ECLI:NL:HR:2011:BQ8627
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt schatting wederrechtelijk verkregen voordeel ondanks vrijspraak witwassen
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij de betrokkene was veroordeeld voor onder meer de uitvoer van hasjiesj, MDMA-houdende pillen en gewoontewitwassen. Het hof had het voordeel geschat via de methode van vermogensvergelijking, waarbij ook vermogensbestanddelen werden betrokken die verband hielden met feiten waarvan de betrokkene was vrijgesproken.
De verdediging voerde aan dat deze vermogensbestanddelen niet in de berekening mochten worden betrokken, verwijzend naar eerdere jurisprudentie waaronder het arrest Geerings van het EHRM. Het hof oordeelde echter dat de vrijspraak van witwassen van bepaalde goederen niet betekent dat deze goederen een legale herkomst hebben en dat het vermoeden blijft bestaan dat deze vermogensbestanddelen uit strafbare feiten voortkomen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het middel van de verdediging berustte op een onjuiste lezing van het hof. Er was geen directe relatie tussen het vermogen dat het hof in aanmerking had genomen en de specifieke strafbare feiten waarvan de betrokkene was vrijgesproken. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel inclusief vermogensbestanddelen waarvan witwassen niet bewezen was verklaard.