ECLI:NL:HR:2002:AE1182
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vermogensvergelijking als methode voor ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel niet zonder meer toelaatbaar
In deze cassatieprocedure staat centraal de vraag of de methode van vermogensvergelijking geschikt is om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen in het kader van ontneming. Het hof had een bedrag van bijna 28 miljoen gulden vastgesteld als wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, gebruikmakend van een vermogensvergelijking die het verschil berekent tussen begin- en eindvermogen plus uitgaven en legale inkomsten.
De Hoge Raad oordeelt dat deze methode slechts kan worden toegepast indien vaststaat dat het positieve verschil uitsluitend uit strafbare feiten voortkomt, en dat de bewijslast daarvoor bij het Openbaar Ministerie ligt. De vermogensvergelijking geeft immers geen inzicht in de oorsprong van het vermogen, wat in strijd is met de strafrechtelijke waarborgen zoals de presumpie van onschuld.
Daarnaast stelt de Hoge Raad dat de schatting van het voordeel moet zijn gebaseerd op wettige bewijsmiddelen, en dat feiten van algemene bekendheid hiervan zijn uitgezonderd. Het hof heeft onvoldoende rekening gehouden met deze voorwaarden en heeft ten onrechte de vermogensvergelijking als bewijs gehanteerd zonder voldoende onderbouwing.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor een nieuwe berechting en beslissing. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting.