Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2021:686

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 mei 2021
Publicatiedatum
3 mei 2021
Zaaknummer
19/04718
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511b SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontnemingsmaatregel bij wederrechtelijk verkregen voordeel uit niet-vervolgde feiten

In deze zaak stond de vraag centraal of het gerechtshof terecht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook voordeel heeft betrokken dat voortkomt uit strafbare feiten waarvoor de betrokkene niet is vervolgd. De betrokkene stelde dat dit niet mocht, omdat niet buiten redelijke twijfel vaststond dat hij die feiten had begaan, en dat het openbaar ministerie onrechtmatig had gehandeld door het witwassen niet te vervolgen maar wel mee te nemen in de ontnemingsprocedure.

De Hoge Raad verduidelijkte het onderscheid tussen artikel 36e lid 2 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Lid 2 vereist dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene de andere strafbare feiten heeft begaan, waarbij die aanwijzingen buiten redelijke twijfel moeten worden vastgesteld en de betrokkene gelegenheid moet krijgen zich hierover te verweren. Lid 3 stelt deze eis niet en maakt het mogelijk om een ontnemingsmaatregel op te leggen indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze hebben geleid tot het wederrechtelijk verkregen voordeel, zonder dat deze feiten door de betrokkene hoeven te zijn begaan.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat het hof onjuist zou hebben gehandeld door voordeel uit niet-vervolgde feiten mee te nemen, omdat het beoordelingskader van lid 2 niet van toepassing is op lid 3. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het openbaar ministerie ontvankelijk was in de ontnemingsvordering en dat er geen sprake was van schending van beginselen van een behoorlijke procesorde of strijd met de Geerings-jurisprudentie.

Het beroep in cassatie werd verworpen en het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 11 mei 2021.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; het hof mocht voordeel uit niet-vervolgde strafbare feiten betrekken bij de ontnemingsmaatregel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/04718 P
Datum11 mei 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2019, nummer 20-000688-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof ten onrechte in zijn berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel verondersteld voordeel heeft betrokken ten aanzien van feiten waarvoor de betrokkene niet is vervolgd.
2.2
De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het cassatieberoep van belang, in:
“Verweren verdediging
(...)
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, meer specifiek het verbod op “détournement de pouvoir”. Volgens de verdediging is er sprake van onzuiverheid van oogmerk doordat het openbaar ministerie ervoor heeft gekozen om een strafbaar feit - het witwassen van € 180.000,- - wegens proces- dan wel bewijsrisico’s niet ten laste te leggen maar wel aan de ontnemingsprocedure ten grondslag te leggen.
Bovendien druist dit ook in tegen de Geerings-jurisprudentie nu niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld of veroordeelde zich aan het witwassen van € 180.000,- schuldig heeft gemaakt.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Uit het samenstel van de leden 1 tot en met 3 van artikel 36e Wetboek van Strafrecht volgt dat een verplichting tot betaling van een ontnemingsbedrag ook kan worden opgelegd als het voordeel is verkregen uit feiten waarvoor niet is vervolgd of is veroordeeld. Dit is niet onverenigbaar met artikel 6 EVRM Pro en de Geerings-jurisprudentie aangezien in de in artikel 511b e.v. Wetboek van Strafvordering geregelde procedure aan de veroordeelde de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen waartoe mede behoort de gelegenheid aan te (doen) voeren dat het - in geval van artikel 36e lid 3 Wetboek van Strafrecht - niet aannemelijk is dat de in artikel 36e lid 3 Sr bedoelde andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Gelet hierop is er geen sprake van schending van enig beginsel van een behoorlijke procesorde dan wel strijd met de Geerings-jurisprudentie noch van enige andere schending van het recht in (on)geschreven regel. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de ontnemingsvordering.”
2.3
Artikel 36e leden 1, 2 en 3 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. (...)”
2.4.1
Op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan een ontnemingsmaatregel mede betrekking hebben op het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten waaromtrent “voldoende aanwijzingen” bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Tevens behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan. (Vgl. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523.)
2.4.2
Op grond van artikel 36e lid 3 Sr kan een ontnemingsmaatregel mede worden opgelegd indien aannemelijk is dat de in die bepaling bedoelde “andere strafbare feiten” op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Artikel 36e lid 3 Sr stelt niet de eis dat die “andere strafbare feiten” door de betrokkene moeten zijn begaan. Het hiervoor weergegeven beoordelingskader van 36e lid 2 Sr is dus niet op artikel 36e lid 3 Sr van toepassing. Het cassatiemiddel faalt voor zover het op een andersluidende rechtsopvatting berust.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De beoordeling door de Hoge Raad van het restant van het eerste cassatiemiddel en het tweede cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 mei 2021.