer van bepaalde feiten en omstandigheden wordt gezegd dat zij een redelijk vermoeden van schuld opleveren en een opsporingsambtenaar derhalve aanleiding hadden moeten geven voorafgaand aan het stellen van vragen de verhoorde persoon te wijzen op (onder meer) zijn zwijgrecht en zijn recht op rechtsbijstand, brengt zulks ook mee dat deze opsporingsambtenaar op grond van diezelfde feiten en omstandigheden bevoegd was tot de uitoefening van tegen de verdachte aan te wenden dwangmiddelen. Een extensieve uitleg van het verdenkingsbegrip bergt dus in zich dat zowel opsporingsbevoegdheden als verdedigingsrechten in een vroeger stadium worden toegekend. Volgens Borgers en Kooijmans nopen deze beide zijden van de medaille “per saldo […] tot een niet-extensieve uitleg van het begrip verdachte”. [9]
NJ2019/309, m.nt. Kooijmans was er ten tijde van de vraag of de verdachte een hennepkwekerij in zijn woning had al (ruimschoots) een redelijk vermoeden dat zulks inderdaad het geval was.
Het tweede middel
Ford Transit-arrest [17] had het hof geoordeeld dat uit de omstandigheden van het geval kon worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachte de bank die zij wilden overvallen kennelijk aan ‘het afleggen’ waren en dat zij de Ford Transit gebruikten voor dat criminele doel. De Hoge Raad overwoog dat het hof de auto had beoordeeld op zijn uiterlijke verschijningsvorm, op het daarvan gemaakte gebruik en op het misdadige doel dat de verdachte en zijn mededader met het gebruik van die auto voor ogen hadden. Het oordeel van hof dat de auto aldus kennelijk bestemd was tot het begaan van het misdrijf was onjuist noch onbegrijpelijk. Opmerking verdient in dat verband wel dat voor zowel de algemene strafbaarstelling van voorbereiding in art. 46 Sr Pro als de zelfstandige strafbaarstellingen van art. 10a en 11a Opiumwet geldt dat de (al dan niet alledaagse) voorwerpen bestemd moeten zijn tot het misdrijf dat is voorbereid. [18] Bestemming voor de voorbereiding zelf is mitsdien niet voldoende. [19] Uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat het betreffende voorwerp daadwerkelijk een rol zou gaan spelen bij de uitvoering van het misdrijf. [20] Voor het in art. 10a, eerste lid, aanhef en onder 3°, Opiumwet strafbaar gestelde misdrijf zal het voorwerp bestemd moeten zijn tot het plegen van het feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van art. 10 Opiumwet Pro.
Slotsom
NJ2013/310, m.nt. Keulen; HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:247; en HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1973. Vgl. ten aanzien van art. 273, tweede lid, Sv ook HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2193,
NJ2018/479.
NJ2013/310, m.nt. Keulen en HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:247. Het vormverzuim behoort daarmee tot de categorie van gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van art. 6 EVRM Pro te voorkomen. Die categorie is in het overzichtsarrest inzake 359a Sv van HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 (rov. 2.4.1) onverkort gehandhaafd.
NJ2012/398, m.nt. Van Kempen; HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6864,
NJ2012/463, m.nt. Reijntjes; en HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5706,
NJ2013/310, m.nt. Keulen.
NJ2012/398, m.nt. Van Kempen; HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6864,
NJ2012/463, m.nt. Reijntjes; HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5706,
NJ2013/310, m.nt. Keulen; HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056,
NJ2019/309, m.nt. Kooijmans; HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:341,
NJ2019/132.
NJ2012/398, m.nt. Van Kempen, al kon in die zaak tevens worden betwijfeld of de gestelde vraag wel betrekking had op (betrokkenheid bij) een strafbaar feit.
NJ1948/126, m.nt. Pompe (Getuige Piet Geus), waarin de Hoge Raad besliste dat ook een getuige staande kan worden gehouden.
Het Nederlands strafprocesrecht,bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 96-99 en B.F. Keulen & G. Knigge,
Strafprocesrecht,Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 198 e.v.
NJ2001/338; HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3862; en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:743,
NJ2016/282, m.nt. Keijzer.
Stb. 2014/444.
Kamerstukken II2010/11, 32 842, nr. 3, p. 7 en
Kamerstukken II2011/12, 32 842, nr. 6, p. 6. Zie daarover voorts M.J. Borgers & E. van Poecke, ‘Op weg naar het einde: de strafbaarstelling van voorbereiding en vergemakkelijking van professionele hennepteelt’,
Ars Aequi2012, p. 171-181 en de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt vóór HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328,
NJ2018/281, m.nt. Rozemond.
NJ2013/133; HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198,
NJ2020/394, m.nt. Kooijmans; en HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1380.
Ars Aequi2014, p. 208-213.