Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbevat de klacht dat ‘s hofs oordeel dat het aannemelijk is dat de betrokkene in de periode voorafgaand aan het in de strafzaak bewezenverklaarde aanwezig hebben van hennep meermalen tezamen en in vereniging met de medeverdachte hennep heeft geteeld en daaruit voordeel heeft behaald, in strijd is met hetgeen het hof in de strafzaak heeft vastgesteld en onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed is. Ook ‘s hofs oordeel dat het voordeel pondspondsgewijs zal worden verdeeld nu betrokkene geen openheid heeft gegeven over welk bedrag zij precies heeft gekregen, zou tekort schieten nu het hof in de strafzaak heeft vastgesteld dat de medeverdachte de hennepkwekerij alleen heeft gedraaid, zodat de betrokkene over de opbrengst daarvan ook geen openheid heeft kunnen geven. De vaststelling van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of de oplegging van de maatregel zou dan ook onvoldoende met redenen zijn omkleed.
Vrijspraak van het ten laste gelegde (medeplegen) telen, bereiden, bewerken, verwerken
(…)
2. (Medeplegen van) opzettelijk aanwezig hebben van 608 hennepplanten
het hof begrijpt: haar partner) en samen hadden zij een minderjarig dochtertje dat ten tijde van de (
naar het hof begrijpt: op 15 maart 2016 aangetroffen) hennepkwekerij 4 jaar oud was. Blijkens het kadaster blijkt de woning tevens gezamenlijk eigendom te zijn van de verdachte en de medeverdachte.
(…)
Het hof is van oordeel dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de hennepkwekerij, terwijl de hennepplanten zich in haar machtssfeer bevonden nu zij als mede-eigenaar en mede-hoofdbewoner in de garage kon wanneer zij dat wilde, zij wist waar de sleutel lag en niet is gesteld of gebleken dat zij niet in de garage mocht komen.
Tenlastegelegd is dat verdachte de hennepplanten op 15 maart 2016 tezamen en in vereniging met een ander aanwezig heeft gehad
Het hof overweegt met betrekking tot dit medeplegen het volgende.
(…)
Het hof is -anders dan de advocaat-generaal- van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte niet is komen vast te staan. Er was op 15 maart 2016 geen sprake van een gezamenlijke uitvoering, anders dan dat verdachte een strafbare situatie heeft laten voortbestaan en heeft meegedeeld in de financiële winst. De bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde is derhalve naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onderdeel medeplegen.’
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
hof: inmiddels opgevolgd door de BRP). [15] Blijkens het kadaster was de woning gezamenlijk eigendom van de betrokkene en de medebetrokkene. [16] Verder voerden betrokkene en medebetrokkene een gezamenlijke huishouding en waren ze financieel verweven. Zo blijkt ook uit de verklaring van betrokkene ter terechtzitting in eerste aanleg, waarbij zij aangeeft dat zij samen de hypotheek van de woning aflosten, zij zich nooit met de financiën heeft bemoeid, zij samen € 4.000,- spaargeld hadden en dat zij altijd geld van het huishoudgeld pakte. [17]
€ 55.240,45
€ 400,-.
€ 1.732,80.
Variabele kosten
€ 2.024,64
€ 127,68
€ 152.865,00
€ 76.432,50.’
NJ2021/46 m.nt. Reijntjes heeft Uw Raad overwogen: [23]
NJ2018/161. Ten laste van de betrokkene was bewezenverklaard dat hij in de periode van 22 juli 2009 tot en met 22 juli 2010 een hoeveelheid van in totaal ongeveer 2.476 hennepplanten opzettelijk aanwezig had gehad. De verdachte was vrijgesproken van het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van die planten in de bewezenverklaarde periode. Uw Raad oordeelde dat het hof gelet daarop ‘bij de beoordeling van de ontnemingsvordering ten onrechte het aan die vrijspraak gerelateerde voordeel (had) betrokken’. Daaraan deed niet af dat het om een technische vrijspraak ging. [25]
NJ2005/425 m.nt. Reijntjes al eens heeft overwogen dat het voordeel dat de betrokkene had verkregen door desbewust profijt te trekken uit de opbrengst van door haar partner gedreven handel in softdrugs als in strijd met art. 416, tweede lid, Sr verkregen voordeel vatbaar was voor ontneming. [27] In verband met de vraag of ook van het opzettelijk aanwezig hebben kan worden aangenomen dat het wederrechtelijk voordeel heeft gegenereerd, merk ik op dat het verband tussen een misdrijf en voordeel niet heel rechtstreeks behoeft te zijn. [28] Dat het voordeel door opzetheling is verkregen brengt evenwel reeds mee dat het vatbaar is voor ontneming.
NJ2006/63 overwogen: [29]