Conclusie
de Gemeenten) van huishoudelijke hulp voor zelfstandig wonende personen op hun grondgebied. De Gemeenten hebben gekozen voor een inkoopmethodiek waarbij aan iedere thuiszorgorganisatie die geïnteresseerd is om deze diensten aan te bieden en die aan de kwalitatieve eisen en voorwaarden voldoet, een raamovereenkomst wordt aangeboden. De vergoeding voor de geleverde diensten wordt bepaald op basis van een vast uurtarief, dat door de Gemeenten eenzijdig is vastgesteld. Inzet van dit kort geding is of de vastgestelde tarieven voor de jaren 2019 en 2020 ‘reëel’ zijn. Volgens verweerster in cassatie (hierna:
TGVS) zijn die prijzen te laag en daarom in strijd met de wettelijke verplichting van de Gemeenten om reële prijzen te betalen voor de dienstverlening. Voor de praktijk is een belangrijke vraag of de AMvB Reële prijs Wmo uit 2017 [1] van toepassing is op de hier gevolgde inkoopmethodiek, die wordt aangeduid als ‘open house-procedure’. Onderdeel 2 van het cassatiemiddel stelt die vraag aan de orde.
1.Feiten
de Regio).
de rekentool). De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft ingestemd met het gebruik van de rekentool.
de Regiegroep), [11] inhoudende dat de door de Gemeenten geboden tarieven niet reëel zijn. Op 23 oktober 2018 heeft Actiz deze klacht onderbouwd.
2.Procesverloop
het hof). Zij heeft dezelfde vorderingen ingesteld als in eerste aanleg en daarnaast gevorderd de Gemeenten hoofdelijk te veroordelen om al hetgeen TGVS ter uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter aan de Gemeenten heeft voldaan, terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.
rechtsverwerkingbehandeld (rov. 5.7-5.9) en geoordeeld dat dit beroep niet slaagt. Het hof oordeelt als volgt:
AMvB Reële prijs Wmo (ook) van toepassing is op een open house-procedure. Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe overweegt het hof als volgt:
Tirkkonen) vast staat dat een Open House procedure niet onder de aanbestedingsregels valt. Om die reden is de AMvB volgens de gemeenten in geval van een Open House procedure niet van toepassing. De gemeenten merken op dat het andersluidende standpunt van de VNG hen niet bindt.
wettelijke verplichting om voor het jaar 2019 reële prijzen vast te stellen, en dat zij daarmee onrechtmatig hebben gehandeld jegens TGVS. Het hof overweegt:
3.Inleidende beschouwingen
eerste modelwas de Europese aanbesteding. Daarbij wordt een opdracht publiekelijk aangekondigd, vindt tussen gegadigden een selectie plaats en wordt de opdracht aan één of aan een beperkt aantal inschrijvers gegund. Gunning vindt plaats op basis van de laagste geoffreerde prijs of – en vaker – op basis van de ‘economisch meest voordelige aanbieding’ (EMVI), een mix van prijs en kwaliteit. Doorgaans werd de opdracht aan meerdere inschrijvers gegund. Op die manier werd de (wettelijke) keuzevrijheid van de gebruiker gewaarborgd en werd voorkomen dat een gemeente afhankelijk zou worden van één aanbieder (en omgekeerd een aanbieder van één opdrachtgever). Een
tweede model dat tot ontwikkeling was gekomen, was het zogeheten ‘Zeeuwse model’. Daarbij wordt een opdracht openbaar gemaakt, zodat elke geïnteresseerde aanbieder daar op kan inschrijven, maar is er geen gunningscriterium. Alle zorgaanbieders die tegen de door de gemeente (of regio) vastgestelde eisen, voorwaarden en vaste tarieven zorg kunnen en willen leveren, krijgen een raamcontract aangeboden. Het
derde modelwas het ‘bestuurlijk aanbestedingsmodel’, ook aangeduid als ‘dialooggericht aanbesteden’. Daarin maakt de gemeente een opdracht niet publiekelijk bekend, maar nodigt zij geschikte partijen uit voor (bilaterale) onderhandelingen over de voorwaarden, waaronder de prijs. Er is ruimte voor tussentijdse toe- of uittreding. Net als in het Zeeuws model vindt geen beperking van het aantal gecontracteerde zorgaanbieders plaats. De tegenhanger daarvan is dat zorgaanbieders geen omzetgarantie krijgen.
indieneen voorziening wordt aanbesteed, EMVI (en niet de laagste prijs) als gunningscriterium dient te worden gehanteerd.
in meer algemene zin de verplichtingop de gemeenten om bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening. Bij het stellen van die regels moet rekening worden gehouden met de vereiste deskundigheid van het in te schakelen personeel en de arbeidsvoorwaarden van dat personeel.
De gemeenten dienen hierbij ten minste een inschatting te maken van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Welke invloeden daarbij worden meegewogen, is ter beoordeling aan de gemeenten.
Uitgangspunt is, dat de aanbieder personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. De gemeente zal zich dus ten minste een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen.Hiermee wordt voorkomen dat een gemeente alleen de laagste prijs voor de uitvoering van de opdracht beschouwt. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.”
Gemeenten dienen een reële prijs op basis van de relevante kostprijselementen vast te stellen en deze met het oog op de kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening als ondergrens te hanteren bij aanbestedingsprocedures. (…).”
De gemeenten dienen hierbij ten minste een inschatting te maken van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Dit besluit vult deze bestaande werkwijze in door de beschreven kostprijselementen verplicht mee te laten wegen. De door het college vastgestelde reële prijs geldt vervolgens als ondergrens voor het gunnen van een overheidsopdracht. (…)”
Met deze loonsverhoging moet dus bij het bepalen van de tarieven en het afsluiten van nieuwe contracten ook rekening worden gehouden.”
overheidsopdrachtis een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel. [29] Dit betekent dat de aanbestedende dienst een vergoeding betaalt voor een werk, levering of dienst en de uitvoering daarvan kan afdwingen. De opdrachtnemer levert de dienst en heeft recht op de overeengekomen vergoeding. Voor het verstrekken van overheidsopdrachten (in deze sectoren) gelden Europese en nationale regels: (thans) Aanbestedingsrichtlijn 2014/24/EU, de Aanbestedingswet 2012 en de Gids Proportionaliteit. [30] Deze regels strekken ertoe dat aanbestedende diensten opdrachten op een transparante wijze gunnen, alle gegadigden voor een opdracht op dezelfde wijze behandelen en hierbij niet discrimineren tussen ondernemers. [31]
Open Housespreekt men wanneer een gemeente overeenkomsten sluit met
elkeondernemer die tegen standaardvoorwaarden en vaste tarieven bepaalde goederen of diensten kan leveren. De open house-procedure is aan te merken als een toelatingsprocedure en vertoont overeenkomsten met zowel het Zeeuwse model als met bestuurlijk aanbesteden (vgl. 3.3 hiervoor). Alle zorgaanbieders die aan de geschiktheidseisen en/of minimumeisen voldoen, worden toegelaten tot de
poolvan zorgaanbieders waarmee een raamovereenkomst wordt gesloten. Het kernelement van de overheidsopdracht, het maken van een keuze tussen inschrijvingen en het gunnen van de opdracht aan een of meer inschrijvers, ontbreekt omdat er geen gunningscriterium is. Het aantal aanbieders is niet op voorhand beperkt. Tijdens de looptijd van dit systeem van afspraken sluit de gemeente met iedere aanbieder die kwalificeert en zich aan de voorwaarden committeert, een raamovereenkomst. Anders dan bij een aanbesteding, waar het gaat om concurrentie
omde markt en er winnaars en verliezers zijn, hoeven in een open house-procedure zorgaanbieders niet met elkaar te concurreren om te worden toegelaten tot de
pool. Daar staat tegenover dat een toegelaten aanbieder ‘slechts’ een raamovereenkomst heeft en geen omzet- of opdrachtgarantie krijgt. De eindgebruiker (‘cliënt’) kan een keuze maken uit de toegelaten aanbieders. In zoverre bestaat er enige concurrentie
opde markt.
