Conclusie
SMC c.s.Verweersters afzonderlijk worden aangeduid als
SMC, de Maatschap Dirksland,
de Maatschap Ikazia,
de Maatschap Maasstad,
de Coöperatie,
het Ikazia,
het Maasstadrespectievelijk
het Van Weel-Bethesda.
[A]). In het kader van een doorstart hebben de curatoren (hierna:
Curatoren) de activa verkocht aan SMC. Eiseres tot cassatie (hierna:
[eiseres] [1] ) is de praktijk-BV van [betrokkene 1] , een voorheen aan [A] verbonden medisch specialist. In de onderhavige procedure stelt [eiseres] SMC c.s. hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die zij stelt te hebben geleden, bestaande in onder meer gederfde goodwill, gederfde inkomsten en pensioenschade. De kern van het verwijt aan SMC c.s. is dat zij onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij de doorstart zodanig hebben vormgegeven dat zij [eiseres] het vrije ondernemerschap hebben ontnomen en de praktijk van [betrokkene 1] om niet hebben gekregen. In ieder geval zouden SMC c.s. ten koste van [eiseres] ongerechtvaardigd zijn verrijkt. De rechtbank heeft in een tussenvonnis geoordeeld de vorderingen van [eiseres] jegens SMC c.s. te zullen afwijzen, met uitzondering van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, in welk verband de rechtbank het voornemen heeft uitgesproken om een deskundige te benoemen. Op het (door de rechtbank toegestane) tussentijdse appel van SMC c.s en het incidentele appel van [eiseres] heeft het hof alle vorderingen van [eiseres] afgewezen.
1.Feiten en procesverloop
[A] ziekenhuis heeft, mede als gevolg van recente ontwikkelingen rond cardiologie, een analyse gemaakt van haar huidige en toekomstige mogelijkheden. Deze analyse heeft geleid tot de conclusie dat een zelfstandig ziekenhuis niet langer mogelijk is.
pre-packprocedure: het bestuur van [A] heeft op 5 juni 2013 de rechtbank ’s-Gravenhage verzocht een stille bewindvoerder aan te wijzen teneinde in relatieve rust en op voortvarende wijze een eventuele doorstart vanuit een faillissement voor te bereiden. De rechtbank heeft het verzoek dezelfde dag gehonoreerd, met de boodschap dat het doel van de
pre-packwas het realiseren van een zo hoog mogelijke opbrengst ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en het beperken van maatschappelijke schade. Vervolgens hebben Curatoren als stille bewindvoerders hun werkzaamheden aangevangen.
pre-packperiode zijn gesprekken gevoerd met twee overnamekandidaten, namelijk het Ikazia, het Maasstad en het Van Weel-Bethesda aan de ene kant en een investeringsonderneming aan de andere kant.
SMC i.o.) over een doorstarttransactie. Een schriftelijke overeenkomst is op 1 juli 2013 door en namens Curatoren en SMC i.o. ondertekend. SMC i.o. is een samenwerkingsverband van het Ikazia, het Maasstad en het Van Weel-Bethesda. Uiteindelijk is SMC opgericht op 8 juli 2013. De Coöperatie is enig aandeelhouder van SMC. De Coöperatie is op 5 juli 2013 opgericht door het Maasstad, het Ikazia en het Van Weel-Bethesda.
6.1. De overdracht van de Activa vindt voor zover mogelijk zowel economisch, feitelijk als juridisch plaats per 24 juni 2013, 00.00 uur. Met ingang van dat tijdstip wordt het voorheen door [A] gedreven ziekenhuis geëxploiteerd voor rekening en risico van Koper en komen alle verdiensten en kosten voor de exploitatie vanaf die datum toe aan Koper en zal koper die verdiensten afrekenen met de medische staf en kosten betalen aan derden waaronder leveranciers.”
:
Hiermee heeft SMC een doorstart van het ziekenhuis bevestigd, in die zin dat het ziekenhuis per faillissementsdatum (24 juni 2013, 0.00 uur) wordt gedreven voor rekening en risico van SMC.
