Conclusie
nominee-structuur in economische zin rechthebbende op de aandelen in Victoria Asigurari en AVB Prim. [G] , [F] en [H] waren weliswaar in naam aandeelhouder van deze vennootschappen, maar zij hielden deze aandelen voor rekening en risico van [verweerder] c.s. Deze aandelen zijn van [verweerder] c.s. ‘gestolen.’ De gestelde diefstal – en daarmee de verarming – bestaat volgens [verweerder] c.s. uit het samenstel van gebeurtenissen, door hen aangeduid als ‘raider attacks', die ertoe hebben geleid dat zij hun indirecte belangen in deze vennootschappen hebben verloren.
deed of transfervan 24 februari 2011 in het geding te brengen. [verweerder] c.s. zijn in de gelegenheid gesteld bij akte nader toe te lichten dat voor de verkregen aandelen OPF geen (reële) tegenprestatie is geleverd (rov. 4.22-4.23).
Gazprombank-arrest. [11] Een daarvan is of de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging (rov. 3.16). Het hof heeft vastgesteld dat de (handmatig bijgehouden) rol van de rechtbanken die de vonnissen hebben gewezen, is vervalst, doordat de zaken met betrekking tot AVB Prim en Victoria Asigurari daarin later zijn ingevoegd, waarbij een bestaande zaak is weggelakt (rov. 3.17). De dagvaardingen in de zaken betreffende AVB Prim en Victoria Asigurari zijn in eerste aanleg niet op de juiste wijze betekend, zodat de rechthebbenden op de aandelen (
nominees) niet zijn opgeroepen (rov. 3.18 en 3.19). Ook vertonen de vonnissen grote overeenkomsten: zo zijn zij, op één na, op dezelfde dag en vrijwel onmiddellijk na oproeping gewezen en vermelden zij niet wanneer de zitting is gehouden. Ook bestaan grote overeenkomsten tussen de grondslagen waarop de vorderingen zijn toegewezen, en zijn in alle zaken nauw aan [C] gelieerde (rechts)personen als eiser opgetreden. Volgens het hof wijst dit alles op een georkestreerde actie, gericht op het ontnemen van aandelenbelangen aan [verweerder] c.s. ten gunste van nauw aan [C] gelieerde rechtspersonen (rov. 3.20). De Moldavische uitspraken in hoger beroep en cassatie zijn steeds door deels dezelfde rechters zijn gedaan (rov. 3.21) en de vonnissen steeds zonder medeweten van [verweerder] c.s. geëxecuteerd (rov. 3.22). Deze feiten en omstandigheden, in samenhang beschouwd, bieden voldoende grondslag om te concluderen dat aan de vonnissen zodanige gebreken kleven dat zij niet voldoen aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging. Dit alles brengt het hof tot het oordeel dat de verrijking van OPH ongerechtvaardigd is (rov. 3.23).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.15-3.25 van het eindarrest en rov. 4.15 van het tussenarrest, dat de verrijking van OPH ongerechtvaardigd is.
Onderdeel 2is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.13 en 3.14 van het eindarrest, dat causaal verband bestaat tussen de verrijking van OPH en de verarming van [verweerder] c.s.
