Conclusie
Nummer19/05423
Inleiding
“verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd”en 2.
“verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd”is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en met aftrek van voorarrest. Bovendien heeft de rechtbank beslissingen genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis.
De zaak
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen
1.
3. Bewijsoverwegingen
De beoordeling van het eerste middel
Algemene beschouwingen
het niet nakomen van beloften na pogingen van de rechthebbende om het goed terug te krijgen, of de plaats waar en de wijze waarop de verdachte het goed heeft bewaard of gebruikt in strijd met daarover gemaakte afspraken”. [9] Van verduistering was immers
welsprake in een zaak waarin de verdachte eveneens een gehuurde auto niet op tijd had teruggebracht en door het hof
daarnaastwas vastgesteld dat de verdachte de gehuurde auto na afloop van de huurperiode was blijven gebruiken, door de verdachte de betaling van de automatische incasso was teruggeboekt en de verhuurder meermalen had geprobeerd om met de verdachte in contact te komen en de verdachte niet traceerbaar was, ook niet op het door hem opgegeven adres. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof, dat deze gang van zaken aanmerkte als een geval van wederrechtelijke toe-eigening, voldoende gemotiveerd. [10] Bovendien was sprake van verduistering in een zaak waarin de verdachte anderhalf jaar een geleend geldbedrag onder zich had gehouden, terwijl was afgesproken dat het geldbedrag dezelfde dag binnen anderhalf uur zou worden terugbetaald. [11] Het oordeel van het hof dat sprake was van verduistering kon ook de goedkeuring dragen van de Hoge Raad in een zaak waarin de verdachte een schenking had gekregen ter bekostiging van plastische chirurgie en de verdachte tegen de afspraken in een deel van dit geschonken geld had gebruikt voor andere doeleinden. Door het hof was immers vastgesteld dat het geldbedrag "
gelet op de overeengekomen doelbinding" slechts aan de verdachte was geschonken "
voor zover zij dit geld ook zou gebruiken in overeenstemming met deze doelbinding”. [12]
2.3. […] Van een zodanig beschikken kan - afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval - onder meer sprake zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.”
Toepassing van deze algemene beschouwingen op de zaak
Maatschap” en na de zin “
voorts is overeengekomen dat verdachte zorg zou dragen voor het beheer van de maatschapsrekening en de administratie” immers gebezigd “
een geschrift te weten een overeenkomst van bijzondere maatschap zonder winstoogmerk d.d. 28 maart 2002, p. 120-123”. Uit deze overeenkomst blijkt dat de maatschap [A] is gevestigd in Leiden.
voor een bewezenverklaring van wederrechtelijk toe-eigening [niet] is vereist dat wordt aangetoond waar het geld is gebleven of waaraan het is besteed”, getuigt, gelet op het vooropgestelde, van een onjuiste rechtsopvatting. Het bewijsoordeel is ook overigens ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. Uit de bewijsvoering blijkt met name niet dat de verdachte het geld tegen de afspraken in heeft beheerd en/of de teruggave van het geld heeft bemoeilijkt dan wel onmogelijk heeft gemaakt. Evenmin geeft de bewijsvoering blijk van een andere ‘bijkomende omstandigheid’ die maakt dat het achterhouden van gelden kan worden aangemerkt als een geval van wederrechtelijke toe-eigening. Het enkele feit dat de verdachte het geld (rechtmatig) onder zich had en dat hij
feitelijkover het geld
konbeschikken is daarvoor onvoldoende. Vast moet komen te staan dat de verdachte daadwerkelijk als heer en meester over dat geld
heeftbeschikt. Dat de verdachte een doorbetalingsverplichting aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] had staat vast. De rechtbank heeft echter ten onrechte in het midden gelaten of de verdachte bijvoorbeeld het geld naar zijn eigen rekening heeft doorgesluisd, hij het vervolgens te eigen bate of voor een ander doeleinde heeft gebruikt, en (eventueel) op welk moment de verdachte deze bedragen uiterlijk aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] had moeten doorbetalen.