Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
23 februari 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de betekening van een appeldagvaarding rechtsgeldig was toen het adres van de verdachte in de appelakte was achterhaald door een later in de Basisregistratie Personen (BRP) opgegeven adres.
De verdachte had zich oorspronkelijk ingeschreven op een adres dat in de appelakte was vermeld. Later schreef hij zich in op een ander adres, waarna hij vanaf een bepaalde datum geen bekende woon- of verblijfplaats meer had. De appeldagvaarding werd uitgereikt op het tweede adres aan een persoon die bereid was de brief aan de verdachte te overhandigen.
Het hof had geoordeeld dat het tweede adres, ondanks het ontbreken van een actuele inschrijving in de BRP, als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte moest worden beschouwd en dat het eerste adres achterhaald was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat betekening rechtsgeldig is indien de dagvaarding wordt aangeboden aan de feitelijke woon- of verblijfplaats en aan een persoon die de dagvaarding aan de verdachte kan overhandigen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en verklaarde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was, waarmee de geldigheid van de betekening werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de betekening van de appeldagvaarding rechtsgeldig was op het tweede adres.