Falk Pharma(2016) [35] en
Tirkkonen(2018). [36]
Falk Pharmahad een Duits ziekenfonds de aankondiging bekendgemaakt om via een toelatingsprocedure kortingsovereenkomsten voor geneesmiddelen te sluiten. Met alle belangstellende ondernemingen die aan de toelatingscriteria voldeden, waren identieke overeenkomsten gesloten waarvan de voorwaarden vooraf waren vastgesteld zonder dat daarover kon worden onderhandeld. Bovendien had iedere andere onderneming die aan deze criteria voldeed, nog de mogelijkheid om onder dezelfde voorwaarden tot het systeem van kortingsovereenkomsten toe te treden tijdens de looptijd ervan. Falk Pharma voerde aan dat de door het betrokken ziekenfonds gevoerde toelatingsprocedure (door de verwijzende rechter aangeduid als “open-housemodel”) en de enige daaruit voortvloeiende overeenkomst onverenigbaar waren met Aanbestedingsrichtlijn 2004/18/EG (de voorloper van Richtlijn 2014/24/EU). Het HvJEU ging in dat betoog niet mee. In antwoord op de eerste prejudiciële vraag van het Oberlandesgericht Düsseldorf antwoordde het HvJEU dat
Tirkkonenhad het Fins agentschap voor het platteland een openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven teneinde een raamovereenkomst te sluiten voor adviesdiensten voor landbouwers. In hoger beroep vroeg de appelrechter zich in het licht van het arrest
Falk Pharmaaf of de Finse wet inzake overheidsopdrachten op die zaak eigenlijk wel van toepassing is, aangezien er geen keuze van of gunning aan een of meer inschrijvers plaatsvond. Was dit een overheidsopdracht?
Falk Pharmaen
Tirkkonenblijkt aldus dat, indien de overheid niet een keuze maakt maar contracteert met alle partijen die voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen, van een overheidsopdracht geen sprake is. Een dergelijk inkoopsysteem valt buiten het toepassingsbereik van de Richtlijn 2014/24/EU en daarmee ook van deel 2 van de Aanbestedingswet 2012. Hieruit volgt dat de aanbestedingsregels niet van toepassing zijn op een open house-procedure. Daarbij wordt immers geen (exclusieve) keuze gemaakt voor een aanbieder. Het gaat om een toelatingsprocedure, waarin de opdrachtgever werkt met een toelatingsdocument. Op deze procedure zijn wel de algemene beginselen van aanbestedingsrecht van toepassing: gelijke behandeling, transparantie en proportionaliteit. [38]
Falk Pharmaen
Tirkkonenheeft de open house-procedure aan populariteit gewonnen. Voor Wmo-diensten is uit empirisch onderzoek gebleken dat, waar het instrument ‘Open House’ in 2018 nog slechts 7% van het totaal aantal inkoopprocedures uitmaakte, dit aandeel in 2019 is gestegen tot 51% en in 2020 zelfs 53% bedroeg. In die periode daalde het aandeel van de aanbestedingsprocedures op het geheel van Wmo-inkoop van 89% naar 43%. [39]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen de afwijzing door het hof van het beroep van de Gemeenten op rechtsverwerking.
Onderdeel 2is gericht tegen het oordeel dat de AMvB Reële prijs Wmo ook van toepassing is op inkoop via een open house-procedure.
Onderdeel 3keert zich tegen het voorshandse oordeel dat de door de Gemeenten gehanteerde prijzen geen ‘reële prijzen’ zijn.
Onderdeel 4bevat louter een voortbouwklacht.
in de gegeven omstandigheden” jegens TGVS geen geslaagd beroep kunnen doen op de rechtsverwerkingsclausule, opgenomen in art. 2.8 van het addendum van 6 december 2018 bij het toelatingsdocument. Het was, zo overweegt het hof, de Gemeenten duidelijk dat TGVS bezwaren had tegen de vastgestelde prijzen en dat Actiz mede ten behoeve van TGVS een zaak aanhangig had gemaakt bij de Regiegroep.
rechtens hoge(re) eisen stellen” aan een tijdig relevant bezwaar dat aan honorering van een beroep op rechtsverwerking in de weg staat. Dit geldt in het bijzonder indien sprake is van eenmaligheid van een bezwaar en van het uitblijven van een vervolg (kort geding of herhaald bezwaar) na een directe afwijzing.
