Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 november 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd verdacht van het telen van hennep in twee panden te Zutphen. Tijdens een politieonderzoek werd hem in zijn woning gevraagd of hij een hennepkwekerij had, voordat deze daadwerkelijk was ontdekt. Het hof oordeelde dat het recht op raadpleging van een advocaat toen niet hoefde te worden gewezen omdat het strafbare feit nog niet was vastgesteld. De Hoge Raad herhaalt dat het recht op consultatiebijstand geldt zodra er een redelijk vermoeden van schuld bestaat, ook als het strafbare feit nog niet is geconstateerd.
De Hoge Raad benadrukt dat het recht op advocaat bij verhoor voortvloeit uit artikel 6 EVRM Pro en sinds 1 maart 2017 in de artikelen 28c en 28e Sv is geregeld. De verdachte moet voorafgaand aan het eerste verhoor worden gewezen op dit recht, tenzij hij ondubbelzinnig afstand doet of er dwingende redenen zijn. De vraag van de politie aan verdachte over een hennepkwekerij in zijn woning was een verhoor, aangezien dit betrekking had op zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit.
Hoewel het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door te stellen dat het recht alleen geldt als het strafbare feit is vastgesteld, leidt dit niet tot cassatie wegens gebrek aan belang. De bewezenverklaring blijft ook zonder de betwiste verklaring toereikend gemotiveerd. Het beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de bewezenverklaring en veroordeling wegens hennepteelt blijven gehandhaafd.