Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
7 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld voor verduistering van geldbedragen die hij had geleend onder de toezegging deze binnen korte tijd terug te betalen. Uit verklaringen van de benadeelden bleek dat de verdachte het geld niet heeft teruggegeven, ondanks zijn toezegging dit binnen anderhalf uur of dezelfde dag te doen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte als heer en meester over het geld beschikte zonder daartoe gerechtigd te zijn, hetgeen voldoet aan de vereisten van wederrechtelijke toe-eigening zoals bedoeld in art. 321 Sr Pro. Het cassatiemiddel dat dit oordeel aanvalt, faalt omdat het hof voldoende en juiste motieven heeft gegeven.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was anders, maar de Hoge Raad volgt het hof. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd. Hiermee blijft de veroordeling wegens verduistering in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte zich wederrechtelijk heeft toegeëigend van geleend geld en verwerpt het cassatieberoep.