Met de transitie van [A] ziekenhuis naar Spijkenisse Medisch Centrum, hetgeen onder de regie van de 3 ziekenhuizen valt, is de vraag actueel hoe de medische zorg de komende periode zal worden ingevuld. Het ligt voor de hand de specialisten van het voormalig [A] hiervoor te benaderen, echter het verplicht overnemen van deze specialisten is door de samenwerkende ziekenhuizen altijd als onbespreekbaar aangemerkt.
Tijdens de personeelsbijeenkomst op 27 juni 2013 zijn de medewerkers van [A] geïnformeerd over de laatste stand van zaken rondom de overname. (...) Aan alle medisch specialisten is op dinsdag 25 juni 2013 verteld dat alle contracten met specialisten komen te vervallen. Op vier specialisten na, is aan de medisch specialisten een dienstverband van zes maanden aangeboden om samen te kijken hoe het zorgaanbod in de toekomst verder ontwikkeld kan worden. (...)
Wij hebben ook een beroep op u gedaan om vanuit uw kennis en kunde een bijdrage te leveren aan de doorstart. De inzet die u daarvoor levert is zowel op de lange termijn als op de korte termijn naar onze opvatting beslist noodzakelijk. Wij spreken onze waardering uit voor de additionele inspanning die u naast de praktijk in het eigen ziekenhuis levert ten behoeve van Spijkenisse Medisch Centrum.
Inzet Medisch specialisten Spijkenisse
Dit om ervoor te zorgen dat de medisch specialisten uit het SMC tijdig weten waar ze aan toe zijn.
In zoverre dit mogelijk is zal een onderbouwing worden gegeven waarom er wel/geen plaats voor hen is in de toekomst. De voorzitters van de medische staven communiceren de uitkomst aan de medisch specialisten van het SMC.
Minimaliseren van de volgende risico’s ten aanzien van Spijkenisse:
Continuïteit van zorg in SMC door wegvallen medisch specialisten.
Relatie met huisartsen als gevolg van niet opnemen van medisch specialisten uit Spijkenisse in de coöperatie.”
€ 2.596.637, zijnde:
€ 25.000, te vermeerderen met de wettelijke rente;
€ 13.177,68;
principaal hoger beroephet vonnis van 20 januari 2016 (geheel) vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiseres] afgewezen, met veroordeling van [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties. In het
incidenteel hoger beroepheeft het hof het beroep verworpen met veroordeling van [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incidenteel hoger beroep.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
doordat zij zich de praktijk van [eiseres] hebben toegeëigend zonder daarvoor een (goodwill)vergoeding te betalen, waarbij [eiseres] onder ‘praktijk’ (mede) de waarde van de (daaraan verbonden) goodwill begrijpt en onder ‘goodwill’ de verdiencapaciteit van de praktijk verstaat.
Hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.”
Verrijking: er is sprake van een vermogensvermeerdering (waarbij aan ‘vermogen’ en ‘vermogensbestanddelen’ een ruimere betekenis toekomt dan deze in het gewone spraakgebruik hebben). De verrijking kan gelegen zijn in de vermeerdering van het positieve vermogen, maar ook in de vermindering van het negatieve vermogen (de afname van een schuld). Verder valt te denken aan koop tegen een prijs beneden de waarde, een besparing van kosten, een verkregen dienst van een ander, of het genot van vermogensbestanddelen van een ander.
Verarming (‘schade’): tegenover de verrijking van de één staat een verarming van de ander. Van verarming is sprake bij zowel een afname van het actief als een toename van het passief. Hoewel de verrijking en verarming in wezen elkaars spiegelbeeld zijn, betekent dit niet zonder meer dat de hoogte van de verrijking en de verarming gelijk moet zijn.
Causaal verband: er moet voldoende verband bestaan tussen de verrijking en de verarming. Dit betekent niet dat de verrijking onmiddellijk ten laste van het vermogen van de verarmde moet hebben plaatsgevonden: een verrijkingsactie is ook mogelijk als de vermogensverschuiving optreedt via het vermogen van een derde of door tussenkomst van een derde (zgn. indirecte verrijking). [14]
Ongerechtvaardigdeverrijking: voor het behouden van de vermogensvermeerdering is geen redelijke oorzaak (rechtvaardigingsgrond) aanwezig, zoals een wettelijke regeling of een rechtshandeling die de vermogensverschuiving legitimeert. De nadere uitwerking van dit criterium wordt aan de rechtspraak overgelaten.
[.../...]) ziet op een geval van indirecte verrijking. […] bewoonde krachtens een levenslang gebruiksrecht de woning van haar zuster […] ; zij betaalde geen huurpenningen. Gedurende de bewoning heeft […] investeringen gedaan tot onderhoud en verbetering en tot behoud van de woonbestemming. […] droeg de woning over aan haar zoon […] voor een prijs beneden de marktwaarde. In de door […] gevoerde ontruimingsprocedure heeft […] (voorwaardelijk) een vordering ingesteld wegens ongerechtvaardigde verrijking, bestaande in de door haar gedane investeringen. De rechtbank wees de door […] gevorderde ontruiming toe en wees de reconventionele vordering uit ongerechtvaardigde verrijking af.
Dat voordeel vindt in beginsel rechtvaardiging in de koopovereenkomst. De omstandigheid dat een derde (de verarmde) in het verleden op eigen kosten de zaak heeft verbeterd en daardoor in waarde heeft doen toenemen, brengt in het algemeen niet mee dat een zodanig verband bestaat tussen de verrijking van de koper en de verarming van de verarmde dat de koper ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van de verarmde.” (
onderstr. A-G)
[.../...]wordt in de literatuur omtrent indirecte verrijking op drie manieren uitgelegd.
ongerechtvaardigd’. In die uitleg heeft uw Raad een standaardarrest gewezen waarin een hoofdregel wordt gegeven voor een driepartijenverhouding (‘een voordeel vindt in beginsel rechtvaardiging in de koopovereenkomst’) en een aantal richtinggevende gezichtspunten. [17]
ongerechtvaardigd moet worden aangemerkt.
gerechtvaardigddoor die overeenkomst.”).
[.../...](uitsluitend) een
causaalrechtsoordeel (“een zodanig verband”) van algemene strekking (“in het algemeen” en “dit uitgangspunt”) gegeven. Dit zou inhouden dat het voordeel van […] zijn
grondslagvindt in de koopovereenkomst tussen de verrijkte ( […] ) en de derde ( […] ); deze koopovereenkomst
onderbreekthet causaal verband tussen de verarming van […] en de verrijking van […] . [19]
tweeuitgangspunten geformuleerd: (i) indirecte verrijking wordt in beginsel
gerechtvaardigddoor de overeenkomst tussen de verrijkte en de tussenschakel, en (ii) in geval van een op een overeenkomst gebaseerde indirecte verrijking bestaat in beginsel een vrij hoge drempel voor het aannemen van
causaal verbandtussen de verarming en de verrijking (dat de investeringen van de verarmde in het vermogen van de verrijkte zijn beland, is op zichzelf niet voldoende om dit verband te kunnen aannemen). De ruimte om van genoemde twee uitgangspunten af te wijken is kennelijk beperkt (“bijzondere omstandigheden”). [20]
verrijkingvolstaat het hof met de vaststelling dat deze volgens [eiseres] bestaat in het zich toeëigenen en te gelde maken van de praktijk zonder [eiseres] daarvoor een (goodwill)vergoeding te betalen (rov. 2.10, waarover ook hiervoor onder 2.4). Het hof laat in het midden of daadwerkelijk sprake is van verrijking en gaat in het vervolg uit van de “gestelde” verrijking (zie rov. 2.13 en 2.15).
verarmingvolstaat het hof met de vaststelling dat tussen partijen niet in geschil is dat de door de rechtbank in haar rov. 4.12 omschreven verarming moet worden opgevat als het verlies van de mogelijkheid om de (aan de praktijk van [betrokkene 1] verbonden) goodwill te gelde te maken (rov. 2.12). Ook op dit punt geeft het hof geen inhoudelijk oordeel en gaat het in het vervolg uit van de “gestelde” verarming (zie rov. 2.13, 2.15 en 2.16)
.
