ECLI:NL:HR:2011:BP4387
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf en ontvankelijkheid OM
In deze zaak stond de vraag centraal of een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf kan worden ingetrokken en tot welk moment dit mogelijk is. De Hoge Raad stelt vast dat de wet geen expliciete regeling bevat voor intrekking van een dergelijke vordering, maar dat dit niet is uitgesloten zolang het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nog niet is begonnen.
De zaak betrof een verdachte die was veroordeeld voor medeplegen van een milieudelicten en een voorwaardelijke geldboete opgelegd kreeg met een proeftijd van twee jaar. Het Openbaar Ministerie diende een vordering tot tenuitvoerlegging in na het verstrijken van de proeftijd, waarop het hof de tenuitvoerlegging gelastte. De Hoge Raad oordeelde dat deze vordering niet ontvankelijk was omdat deze later dan drie maanden na het einde van de proeftijd was ingediend, zoals bepaald in art. 14g, vijfde lid, Sr.
Verder verduidelijkte de Hoge Raad dat intrekking van de vordering tot tenuitvoerlegging na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting niet meer mogelijk is. Indien het OM van mening verandert, dient het dit tijdens het requisitoir kenbaar te maken en de rechter te verzoeken de vordering af te wijzen. Het arrest vernietigt het hofsvonnis voor zover het de tenuitvoerlegging betreft en verklaart het OM niet-ontvankelijk in die vordering.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging wegens te late indiening.