Grossmann, een onderneming wegens gebrek aan procesbelang geen beroep tegen de voorlopige gunningbeslissing kan instellen. Sterker nog, de mogelijkheid van beroep openstellen strookt niet goed met de doelstellingen van snelheid en doeltreffendheid van genoemde richtlijn:
rechtens hoge(re) eisen” waaraan zou moeten zijn voldaan, precies inhouden. Het subonderdeel verwijst evenmin naar een vindplaats in de processtukken waarin het Grossmann-verweer specifiek wordt genoemd. Los van deze formele aspecten faalt het beroep op het Grossmann-verweer omdat het in deze zaak niet om een
aanbestedinggaat (zie 3.25 hiervoor). [56] De Gemeenten erkennen dat. Zij betogen immers dat de AMvB Reële prijs Wmo niet van toepassing is op open house-procedures omdat het toepassingsbereik daarvan is beperkt tot aanbestedingsprocedures. Daarbij komt dat de Rechtsbeschermingsrichtlijn slechts van toepassing is op
Europeseaanbestedingen, waarvan hier al helemaal geen sprake is. Tot slot had TGVS haar bezwaren tegen de voor de jaren 2019-2020 door de Gemeenten te hanteren tarieven tijdig kenbaar gemaakt (vgl. rov. 5.8 en 5.9, eerste volzin, van het bestreden arrest).
subonderdeel 1.3klagen de Gemeenten dat het bestreden oordeel niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van een zestal door hen aangevoerde stellingen. Die stellingen komen er, samengevat, op neer dat TGVS haar recht om tegen de gehanteerde prijzen op te komen zou hebben verwerkt omdat (i) TGVS haar bezwaren tegen de prijzen niet vóór het verlengen van de lopende overeenkomst kenbaar heeft gemaakt, terwijl de rechtsverwerkingsclausule in het Toelatingsdocument dat wel vereiste, en (ii) zij de wijziging in het Toelatingsdocument door ondertekening van het addendum op de bestaande overeenkomst heeft aanvaard. [57] Volgens het subonderdeel geven de rov. 2.7-2.9 geen voldoende (begrijpelijke) respons op dit betoog.
nadien, door na verwerping van haar bezwaren de verlengingsovereenkomst alsnog te ondertekenen, onvoorwaardelijk akkoord is gegaan met de tarieven. Dit volgt mede uit het gegeven dat de Gemeenten er kort daarna achter kwamen dat Actiz mede ten behoeve van TGVS een procedure over de tarieven aanhangig had gemaakt bij de Regiegroep en TGVS de uitkomst van die procedure wilde afwachten. Deze overwegingen zijn niet onbegrijpelijk en behoefden, mede in aanmerking genomen dat het hier om een kort geding gaat, [58] geen nadere motivering.
Het staat u vanzelfsprekend vrij om op elk gewenst moment rechtsmiddelen in te zetten indien u dat wenst”. Ook dat wijst erop dat TGVS nog op haar bezwaren kon terugkomen en niet haar rechten daartoe had verwerkt.
subonderdeel 1.5niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat een wezenlijk kenmerk van de gevolgde open house-procedure is dat een gemeente met meerdere zorgaanbieders contracteert en dat de cliënten hun zorgaanbieder kunnen uitkiezen De beslissing zou voorts onbegrijpelijk zijn gelet op de stelling van de Gemeenten dat zij aan TGVS tijdens een overleg van 31 januari 2018 het mechanisme uit de overeenkomst hebben toegelicht, dat TGVS de dienstverlening kan beëindigen en dat de lopende klanten en het personeel dan overgaan naar een andere aanbieder.
subonderdelen 2.1 en 2.2bevatten geen klacht.
Subonderdeel 2.3bevat de klacht dat er geen grondslag is om de duidelijke tekst van de Wmo 2015 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 opzij te zetten en de open house-procedure te brengen onder regels die zijn bedoeld te gelden voor procedures op grond van de Aanbestedingswet 2012. Daartoe verwijst het subonderdeel naar de hiervoor besproken arresten
Falk Pharmaen
Tirkkonen. In
subonderdeel 2.4betogen de Gemeenten dat hof op de voet van art. 25 Rv Pro ambtshalve onder ogen had moeten zien dat het HvJEU reeds in het arrest
Falk Pharmavan 2 juni 2016 had bepaald dat een toelatingsprocedure vergelijkbaar met de open house-procedure niet onder de voor overheidsopdrachten geldende aanbestedingsregels valt. Dit was, zo stelt het subonderdeel, ten tijde van de vaststelling respectievelijk inwerkingtreding van de AMvB Reële prijs Wmo bij de regering bekend.