ten koste vaneen ander. Dit impliceert een verband tussen de verarming en de verrijking. [15] Anders dan voor een vordering tot schadevergoeding op grond van (bijvoorbeeld) art. 6:162 BW Pro gaat het hier niet om een causaal verband in de zin van een
condicio sine qua non-verband. Een vordering op grond van art. 6:162 BW Pro vereist een dergelijk verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade, in die zin dat als de onrechtmatige gedraging niet zou hebben plaatsgevonden, de schade er ook niet zou zijn geweest. [16] Voor een vordering op grond van art. 6:212 BW Pro is daarentegen niet vereist dat de verarming (de schade) is ontstaan door de verrijking, in die zin dat de schade niet zou zijn ontstaan als de verrijking was uitgebleven. [17] In de parlementaire geschiedenis van art. 6:212 BW Pro wordt dan ook gesproken van ‘een zeker verband’ tussen de verrijking en de verarming, en wordt opgemerkt dat niet in algemene zin kan worden gezegd wanneer een dergelijk verband aanwezig is:
Er moet dus een zeker verband zijn tussen de verrijking van de gedaagde en de schade van de eiser. Het is niet mogelijk in de wet een criterium te geven ter beantwoording van de vraag of in een bepaald geval de verrijking al dan niet ten koste van een ander is geschied; dit moet aan de rechtspraak worden overgelaten.’ [18] (mijn curs., A-G)
Ponzi-scheme) [32] heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat een indirecte verrijking niet altijd, en niet zonder meer, wordt gerechtvaardigd door een overeenkomst tussen de verrijkte en een derde
.Aanleiding voor die zaak was dat door X. een zogenoemd
Ponzi-scheme(piramidespel) was opgezet, waarbij inleggers werden overgehaald geld in een fonds te storten tegen een hoge rente. In werkelijkheid werd echter geen winst gemaakt, maar werd de beloofde rente betaald uit betalingen van latere inleggers. De curator van het fonds sprak ten behoeve van de schuldeisers van X. een van de vroege inleggers (Y.) aan op de grond dat Y. ongerechtvaardigd was verrijkt ten koste van de gedupeerde schuldeisers. Y. verweerde zich met het argument dat haar verrijking werd gerechtvaardigd door haar overeenkomst met X. De Hoge Raad heeft als volgt overwogen (rov. 3.7.2):
Ponzi-schemearrest is overwogen dat dit niet steeds en ook niet zonder meer geldt, met name niet als een wanverhouding bestaat tussen de prestaties waartoe die overeenkomst verplicht. Het onderdeel stelt op zichzelf terecht dat de gebrekkigheid van de Moldavische vonnissen niet de rechtsgeldigheid aantast van de overeenkomsten op grond waarvan OPH is verrijkt, maar miskent dat het bestaan en de rechtsgeldigheid van die overeenkomsten op zichzelf niet voldoende is om de verrijking te rechtvaardigen.
vereistis, zodat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake zou kunnen zijn als die kennis niet komt vast te staan. Het hof heeft in rov. 3.25 van het eindarrest dan ook overwogen dat in het midden kan blijven of [C] de hand heeft gehad in, of betrokken is geweest bij, de Moldavische procedures, en ook of OPH op enigerlei wijze een verwijt kan worden gemaakt.
Ponzi-schemearrest heeft de Hoge Raad overwogen dat een indirecte verrijking die een rechtsgrond vindt in een overeenkomst tussen de verrijkte en een derde, ongerechtvaardigd kan zijn als sprake is van een wanverhouding tussen de prestaties waartoe de overeenkomst verplicht. Uit het (onbestreden) oordeel van het hof volgt dat in dit geval sprake is van een dergelijke wanverhouding, nu OPH aandelen geleverd heeft gekregen die kennelijk meer dan drie maal zoveel waard waren als zij hiervoor heeft betaald. Voorts blijkt uit rov. 3.14 van het eindarrest dat tussen de verschillende verkrijgers en vervreemders, die betrokken waren bij de reeks transacties als gevolg waarvan de aandelen bij OPH terecht zijn gekomen, een band bestond, nu [C] daarbij steeds op de een of andere wijze betrokken was. Ook dit is een element dat kan meewegen bij het oordeel dat een (serie van) overeenkomst(en) geen rechtvaardiging biedt voor een verrijking.
onderdeel 2 onder ais dit oordeel onjuist, dan wel onbegrijpelijk in het licht van verschillende omstandigheden van het geval. Samengevat klaagt het onderdeel dat in het geval dat een overeenkomst bestaat die de verrijking rechtvaardigt, de verrijkte niet ‘ten koste van’ de verarmde kan zijn verrijkt. Het hof heeft weliswaar geoordeeld dat zich in dit geval verschillende omstandigheden voordoen die meebrengen dat de verrijking van OPH ten koste van [verweerder] c.s. is geschied, maar die omstandigheden kunnen dit oordeel niet dragen, aldus het onderdeel.
Ponzi-schemearrest van de Hoge Raad vaststaat dat een overeenkomst tussen de indirect verrijkte en een derde die verrijking niet zonder meer rechtvaardigt. Er is dus geen regel die inhoudt dat een indirecte verrijking in beginsel door zo’n overeenkomst wordt gerechtvaardigd, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen.