Conclusie
Nummer20/01218
Art. 14a, eerste lid, Sr:
Art. 14c, eerste lid, Sr:
Art. 14g, eerste lid, Sr:
Art. 14i, zesde lid, Sr:
NJ2001/353 heeft Uw Raad omtrent art. 14g, eerste lid, Sr (oud) het volgende overwogen:
NJ2010/73 kan worden afgeleid dat Uw Raad niet in alle gevallen eist dat de advocaat-generaal de grondslag van de vordering expliciet uitbreidt. In deze zaak hadden rechtbank en hof de zaken met parketnummers 13/421846-06 (zaak A), 13/437106-07 (zaak B) en 15/630115-05 (zaak C) gevoegd behandeld. De vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf had zaak B als grondslag. De rechtbank had de verdachte veroordeeld wegens in de zaken A en C tenlastegelegde feiten en de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen hoewel – zoals de rechtbank expliciet overwoog - de verdachte was vrijgesproken van het tenlastegelegde in zaak B. De advocaat-generaal had in hoger beroep bevestiging gevorderd van het vonnis. Het hof veroordeelde de verdachte voor in de zaken A en C tenlastegelegde feiten en gelastte tevens de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde straf. Uw Raad overwoog dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld ‘dat de Advocaat-Generaal bij de behandeling van de zaak in hoger beroep door bevestiging te vorderen van het vonnis van de Rechtbank (waarin de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging was gegrond op de bewezenverklaring in zaak A subsidiair en C onder 1) de grondslag van de vordering tot tenuitvoerlegging aldus heeft gewijzigd dat zij erop is komen te berusten dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de strafbare feiten die in de zaken A en C zijn tenlastegelegd’. Dat oordeel getuigde volgens Uw Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting. [4]