Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof bewezen verklaard dat hij op 14 augustus 2015 diverse stoffen en voorwerpen voorhanden had die bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten zoals bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet, namelijk voorbereidingshandelingen voor hennepteelt.
Het hof baseerde de bewezenverklaring onder meer op verklaringen van de verdachte zelf, die toegaf dat de goederen waren aangetroffen in een ruimte waar eerder een hennepplantage was, maar dat hij deze spullen niet had opgeruimd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de motivering van de bewezenverklaring onvoldoende had onderbouwd, omdat het enkel steunde op de verklaring van de verdachte zonder voldoende bewijs dat de goederen daadwerkelijk bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten.
De Hoge Raad verduidelijkte dat voor een bewezenverklaring van de bestemming vereist is dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel van belang is. De verklaring van de verdachte dat hij de spullen niet had opgeruimd, is onvoldoende om dat doel te bewijzen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en wees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de bewezenverklaring.