tekstvan art. 2.6.4 en art. 2.6.6 Wmo 2015 (vgl. 3.5 – 3.7 hiervoor) wordt de inkoop van maatschappelijke ondersteuning via een andere route dan het organiseren van een aanbestedingsprocedure niet uitgesloten. Uit de tekst art. 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, dat als gezegd een uitwerking geeft van de verplichting in art. 2.6.6 lid 1 Wmo 2015, kan evenmin worden afgeleid dat de verplichting om een reële kostprijs vast te stellen uitsluitend zou gelden indien de levering van diensten wordt aanbesteed. In het eerste lid wordt gesproken van het vaststellen van een vaste prijs of een reële prijs die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012
enhet aangaan van een overeenkomst met de derde. Deze tekst lijkt niet uit te sluiten dat met een aanbieder van zorg een overeenkomst wordt gesloten zonder dat voorafgaand een aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden.
nota van toelichtingbij de AMvB Reële prijs Wmo wordt gerefereerd aan de aanbestedingsprocedure. Zo staat op blz. 4:
doelstellingvan de regeling, zoals het hof terecht heeft geoordeeld. De ratio van art. 2.6.6 Wmo is dat de kwaliteit en de continuïteit van de zorgverlening wordt gewaarborgd. De directe aanleiding voor de AMvB Reële prijs Wmo waren de dalende vergoedingen voor huishoudelijke ondersteuning, waarvan negatieve gevolgen uitgingen voor kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening die de wetgever juist wil beschermen. Er bestond volgens de wetgever een noodzaak een dreigende
race to the bottomeen halt toe te roepen. Gezien deze aanleiding ligt het naar mijn mening niet in de rede om aan te nemen dat de gekozen inkoopprocedure beslissend zou moeten zijn voor de vraag of wel of niet een reële kostprijs moet worden betaald voor activiteiten die een gemeente door derden (zorgaanbieders) wil laten uitvoeren. Nergens blijkt van de wil van de wetgever om een dergelijke keuze te maken. Ook staat vast dat een open house-procedure niet expliciet van de werkingssfeer van de AMvB is uitgesloten.
juistals de prijs niet tot stand komt door biedingen maar door de opdrachtgever eenzijdig wordt vastgesteld, het extra belangrijk is dat daarbij rekening wordt gehouden met de reële kosten. Juist bij open house-procedures is er dus behoefte aan een wettelijke regeling die voorschrijft dat de prijs reëel moet zijn. [62] Het strookt dan ook volledig met de ratio van art. 2.6.6 Wmo en de doelstellingen van de AMvB Reële prijs Wmo om art. 5.4 van het Wmo uitvoeringsbesluit van toepassing te achten op inkoop van huishoudelijke ondersteuning langs de weg van de open house-procedure. Het strookt naar mijn mening niet met de bedoeling van de wetgever indien gemeenten voorschriften van de AMvB, bijvoorbeeld ten aanzien van de in aanmerking te nemen kostprijselementen, zouden kunnen omzeilen door de te kiezen voor een open house-procedure.
subonderdeel 2.5komen de Gemeenten op tegen het oordeel in rov. 5.21 dat TGVS aannemelijk heeft gemaakt dat de door hen voor 2019 vastgestelde prijzen niet voldoen aan het criterium van een reële prijs. Het subonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat TGVS aan die AMvB niet
rechtstreekseen recht kan ontlenen dat tarieven in een reeds tot stand gekomen overeenkomst moeten worden aangepast.
subonderdeel 2.7niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
subonderdeel 2.2tot uitgangspunt heeft genomen dat de door subonderdeel 2.7 bestreden overweging de beslissing van het hof
nietzelfstandig draagt. Dit subonderdeel gaat derhalve uit van een ander uitgangspunt dan eerder is aangenomen.
