Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Juridisch kader
Aanmaning (artikel 9, lid 3, AWR)
De omkering van de bewijslast, alhoewel op zich zelf een juiste maatregel, mist betekenis ten aanzien van de grote groep van belastingplichtigen, die zonder noemenswaard bezwaar in staat zijn de hoegrootheid van hun inkomen met behulp van een goede boekhouding (…) te staven. Wel echter treft deze sanctie in het bijzonder de, veelal minder draagkrachtige, kleine zelfstandige voor wie het, bij gebreke van een goede boekhouding (…) dikwijls moeilijk valt de onjuistheid van de aanslag aan te tonen.
Anderzijds is ook een strafvervolging niet het geëigende middel om in alle gevallen het nakomen van de aangifteplicht in den vervolge te verzekeren. De meeste van dergelijke verzuimen zijn, individueel bezien, niet van een zodanige aard en ernst, dat zij een toch altijd grievende correctie in de openbare sfeer van de strafrechtspraak rechtvaardigen. Ook het tijdsverlies, dat voor de betrokken inspecteur gepaard gaat met een strafrechtelijke procedure, vormt een beletsel om op ruime schaal strafvervolgingen wegens verzuimde aangifte in te leiden.
De ondergetekende heeft zich dan ook beraden op een meer efficiënte regeling, welke, zonder den aankleve van de hierboven geschetste bezwaren, in deze ongewenste toestand verbetering kan brengen. Hij meent, dat daartoe de aangewezen weg is een verhoging van de in de aanslag te begrijpen belasting, een administratieve sanctie (..).
BNB2004/180). Verder dient de door de inspecteur gestelde termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan te zijn verstreken.
BNB2016/192 [29] . Daar is geoordeeld dat van het voor toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast van artikel 27e AWR bestaande vereiste dat de vereiste aangifte niet is gedaan, alleen sprake is als de inspecteur de belastingplichtige heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte en dat niet binnen de gestelde termijn is gedaan.
BNB2017/138 heeft de Hoge Raad verdere invulling gegeven aan de regeling van artikel 27e AWR. De tekst van artikel 27e AWR verwijst, in tegenstelling tot die van artikel 67a AWR, niet naar artikel 9, lid 3, AWR. Anders dan het hof in die zaak overwoog, [30] oordeelde de Hoge Raad desondanks dat omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde kan komen als belanghebbende geen aanmaning tot het doen van aangifte in de zin van artikel 9, lid 3, AWR heeft ontvangen: [31]
BNB2017/138:
BNB1982/213), wordt de omkering van de bewijslast wel degelijk als een sanctiemaatregel ervaren.
V-N2017/20.13:
V-N2013/53.4,
BNB2013/252, en HR (strafkamer) 23 december 2003, nr. 00158/03,
BNB2004/180). Mede in het licht van het hier besproken arrest achten wij het aannemelijk dat, hoewel dit ook in deze gevallen niet rechtstreeks voortvloeit uit de wetstekst, voor het opleggen van de vergrijpboete of het instellen van strafvervolging eveneens is vereist dat de betrokken belastingplichtige tot het doen van aangifte is aangemaand. In die zin heeft Hof Amsterdam geoordeeld met betrekking tot de vergrijpboete van art. 67d AWR. Het hof achtte het niet goed denkbaar dat aan het opleggen van de in beginsel zwaardere sanctie van een vergrijpboete lagere eisen zouden worden gesteld dan aan het opleggen van een verzuimboete (Hof Amsterdam 22 augustus 2013, nr. 12/00110,
V-N2013/59.23.20).
5.Beoordeling van het middel
BNB2013/252 door te stellen dat de verstreken termijn waar de Hoge Raad naar verwijst, ook de aanmaningstermijn inhoudt (zie onderdeel 4.17).
criminal charge) in de zin van artikel 6 EVRM Pro. [51]
criminal chargein de zin van artikel 6 EVRM Pro de aanmaning niet als vereiste te stellen, nu de Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze eis wel voor de omkering en verzwaring van de bewijslast wordt gesteld.
BNB2013/252; alleen wanneer die termijn verstreken is, wordt gesproken over een niet gedane aangifte. Nu de Hoge Raad in dat arrest heeft geoordeeld dat alleen na het verstrijken van die termijn sprake is van een niet gedane aangifte in de zin van artikel 67d AWR, heeft dit tot gevolg dat de vergrijpboete voor het niet doen van aangifte alleen kan worden opgelegd als (juist) is aangemaand. Voor onderhavige zaak zou dit betekenen dat de vergrijpboete niet aan belanghebbende had mogen worden opgelegd, nu het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet op de juiste wijze is aangemaand (zie onderdeel 2.15).