Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep, aangezien “de verdachte niet in de gelegenheid [is] geweest zijn mondelinge bezwaren tegen het vonnis op te geven, waardoor het oordeel van het hof onbegrijpelijk is althans ontoereikend is gemotiveerd en het arrest aan nietigheid lijdt.”
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
in de gelegenheid had moeten stellenmondeling bezwaren tegen het vonnis in te brengen. [2] Maar waarom zou het hof dat in dit geval hebben moeten doen, als het ter terechtzitting geen weet had van het bestaan van het bedoelde e-mailbericht? Waarom de verdachte zelf niet ter terechtzitting is verschenen om mondeling zijn bezwaren naar voren te brengen, is niet duidelijk. Kennelijk heeft hij om een hem moverende reden daarvan afgezien en mogelijk verkeerde hij in de veronderstelling dat zijn raadsman dat namens hem zou doen. Uit het e-mailbericht van 9 januari 2019 kan namelijk worden afgeleid dat de raadsman inderdaad voornemens was de bezwaren te formuleren wanneer op de terechtzitting de zaak inhoudelijk zou worden behandeld; de raadsman schrijft in dat bericht immers dat de verdachte van oordeel is ten onrechte te zijn veroordeeld. Niet echter was de raadsman daartoe in de gelegenheid, omdat hij, zo deelde hij mede, niet in staat was op de terechtzitting van 10 januari 2019 te verschijnen in verband met een zitting elders. Voor het overige kan uit dat bericht worden opgemaakt dat de raadsman vanwege zijn verhindering op die dag het verzoek aan het ressortsparket deed de inhoud van zijn e-mailbericht onder de aandacht van het hof te brengen opdat een nieuwe datum voor de inhoudelijke behandeling van deze zaak zou kunnen worden bepaald. Het voorgaande kan daarom worden uitgelegd als een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak opdat de raadsman mondeling de bezwaren tegen het vonnis naar voren kon brengen alvorens de zaak inhoudelijk zou worden behandeld. [3]
NJ2017/118, m.nt. Reijntjes. In die zaak had het hof met het oog op het belang van het recht van de verdachte op verdediging in de onverklaarde afwezigheid van de raadsvrouw aanleiding gevonden door de griffier te laten onderzoeken of de raadsvrouw op de hoogte was van dag en tijdstip van de terechtzitting. De griffier nam in dat kader telefonisch contact op met de secretaresse van de raadsvrouw. De secretaresse verzocht aan de griffier (telefonisch) om aanhouding. Op dat verzoek bleek het hof niet gemotiveerd te hebben beslist. Het middel klaagde terecht over het ontbreken van zo een motivering. Alhoewel dus (i) niet de advocaat van de verdachte maar zijn secretaresse, (ii) telefonisch (iii) niet aan het hof zelf maar aan de griffier om aanhouding had verzocht, had het hof in de gegeven omstandigheden dat verzoek in behandeling moeten nemen en daarop gemotiveerd moeten beslissen.
diezaak had de wens van (de secretaresse van) de raadsvrouw het hof tijdig bereikt. Dat is als gezegd in de onderhavige zaak anders. Eerder is de Hoge Raad in een voorkomend geval evenwel bereid gebleken om van een ‘buiten de terechtzitting om’ gedaan aanhoudingsverzoek, dat geen onderdeel uitmaakte van de aan de Hoge Raad gezonden gedingstukken en het hof kennelijk niet (tijdig) had bereikt, op basis van aan de cassatieschriftuur gehechte stukken aan te nemen dat dit aanhoudingsverzoek wel was gedaan. Ik wijs op HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1877, waarin een aan de cassatieschriftuur gehecht aanhoudingsverzoek en een faxlogboek betreffende de verzending van dit verzoek per fax naar het faxnummer van de strafgriffie van het hof voldoende grond boden voor het ernstige vermoeden dat voorafgaand aan de terechtzitting door de raadsman om uitstel van de behandeling van de zaak was verzocht.