causaal verbandstelt het hof vast:
geen direct (causaal) verbandbestaat tussen de gestelde verrijking en de gestelde verarming (rov. 2.13);
[.../...]citeert) (rov. 2.14);
rechtvaardigingvindt in (a) de activaovereenkomst tussen SMC (i.o.) en Curatoren, (b) de geneeskundige behandelingsovereenkomsten tussen SMC c.s. en patiënten, en (c) de overeenkomsten tussen SMC c.s. en zorgverzekeraars;
zodanig verbandbestaat tussen de gestelde verrijking van SMC c.s. en de gestelde verarming van [eiseres] c.s. dat SMC c.s. ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van [eiseres] c.s
.;
oorzaakvan de verarming is gelegen in de toe-eigening van de praktijk niet opgaat;
ongerechtvaardigdis. Ik acht het minst genomen onzeker of dat inderdaad het geval is, en wel op grond van het volgende.
causaal verbandvastgesteld dat volgens de stelling van [eiseres] dat verband gegeven is. De aansluitende rov. 2.13 (1e volzin) bevat kennelijk de respons van het hof op de grief van SMC c.s. op dit punt (“Niet kan worden gezegd dat (…) direct (causaal) verband bestaat”).
ditkader – betwisting van het causaal verband – is dat SMC c.s. uitdrukkelijk hebben verwezen naar het arrest
[.../...]. Volgens hen heeft uw Raad in dat arrest een hoge drempel opgeworpen voor het aannemen van causaal verband bij een op overeenkomst gebaseerde indirecte verrijking (MvG grief I, onder “Causaal verband”, 53-58). Zij sluiten daarbij kennelijk aan bij uitleg (ii) van dat arrest als hiervoor (onder 2.10.2) besproken. Zij stellen zich op het standpunt dat in casu geen causaal verband kan worden geconstrueerd (MvG onder 62-64). Daartoe voeren zij aan dat de vermeende verrijking van SMC het gevolg (bijkomend effect) is van de activaovereenkomst van SMC met Curatoren en de overeenkomsten van SMC met patiënten en zorgverzekeraars (MvG onder 60), terwijl de verrijking van de maatschappen nog indirecter is en haar grondslag vindt in geneeskundige behandelingsovereenkomsten en de bereidheid van zorgverzekeraars om de behandeling te vergoeden (MvG onder 61).
[.../...]aanhaalt (rov. 2.14) en vervolgens langs de lijnen van dat arrest tot een oordeel komt (rov. 2.15), acht ik niet uitgesloten dat het hof – de door SMC c.s. gegeven lezing van dat arrest volgend – bedoelt een
causaliteitsoordeelte geven. Dat vindt steun in de uitdrukkelijke verwijzing van het hof naar MvG onder 60-61, welke passage, als zojuist aangegeven, geheel in de sleutel van het causaal verband staat. [23] Daarop wijst ook dat het hof het betoog van [eiseres] omtrent de “oorzaak” van de verarming verwerpt en tot de bevinding komt dat niet een “zodanig verband” bestaat tussen de gestelde verrijking en de gestelde verarming, dat SMC c.s. ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van [eiseres] .
rechtvaardigingvindt in de aldaar genoemde
overeenkomstentussen SMC (i.o.) en SMC c.s. enerzijds en Curatoren, patiënten en zorgverzekeraars anderzijds. Het bevat, als ik het goed zie, een vijftal klachten.
niet steeds en zeker niet zonder meerwordt gerechtvaardigd door die overeenkomst. Nu de genoemde overeenkomsten de basis vormen voor een inbreuk op een aan [eiseres] toekomende exclusieve rechtspositie, kunnen zij de verrijking van SMC c.s. niet rechtvaardigen (p.i.
onder 4 en 5).
[.../...]heeft gemeend dat de verrijking van een partij bij een overeenkomst in beginsel wel wordt gerechtvaardigd door deze overeenkomst, getuigt ook dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe wordt aangevoerd dat door uw Raad in het arrest
[.../...]is aangenomen dat de koopovereenkomst in dat specifieke geval een rechtvaardiging vormde voor de verrijking, en dat dit niet betekent dat een overeenkomst waarbij een partij wordt verrijkt ten koste van een derde
altijdof
als uitgangspunteen rechtvaardiging vormt voor deze verrijking (p.i.
onder 6).
uitgangspuntis dat een overeenkomst waardoor een partij wordt verrijkt ten koste van een derde
geenrechtvaardiging vormt voor deze verrijking. Het hof had daarom in ieder geval niet kunnen volstaan met de enkele stelling dat de overeenkomsten een rechtvaardiging vormen voor de verrijking van SMC c.s. (p.i.
onder 7).
geen sprake was van een (overeengekomen) overname van de praktijk van [betrokkene 1](rov. 2.22). Het zou onbegrijpelijk zijn hoe de overeenkomsten aan de ene kant geen betrekking zouden hebben op de praktijk van [betrokkene 1] , maar aan de andere kant wel een rechtvaardiging zouden vormen voor het feit dat SMC c.s. deze praktijk kosteloos heeft overgenomen (p.i.
onder 8).
[.../...], getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het hof geeft immers niet aan waarom een (voldoende) gelijkenis zou bestaan met het arrest
[.../...], terwijl dat op basis van de omstandigheden van die zaak minst genomen niet evident is, aldus de laatste klacht (p.i.
onder 9).
rechtvaardigingbestaat. [24] Zoals ik hiervoor (onder 2.17 e.v.) heb uiteengezet, bestaan er aanwijzingen voor de lezing dat het hof de vorderingen afwijst wegens het ontbreken van voldoende causaal verband tussen de gestelde verarming en verrijking. Indien die lezing juist is, falen de klachten reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.
[.../...](rov. 2.14), kennelijk aldus worden begrepen dat het hof in rov. 2.15 (1e volzin) tot uitgangspunt heeft genomen dat de gestelde verrijking van SMC c.s.
in beginselhaar rechtvaardiging vindt in de aldaar genoemde overeenkomsten en dat het hof vervolgens heeft onderzocht of er
bijzondere omstandighedenbestaan die meebrengen dat [eiseres] niettemin aanspraak heeft op een vergoeding ex art. 6:212 lid 1 BW Pro. Waar het hof die omstandigheden niet heeft aangetroffen, komt het tot het oordeel dat de gestelde verrijking niet ongerechtvaardigd is.
klacht (i)(p.i. onder 4-5) lijkt te betogen, heeft het hof derhalve niet miskend dat een verrijking van een partij bij een overeenkomst ten koste van een derde
niet steeds en zonder meerwordt gerechtvaardigd door die overeenkomst (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5986,
NJ2012/495 m.nt. F.M.J. Verstijlen (
Van Hees q.q./Y), rov. 3.7.2).
klacht (ii)(onder 6) tot uitgangspunt neemt, is het stelsel van het arrest
[.../...](de indirecte verrijking vindt in beginsel haar rechtvaardiging in de overeenkomst tussen verrijkte en derde; bijzondere omstandigheden kunnen echter anders meebrengen) niet beperkt tot het specifieke geval als in die zaak aan de orde. Meestal wordt (al dan niet impliciet) aangenomen dat dit stelsel een algemene gelding heeft. [26] Anders dan in de s.t. onder 2.2 nog wordt betoogd, is dit stelsel niet in strijd met het arrest
Van Hees q.q./Y. [27]
geenrechtvaardiging vormt voor de verrijking. [28] Verder faalt deze motiveringsklacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers (zoals uiteengezet hiervoor onder 2.24) met inachtneming van de juiste maatstaf vooropgesteld dat de overeenkomsten
in beginseleen rechtvaardiging vormen voor de gestelde verrijking en heeft vervolgens onderzocht of sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden, waarna eerst de (als zodanig niet bestreden) uitkomst van dat onderzoek het hof tot het eindoordeel heeft gebracht dat de gestelde verrijking haar rechtvaardiging vindt in de overeenkomsten. Aldus heeft het hof laatstgenoemd oordeel wel degelijk gemotiveerd.
klacht (iv)(onder 8) faalt. Het hof heeft in rov. 2.22 (en in rov. 2.21 jo. 2.20 onder “in rov. 4.7”) overwogen dat geen sprake is van een overeengekomen overname van de praktijk van [betrokkene 1] . Die vaststelling is niet in tegenspraak met het oordeel van hof (in rov. 2.15) dat de gestelde verrijking haar rechtvaardiging vindt in de overeenkomsten. De gestelde verrijking houdt immers in dat SMC c.s. – zonder een (goodwill)vergoeding te betalen – de praktijk van [betrokkene 1]
de factohebben overgenomen en voortgezet (zie ook hiervoor onder 2.13). SMC c.s. zijn tot deze feitelijke ‘voortzetting’ in de gelegenheid gesteld door het aangaan van de overeenkomsten, die – naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof – de daaruit voortvloeiende verrijking (in beginsel) rechtvaardigen.
[.../...]. Mijns inziens faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof baseert zijn oordeel niet op de gelijkenis met de casus in
[.../...], maar past het in dat arrest voor een geval van indirecte verrijking gegeven ‘tweetraps’stelsel – dat niet uitsluitend van toepassing is op een specifieke casus als daar aan de orde, zie hiervoor bij klacht (ii) – toe op het aan het hof ter beoordeling voorliggende geval.
het faillissement van [A] in beginsel voor risico van [eiseres] komt.Geklaagd wordt dat dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Volgens de klacht is onduidelijk op welke manier het hof deze omstandigheid heeft meegewogen in zijn beoordeling (p.i.
onder 10). Ter uitwerking volgen drie klachten.
verrijkingvan SMC c.s. ten koste van [eiseres] , getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onvoldoende gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat de praktijk van [betrokkene 1] kan worden geduid als een exclusieve rechtspositie die aan [eiseres] toekomt, en die na het faillissement van [A] niet in de failliete boedel valt. Het faillissement van het ziekenhuis kan daarom volgens [eiseres] geen rechtvaardiging vormen voor de verrijking van SMC c.s. ten koste van [eiseres] (p.i.
onder 11-12).
verarmingvan [eiseres] , aangezien zijn vermogensvermindering niet wordt veroorzaakt door het faillissement (zijn praktijk is immers niet gefailleerd, maar wordt
de factovoortgezet door SMC c.s.) (p.i.
onder 13).
onder 14). [29]
causaal verbandtussen de gestelde verarming en verrijking. Indien die lezing juist is, behelst de door subonderdeel 1B bestreden rov. 2.16 een overweging ten overvloede en falen de klachten dientengevolge bij gebrek aan belang.
als zodanigde rechtvaardiging ziet voor de veronderstelde verrijking van SMC c.s. Zoals vastgesteld door het hof in rov. 2.15 vindt de gestelde verrijking van SMC c.s. haar rechtvaardiging in de overeenkomsten. In het verlengde daarvan oordeelt het hof in rov. 2.16 dat de verrijking geacht moet worden een redelijke grond te hebben in de doorstart. Hierop stuit
klacht (i)(onder 11-12) af.
motiveringsklacht (ii)(onder 13) faalt. In rov. 2.16 respondeert het hof kennelijk op het partijdebat omtrent de vraag of (de gestelde verarming van [eiseres] als gevolg van) het faillissement voor rekening en risico van [eiseres] moet blijven. [30] Het hof beantwoordt die vraag bevestigend: het faillissement van [A] komt naar zijn oordeel in beginsel voor risico van [eiseres] die als vrijgevestigd medisch specialist met [A] een toelatingsovereenkomst is aangegaan. Het hof stelt daarbij vast dat – blijkens het p-v van de comparitie van 26 oktober 2015 – [eiseres] hier zelf ook van uitgaat. Dit oordeel is gezien de gedingstukken niet onbegrijpelijk. [31]
rechtsklacht(p.i.
onder 17) wordt betoogd dat [betrokkene 1] de praktijk bij [A] niet kon voortzetten, terwijl SMC c.s. deze praktijk (feitelijk) heeft overgenomen. Daarmee is het causaal verband tussen de verarming van [eiseres] c.s. en de verrijking van (bedoeld zal zijn:) SMC c.s. een gegeven. Door anders te oordelen zou het hof hebben blijkgegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
directcausaal verband tussen de verrijking en de verarming vereist is. Daarmee zou het hof zijn uitgegaan van een onjuiste maatstaf.
nietin de weg staat aan de toewijsbaarheid van een vordering ex art. 6:212 lid 1 BW Pro (rov. 2.14).
conditio sine qua nonverband volstaat (s.t. onder 2.33). Als zodanig berust het op een onjuiste rechtsopvatting.
motiveringsklacht(p.i.
onder 18) is het oordeel van het hof dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen de verrijking van SMC c.s. en de verarming van [eiseres] – indien dit juist zou zijn – onvoldoende gemotiveerd in het licht van de door [eiseres] aangevoerde stellingen ter zake.
eerste klacht(p.i.
onder 19-22) luidt dat het oordeel van het hof op een onjuiste rechtsopvatting berust dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
[…] /Compaenwordt daartoe aangevoerd dat het hof in rov. 2.20-2.23
ten onrechte niet de vraag heeft beantwoord of SMC c.s. hun gedragingen mede dienden te laten bepalen door de belangen van [eiseres]. [36] Volgens [eiseres] had het hof bij de beantwoording van die vraag alle ter zake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, waaronder: a) de hoedanigheid van partijen, b) de aard en de strekking van de overeenkomst, c) de wijze waarop de belangen van [eiseres] daarbij zijn betrokken, d) de vraag of [eiseres] erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, e) de vraag in hoeverre het voor SMC c.s. bezwaarlijk was om met de belangen van [eiseres] rekening te houden, f) de aard en omvang van het nadeel dat voor [eiseres] dreigde, g) de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich tegen dat risico indekte, en h) de redelijkheid van een aan [eiseres] aangeboden schadeloosstelling.
[…] /Compaen [37] gaat over het leerstuk van aansprakelijkheid bij samenhangende rechtsverhoudingen, waarbij de vraag speelt in hoeverre een contractspartij haar gedrag mede moet laten bepalen door de belangen van betrokken derden. In dit arrest is door uw Raad eerst de bestaande rechtspraak bevestigd:
NJ2008/587; HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496,
NJ2012/59) is het volgende beslist.
welkeovereenkomsten precies (alle) verweersters in cassatie contractspartijen zouden zijn als in het arrest
[…] /Compaenbedoeld. Ik wijs erop dat de activatransactie, waarop de doorstart in essentie berust, door Curatoren uitsluitend is aangegaan met SMC. Zijn de drie ziekenhuizen en de Coöperatie nog bij de oprichting van de doorstartende entiteit betrokken, dat geldt niet voor de tevens in rechte betrokken maatschappen.
[…] /Compaenaan de orde zijnde leerstuk is niet van toepassing op een geval als het onderhavige. Ik baseer dat op het volgende.
[…] /Compaengeformuleerde regel betrekking heeft. Stille bewindvoerders en curatoren dienen zich immers primair te richten naar het belang van de boedel c.q. de gezamenlijke schuldeisers, met inachtneming van het doel dat hun door de rechtbank is meegegeven. Het is aan hun inzicht overgelaten of en op welke wijze zij rekening houden met andere bij de (voorgenomen) afwikkeling van de boedel betrokken (individuele) belangen. Het hier bedoelde leerstuk kan dit in het arrest
Prakke/Gips [40] geformuleerde faillissementsrechtelijke uitgangspunt c.q. beoordelingskader niet doorkruisen.
nagelatenovereen te komen of te bedingen: het
niet(laten) ‘overnemen’ van de specialisten, het
niet(laten) aanbieden van een goodwillvergoeding. [41] Hiermee bevindt men zich naar mijn mening (nog) niet op het terrein van
[…] /Compaen. Dit arrest veronderstelt dat een overeenkomst
isgesloten bij de behoorlijke nakoming waarvan de belangen van een derde nauw betrokken zijn. De verwijten zien echter op de inhoud van de nog te sluiten overeenkomst. Daarmee bevindt men zich op het terrein van de contractsvrijheid. Naar het hof, mijns inziens terecht, heeft overwogen, stond het SMC c.s. in beginsel vrij om de te realiseren doorstart vorm te geven zoals hun goeddunkte (rov. 2.21 jo. 2.20 en rov. 2.22).
punt 1-3), komen aan bod in ’s hofs oordeel in die zin dat het hof oordeelt dat de praktijk van [betrokkene 1] (waarop die exclusieve rechtspositie zou zijn gebaseerd) niet is overgenomen door SMC c.s., als ook in het oordeel dat al helemaal geen sprake is van een overname (in de zin van een feitelijke voortzetting) waarbij het betalen van een goodwillvergoeding gebruikelijk zou zijn (zie rov. 4.7 vonnis zoals weergegeven in rov. 2.20 en rov. 2.22 (slot)).
punt 4), wordt door het hof behandeld in die zin dat het hof oordeelt dat SMC c.s. niet onrechtmatig hebben gehandeld door de doorstart aldus vorm te geven dat zij de praktijken van de medisch specialisten niet over hebben genomen en hun geen vergoeding hebben aangeboden (zie rov. 4.3-4.5 vonnis zoals weergegeven in rov. 2.20 en rov. 2.22 (eerste alinea)).
punten 5-7(die zien op de continuering van de zorg na de doorstart – waartoe [eiseres] gehouden zou zijn op grond van zijn rechtsverhouding met zijn patiënten – en op de stelling dat een medisch specialist zijn praktijk niet zonder een ziekenhuis kan uitvoeren en vice versa) valt niet in te zien waarom deze relevant zijn voor (en dus expliciet hadden moeten worden meegewogen bij) het oordeel van het hof dat SMC c.s. niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiseres] door de praktijken van de medisch specialisten niet over te nemen bij de doorstart en hier (dus) geen vergoeding voor te betalen. De behandeling van deze stellingen ligt bovendien besloten in het oordeel van het hof dat het SMC c.s in beginsel vrijstaat de doorstart te realiseren zoals hun goeddunkt, ofwel ook zonder [eiseres] een toelatingsovereenkomst of arbeidsovereenkomst aan te bieden.
punten 8 en 9komen hiermee ook (op voldoende begrijpelijke wijze) terug in het oordeel van het hof.
tweede klacht(p.i.
onder 23) betoogt [eiseres] dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat – kort gezegd – ook uitgaande van de voorzienbaarheid van schade voor [eiseres] , het SMC c.s. in beginsel vrij stond om de doorstart vorm te geven zoals het hun goeddunkte. Dit beginsel zou er niet aan afdoen dat SMC c.s. onder de door [eiseres] aangevoerde bijzondere omstandigheden rekening hadden dienen te houden met zijn belangen.
derde klacht(p.i.
onder 24) heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat, hoewel betaling van (een vergoeding voor) goodwill voor de overname van een medische praktijk gebruik is, dit niet gebruikelijk is bij het faillissement van een ziekenhuis nu [A] het eerste ziekenhuis in Nederland was dat failleerde (gevolgd door een doorstart). Volgens [eiseres] kan er ook (of juist) in zo’n geval onder omstandigheden aanleiding zijn voor de doorstarter om rekening te houden met de belangen van een medisch specialist die door middel van een toelatingsovereenkomst bij het gefailleerde ziekenhuis werkzaam was en wiens praktijk derhalve (in beginsel)
de factoovergaat bij een doorstart zoals plaats heeft gevonden bij [A] .
in dit gevalgeen sprake was van een overname waarvan kan worden gezegd dat daarbij het betalen van een goodwillvergoeding gebruikelijk is, nu (op dat moment) nog niet eerder een ziekenhuis in Nederland was gefailleerd en doorgestart. Dit oordeel van het hof is onjuist noch onbegrijpelijk.
vierde klacht, p.i
onder 25) dat voor onrechtmatigheid van het handelen van SMC c.s. niet vereist is dat het handelen erop was gericht om – kort gezegd – [eiseres] te beschadigen. Voor zover het hof dat opzet niet aannemelijk heeft geacht is dat niet relevant voor het onrechtmatigheidsoordeel, aldus [eiseres] .