Subonderdeel 3.2klaagt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de toetsing van de vraag of TGVS voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Gemeenten in strijd hebben gehandeld met de AMvB Reële prijs Wmo. Ter toelichting wordt aangevoerd dat art. 2.6.6 Wmo en art. 5.4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen expliciet (grote) beleidsruimte aan gemeenten laten met betrekking tot de vraag hoe zij komen tot de vaststelling van een reële prijs. Betoogd wordt dat gezien deze beleidsruimte door de civiele rechter met terughoudendheid dient te worden getoetst of en wanneer in strijd met de AMvB Reële prijs Wmo (en dus genoemd art. 5 lid Pro 4) is gehandeld. [63] Het subonderdeel klaagt dat het hof geen blijk heeft gegeven van (voldoende) terughoudendheid in de door hem uitgevoerde toetsing. Althans heeft het hof volgens
subonderdeel 3.3miskend dat het enkele feit dat er enige discussie mogelijk is over de vraag of de vastgestelde prijs hoger of lager zou moeten uitvallen, wanneer voor het overige zorgvuldig met alle kostprijselementen rekening is gehouden, geen voldoende (rechts)grond kan opleveren om schending van de AMvB Reële prijs Wmo aan te nemen, in zoverre deze benadering zich rechtens niet verdraagt met genoemde terughoudende toetsing.
ten minsteop moet zijn gebaseerd. Genoemd worden onder meer de kosten van de beroepskracht (onder a), kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg (onder c), reis en opleidingskosten (onder d) en indexering van de reële prijs voor het leveren van een dienst (onder e). Ik verwijs ook naar de citaten hiervoor in 3.10 – 3.15, met name naar de daarin door mij onderstreepte passages.
geldendearbeidsvoorwaarden. Tegelijk blijkt uit de tweede zojuist geciteerde alinea dat het niet zo is dat de sociale partners de lonen van het personeel van thuiszorginstellingen straffeloos kunnen laten stijgen vanuit de veronderstelling dat loonstijgingen steeds integraal in de tarieven worden verwerkt.
reëleprijs is, rekening houdend met bijvoorbeeld tussentijds gewijzigde arbeidsvoorwaarden krachtens een algemeen verbindend verklaarde cao.
nietreëel zijn. Samengevat: in de tarieven is de cao-VVT onvoldoende verdisconteerd, is onvoldoende rekening gehouden met de invoering van de HbH-loonschalen en zijn niet alle kostenposten verwerkt die volgens de Wmo 2015 moeten worden meegenomen. Volgens TGVS hebben de Gemeenten in het vastgestelde tarief onvoldoende rekening gehouden met de in art. 5.4 lid 3, onder a – d, Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde kostprijselementen (vgl. 3.8 hiervoor, waar die elementen zijn weergegeven).
eenzijdigheeft vastgesteld – in elk geval inzichtelijk dienden te maken op welke wijze zij tot de vastgestelde prijzen zijn gekomen. Het hof heeft in rov. 5.19 overwogen dat de Gemeenten dit niet hebben gedaan (laat staan dat zij inzichtelijk hebben gemaakt dat in de vastgestelde prijzen
allein art. 5.4 lid 3 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde kostenposten zijn verdisconteerd).
klacht onder ahoudt in dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op de stelling van de Gemeenten dat een vaststelling dat de door hen gehanteerde prijs geen reële prijs zou zijn, zich niet verhoudt met het feit dat de minister van VWS en de Regiegroep hebben geconcludeerd dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat schending van de AMvB Reële prijs Wmo heeft plaatsgevonden. Volgens de klacht hebben de minister en de Regiegroep daarmee – volgens het middel terecht – terughoudender getoetst dan het hof heeft gedaan.
zelfstandigeen (in dit kort geding: voorshands) oordeel diende te geven over de voorgelegde vraag of de vastgestelde prijzen reëel zijn. Indien de Regiegroep en, in navolging daarvan, de minister, gemotiveerd zouden hebben geoordeeld dat dit het geval is, dan zou het hof aan dat oordeel ongetwijfeld gewicht hebben toegekend. Een dergelijk oordeel ontbreekt evenwel. Op de Regiegroep rust ook geen verplichting om een beslissing te nemen waarbij een klacht gegrond of ongegrond wordt verklaard. Er is overigens ook slechts een e-mailbericht gestuurd door een medewerker van het Ministerie van VWS, welk bericht niet als ‘besluit’ van de minister kan worden aangemerkt waartegen rechtsbescherming open staat.
klachten onder b tot en met fmerk ik vooraf het volgende op. Het hof heeft in rov. 5.19 niet alle in art. 5.4 lid 3 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde kostenposten afzonderlijk beoordeeld. Daartoe bestond naar mijn mening ook geen noodzaak. Daartoe acht ik van belang dat in de processtukken van de Gemeenten niet op basis van recente cijfers uiteen wordt gezet hoe de Gemeenten tot de vastgestelde tarieven zijn gekomen. De Gemeenten blijven verwijzen naar een rapport van Boer & Croon uit 2016. Uit dat rapport zelf kan niet met een voldoende mate van zekerheid worden afgeleid of de voor de
jaren 2019 en 2020vastgestelde tarieven voor huishoudelijke hulp reëel zijn. Waar TGVS heeft betoogd dat de tarieven niet reëel zijn, heeft zij verwezen naar ontwikkelingen die na 2016 hebben plaats gevonden, zoals de nieuwe cao-VTT de invoering, eveneens in 2018, van de HbH-loonschalen.
klacht onder bis de bestreden beslissing van het hof niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu de Gemeenten hebben toegelicht dat alle in art. 5.4 lid 3 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 opgesomde kostenposten zijn meegewogen en dat een reële prijs is vastgesteld. De kostprijselementen onder a – d zouden zijn opgenomen in het onderzoek van Boer & Croon en het kostprijselement onder e zou zijn meegenomen met de jaarlijkse indexatie. De Gemeenten klagen verder dat zij hebben aangevoerd dat zij het tarief meerdere malen hebben verhoogd met een indexatie, waaronder een
extraindexatie per 1 april 2018 van 2% in verband met de verplichte nieuwe inschaling op grond van de cao-VVT. Zij hebben voorts betoogd dat het loon slechts een deel van de kostprijs is en dat het feit dat de lonen in de cao-VVT met 4% zijn gestegen, niet betekent dat ook de kostprijs met 4% stijgt.
extraindexatie in verband met de nieuwe inschaling en de loonsverhoging van 4% in de processtukken nader hadden onderbouwd met concrete cijfers. Dit is in de passages van de processtukken waarnaar de klacht verwijst, niet gebeurd, omdat daarin niet wordt verduidelijkt wat het effect van invoering van een nieuwe HbH-inschaling en een algemene loonstijging van 4% zal zijn op de hoogte van de uurtarieven.
klacht onder cniet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van het feit dat de Gemeenten gemotiveerd hebben onderbouwd dat, mede op basis van het rapport van Boer & Croon, een reële prijs
isvastgesteld. Ik herhaal dat het rapport van Boer & Croon geen rekening is worden gehouden met de financiële gevolgen van een nieuwe cao-VVT per 1 april 2018. Dat kon uit de aard der zaak ook niet.
klacht onder dneemt tot uitgangspunt dat de bestreden beslissing (mede) is gebaseerd op de overweging in rov. 5.20 dat uit de door de Gemeenten overgelegde stukken niet is gebleken dat zij voortdurend onderzoek hebben gedaan naar de kostprijzen in de thuiszorg. Geklaagd wordt dat deze beslissing niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van de stellingen van de Gemeenten dat zij continu de markt en de kosten van aanbieders van Wmo-zorg laten onderzoeken, dat deze onderzoeken niet zijn overgelegd omdat zij veel vertrouwelijke informatie van bedrijven bevatten, dat het kostprijsonderzoek van Boer & Croon zo’n onderzoek was, en dat klachten van TGVS tegen dat onderzoek in een eerder kort geding ongegrond zijn geoordeeld.
klacht onder eniet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de stelling dat een extra indexatie van 2% in 2018 voor de totale prijsstelling is doorgevoerd teneinde tegemoet te komen aan de verhoging van de lonen in de nieuwe cao-VVT.
klacht onder fkomen de Gemeenten op tegen het oordeel in rov. 5.20 dat ook de omstandigheid dat de minister van VWS geen aanleiding heeft gezien om in de door hen vastgestelde prijzen in te grijpen, geen aanwijzing vormt dat sprake is van reële prijzen. Het hof overweegt in dat verband dat de minister “
zich immers achter de impasse van de Regiegroep AMvB Reële prijs Wmo heeft geschaard”. Geklaagd wordt dat de beslissing van het hof niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
inhoudelijkoordeel omtrent de klacht van Actiz is gegeven.
sprake is van reële prijzen”, is (dan ook) niet onbegrijpelijk. De redengeving dat de minister zich achter de impasse van de Regiegroep “
heeft geschaard” is mogelijk een wat minder precieze woordkeus – het is alleen mogelijk te constateren dát er een impasse is – maar voor de juistheid van de beslissing van het hof maakt dit verder niet uit.