Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en 3 “
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken.
derde middelklaagt over de strafmotivering. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het in artikel 22b Sr neergelegde zogenoemde ‘taakstrafverbod’ van toepassing is.
NJ2015/27, merkte mijn voormalige ambtgenoot Knigge op:
op het moment waarop het nieuwe feit wordt gepleegd. In die opvatting kan ik mij goed vinden. Daarbij lijkt het mij redelijk om ingeval (zoals in casu) bewezen is verklaard dat het nieuwe feit gedurende een bepaalde periode is gepleegd, als ijkpunt waarop de eerder opgelegde taakstraf volledig moet zijn verricht, het aanvangsmoment van de bewezen verklaarde periode te nemen.
NJ2015/27. De Hoge Raad oordeelde daarin dat artikel 22b lid 2 Sr, mede gelet op de wetsgeschiedenis, zo moet worden uitgelegd dat de eerdere veroordeling reeds ten tijde van het begaan van het nieuwe feit kracht van gewijsde moet hebben gehad. Aan een beantwoording van de vraag of de reeds eerder opgelegde taakstraf volledig moet zijn verricht wil het taakstrafverbod van toepassing zijn, kwam de Hoge Raad niet toe nu in die zaak het arrest waarbij de verdachte was veroordeeld tot een taakstraf nog niet onherroepelijk was ten tijde van het plegen van het nieuwe feit en het oordeel van het hof dat het wederom opleggen van een taakstraf niet mogelijk was, reeds om die reden onjuist was.
volledigten uitvoer is gelegd, dan wel de vervangende hechtenis is bevolen. De Hoge Raad overwoog onder meer:
Immers, de enige vermelding in dat uittreksel van een veroordeling tot een taakstraf ter zake van een misdrijf in de vijf jaar voorafgaand aan het feit van 22 augustus 2015, is een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Utrecht van 2 juni 2014 waarbij aan de verdachte onder meer een werkstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis is opgelegd. Uit het uittreksel kan evenwel niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte deze taakstraf heeft verricht, noch dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.[DA: het uittreksel justitiële documentatie van 26 juli 2017 vermeldt: “Executie 27 oktober 2014 - .”]
Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat het 'taakstrafverbod' van art. 22b Sr van toepassing is, niet zonder meer begrijpelijk en is de strafoplegging niet toereikend gemotiveerd.”
tijdensde pleegperiode van de in de onderhavige zaak onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten (de periode van 1 februari 2014 tot en met 23 april 2014) onherroepelijk is geworden en dat in diezelfde periode een
aanvangmet de tenuitvoerlegging van de taakstraf is gemaakt. Uit het uittreksel kan bovendien worden afgeleid dat de eerder opgelegde taakstraf nog niet (volledig) was verricht, noch dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis was bevolen, op het moment dat de feiten in de onderhavige zaak werden gepleegd. Het oordeel van het hof dat aan de verdachte op grond van artikel 22b Sr geen taakstraf kan worden opgelegd, geeft mijns inziens dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet toereikend gemotiveerd.
gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.” De daaraan voorafgaande overweging omtrent het taakstrafverbod lijkt daarin geen rol van betekenis te vervullen. Ondanks mijn aarzeling geeft voor mij niettemin de doorslag dat het hof door het taakstrafverbod uitdrukkelijk van toepassing te achten over zijn beweegredenen onduidelijkheid heeft laten bestaan.
eerste middelkeert zich tegen het in het arrest besloten liggende oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. Volgens de steller van het middel had de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep moeten worden uitgereikt aan het laatst opgegeven woon- of verblijfadres van de verdachte.
Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”.Tevens is een afschrift van de oproeping naar het laatst bekende BRP-adres van de verdachte ( [a-straat 1] te [plaats] ) gezonden.
Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde ten aanzien van het medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.
alles deed” in de hennepkwekerij. De verdachte heeft een kabel gemaakt die vanaf de meterkast naar zolder liep en die was aangesloten op een tijdschakelaar. Een ander was verantwoordelijk voor het aanbrengen van de elektrische installatie (bewijsmiddel 4). Aldus kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat een ander bij de (inrichting van) de hennepkwekerij was betrokken, echter uit geen van de bewijsmiddelen blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander, gericht op het daadwerkelijke wegnemen van elektriciteit. Het lijkt er veel meer op dat de verdachte hulp heeft gehad bij de inrichting van de hennepkwekerij maar verder in z’n eentje de hennepkwekerij heeft opgezet en gerund. Ook uit de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die de hennep (in z’n eentje) heeft geteeld. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.