Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
oplichting begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”, 2 “
bedrieglijke bankbreuk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”, 3 “
valsheid in geschrift begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”, en 4 “
medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken”. Het hof heeft de verdachte bij het bestreden arrest veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar. Daarnaast heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen vertegenwoordigd door de [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, een en ander zoals in het arrest (en de daaraan gehechte lijst) is vermeld.
eerste middelklaagt over de motivering en begrijpelijkheid van de strafoplegging, nu het hof ten nadele van de verdachte afwijkt van de onvoorzienbare strafeis van de advocaat-generaal bij het hof en zonder nadere onderbouwing een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar als uitgangspunt heeft genomen.
De rechtbank stelt dat uit de psychiatrische rapportage van 17 juni 2016 zou blijken, dat het ondergaan van een gevangenisstraf door veroordeelde [verdachte] zwaarder dan gemiddeld zal worden ervaren. Een groot gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf (1 jaar) is daardoor voorwaardelijk opgelegd. Het Openbaar Ministerie kan zich hiermee niet verenigen, omdat - hoewel blijk wordt gegeven van depressieve gedachten en zelfmoordneigingen - de rapportage de conclusie van de rechtbank op dit punt niet kan dragen en de opgelegde straf (ook desondanks) geen recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de rol die de [verdachte] hierbij heeft gespeeld. Ik wijs dan onder meer op zijn rol als verkoper, hij heeft het vaakst bij de mensen aan de keukentafel gezeten, en de aanzienlijke vermogensbestanddelen die hij ook in privé heeft mogen ontvangen.”
De raadsvrouw verzoekt een nadere toelichting op de appelschriftuur van de officier van justitie, zakelijk weergegeven: handhaaft het Openbaar Ministerie zijn bezwaren tegen de strafmaat?
In aanvulling op het op schrift gestelde requisitoir merkt de advocaat-generaal op:
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte de schade heeft geschat die de benadeelde partijen hebben geleden en in zijn oordeel niet heeft laten blijken dat is nagegaan dat de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest zijn stellingen tot de vordering genoegzaam naar voren te brengen, zodat het arrest onvoldoende met redenen is omkleed.
dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden”. Daarmee staat vast dat schade is geleden en daarmee stond het het hof dus vrij het schadebedrag vervolgens te schatten. In aanmerking genomen dat het hof kennelijk de inschrijfformulieren en inleggelden tot uitgangspunt heeft genomen bij de schatting van het schadebedrag, en dat de verdediging tegen de vorderingen voor het overige weinig tot niets heeft ingebracht, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Overigens volgt niet uit het overzichtsarrest, noch bij mijn weten elders, dat het hof uitdrukkelijk in het arrest had moeten stilstaan bij de vraag of de verdediging voldoende in de gelegenheid is geweest zijn stellingen te onderbouwen. Uit de pleitnota blijkt dat de verdediging de ruimte heeft genomen het eigen perspectief naar voren te brengen door een aantal argumenten aan te voeren tegen de toewijzing van de vordering. Die ruimte heeft de verdediging naar het oordeel van de stellers van het middel – met het achterwege laten van een onderbouwing van die standpunten – kennelijk onvoldoende benut. Dat kan echter geen grond zijn voor cassatie.
derde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden.